Aanhouding journaliste door de Politie bij verboden demonstratie blijkt onrechtmatig
Rb. Den Haag 10 juni 2026, IT 5337; ECLI:NL:RBDHA:2026:15512 ([eiseres] tegen de Politie). In deze zaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat de aanhouding van [eiseres], een journaliste die aanwezig was bij een verboden demonstratie op de Dam op 10 november 2024, en haar daaropvolgende vrijheidsbeneming van ongeveer negen uur onrechtmatig waren. Als achtergrond geldt dat de burgemeester van Amsterdam kort vóór die datum een noodverordening had uitgevaardigd in verband met ongeregeldheden rond de voetbalwedstrijd Ajax tegen Maccabi Tel Aviv, op grond waarvan een demonstratieverbod gold. Twee dagen later vond op de Dam toch een demonstratie plaats. [eiseres] was daar aanwezig om journalistiek verslag te doen en maakte met haar telefoon video-opnames. Zij werd door de Politie aangehouden op verdenking van deelname aan de verboden demonstratie en vervolgens geboeid overgebracht naar het politiebureau, waar zij gedurende circa negen uur werd vastgehouden. Strafvervolging is nadien uitgebleven. [eiseres] stelt dat zij niet als demonstrant, maar uitsluitend als journaliste aanwezig was. Zij vordert onder meer een verklaring voor recht dat haar aanhouding en vrijheidsbeneming onrechtmatig waren, alsmede rectificatie van mededelingen die de Politie na de aanhouding onder meer aan NRC heeft gedaan. Volgens de Politie nam [eiseres] wel deel aan de demonstratie, stond zij tussen demonstranten, scandeerde zij leuzen en was voor de Politie niet kenbaar dat zij als journaliste werkte. De Politie voert verder aan dat [eiseres] haar perskaart niet zichtbaar droeg en zich pas laat als pers zou hebben geïdentificeerd.
Rb. Noord-Nederland veroordeelt Mediahuis tot rectificatie na eenzijdige en onjuiste publicatie over tandartspraktijk
Rb. Noord-Nederland 15 april 2026, IT&Recht 5336; ECLI:RBNNE:2026:1229 ([eisers] tegen Mediahuis). In deze zaak tussen [eisers] en Mediahuis staat de vraag centraal of Mediahuis onrechtmatig heeft gehandeld door een krantenartikel over de tandartspraktijk van [eisers] te publiceren. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Volgens de rechtbank heeft Mediahuis een eenzijdig en gekleurd beeld van [eisers] geschetst, zonder hen voldoende gelegenheid te geven daarop vóór publicatie te reageren. De rechtbank veroordeelt Mediahuis daarom tot het plaatsen van een rectificatie. De vordering tot verwijdering van het artikel wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil is een artikel dat in mei 2019 verscheen in de Steenwijker Courant naar aanleiding van een tuchtuitspraak tegen [eisers]. Het artikel bevat verschillende beschuldigingen over de praktijkvoering van [eisers] en is grotendeels gebaseerd op uitlatingen van een concurrerende tandartspraktijk. De tuchtuitspraak waarop het artikel was gebaseerd, is later door het Centraal Tuchtcollege vernietigd. Volgens [eisers] bevat het artikel feitelijke onjuistheden en heeft Mediahuis onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Bij de beoordeling past de rechtbank het gebruikelijke toetsingskader toe van artikel 6:162 BW in het licht van de belangenafweging tussen het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). De rechtbank stelt vast dat Mediahuis [eisers] alleen om een reactie op de tuchtuitspraak heeft gevraagd en niet op de overige verwijten, beschuldigingen en conclusies die uiteindelijk in het artikel zijn opgenomen. Daardoor konden [eisers] feitelijke onjuistheden vóór publicatie niet corrigeren. Volgens de rechtbank had Mediahuis hen die mogelijkheid wel moeten bieden, gelet op de mogelijke gevolgen van de publicatie voor hun reputatie.
Online uitlatingen van inwoner Schouwen-Duivenland over Gemeente onrechtmatig
Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, IT 5328; ECLI:NL:RBZWB:2026:4879 (Gemeente Schouwen-Duiveland tegen [gedaagde]). In dit kort geding gaat het om uitlatingen die [gedaagde], inwoner van de gemeente Schouwen-Duiveland, op sociale media heeft geplaatst over werknemers van de Gemeente. In die berichten noemt hij ambtenaren bij naam, maakt hij hen onder meer uit voor leugenaars en plaatst hij bij sommige uitlatingen ook foto’s van de betreffende werknemers. Daarnaast heeft [gedaagde] AI-gegenereerde filmpjes geplaatst waarin geweld wordt toegepast tegen figuren die als bestuurders of ambtenaren van de Gemeente herkenbaar zijn, waaronder de burgemeester. De Gemeente vordert verwijdering en verwijderd houden van de in de dagvaarding genoemde uitlatingen, verwijdering van na 18 maart 2026 geplaatste uitlatingen waarin namen, foto’s of andere persoonsgegevens van ambtenaren worden genoemd en verwijdering van filmpjes waarin geweld tegen de burgemeester wordt uitgeoefend. Ook vordert zij een verbod op toekomstige publicaties waarin ambtenaren herkenbaar worden genoemd en beschuldigend, smadelijk, lasterlijk of sarcastisch worden aangeduid, alsmede een verbod op AI-gegenereerde filmpjes waarin geweld wordt toegepast tegen herkenbare bestuurders of ambtenaren van de Gemeente. [gedaagde] verschijnt niet ter zitting, zodat tegen hem verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter slaat daarom geen acht op de door hem ingediende stukken. Het spoedeisend belang is volgens de voorzieningenrechter gegeven, omdat [gedaagde] ook na de dagvaarding is doorgegaan met het plaatsen van berichten waarin ambtenaren bij naam worden genoemd.
Illegaal online kansspelaanbod onrechtmatig jegens TOTO
Rb. Den Haag 17 juni 2026, IT 5324; RB 4034; ECLI:NL:RBDHA:2026:16277 (TOTO tegen DECC c.s.). De rechtbank Den Haag oordeelt in een geschil tussen TOTO en meerdere gedaagden over het online aanbieden van kansspelen via Lala.bet. TOTO stelt dat zonder vergunning van de Kansspelautoriteit online kansspelen zijn aangeboden aan Nederlandse spelers, terwijl zij zelf als vergunninghoudende aanbieder actief is op de gereguleerde Nederlandse kansspelmarkt. De rechtbank acht de vorderingen tegen [gedaagde sub 4], SkyGrow en [gedaagde sub 6] op dit punt toewijsbaar. Zij worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die TOTO als gevolg van het illegale kansspelaanbod heeft geleden, nader op te maken bij staat. Ook worden zij veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van het aanbieden of faciliteren van online kansspelen zonder Nederlandse vergunning, op straffe van een dwangsom. De schade wordt in deze procedure nog niet begroot, omdat de omvang daarvan en de precieze financiële gevolgen in een afzonderlijke schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld.
Artikel geschreven door Stephan Mulders, Blenheim.
Beleidspunten bij zakelijke verkoop via Bol.com: juridische aandachtspunten voor e-commerce ondernemers
Stephan Mulders, 11 juni 2026.
Zakelijke verkoop via Bol.com biedt grote commerciële kansen, maar brengt ook risico’s met zich mee. Eén van die risico’s is het beleidspuntensysteem van Bol.com. Dit systeem bepaalt of een zakelijk verkopersaccount mag worden gesloten. Bij het bereiken van nul beleidspunten wordt een account beëindigd, wat direct leidt tot omzetverlies. In dit artikel leest u hoe het beleidspuntensysteem van Bol.com juridisch in elkaar zit en hoe u zich kunt weren tegen een onterechte aftrek van beleidspunten.
HvJ EU: gezamenlijke overheidscontrole volstaat voor kwalificatie als overheidsonderneming onder open data-richtlijn
HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů). In deze prejudiciële procedure tussen Vodovody a kanalizace Přerov a.s. en de Tsjechische Úřad pro ochranu osobních údajů staat de vraag centraal wanneer een onderneming als "overheidsonderneming" in de zin van de richtlijn inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie moet worden aangemerkt. Meer in het bijzonder verduidelijkt het Hof van Justitie of meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen en of daarvoor vereist is dat zij onderling afstemmen of gemeenschappelijke belangen nastreven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek om inzage in de vergadernotulen van de bestuursorganen van Vodovody a kanalizace Přerov, een Tsjechische vennootschap die actief is op het gebied van drinkwatervoorziening en waterzuivering. De onderneming is vrijwel volledig in handen van verschillende Tsjechische steden en gemeenten, maar geen van deze aandeelhouders bezit zelfstandig een meerderheidsbelang. Nadat de onderneming het informatieverzoek had afgewezen omdat zij zichzelf niet als "overheidsonderneming" beschouwde, oordeelde de Tsjechische toezichthouder dat zij het verzoek alsnog overeenkomstig de nationale informatievrijheidswet moest behandelen. De verwijzende rechter vraagt vervolgens het Hof hoe het begrip "overheidsonderneming" uit artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2019/1024 moet worden uitgelegd. Voordat het Hof de inhoudelijke vragen beantwoordt, gaat het eerst in op zijn bevoegdheid. Hoewel het hoofdgeding betrekking heeft op een verzoek om toegang tot documenten en niet op het hergebruik van overheidsinformatie als zodanig, stelt het Hof vast dat de Tsjechische wetgever de definitie van "overheidsonderneming" uit de richtlijn rechtstreeks en zonder voorbehoud heeft overgenomen in de nationale wetgeving en daarmee de personele werkingssfeer van de nationale informatiewet heeft afgestemd op die van de richtlijn. In lijn met de Dzodzi‑rechtspraak benadrukt het Hof dat de Unie er belang bij heeft dat dergelijke naar Unierecht overgenomen begrippen uniform worden uitgelegd. Daardoor bestaat een duidelijk belang bij een uniforme uitleg van het Unierecht en is het Hof bevoegd de prejudiciële vragen te beantwoorden. Het Hof leidt uit de tekst van artikel 2, punt 3, van de richtlijn af dat het begrip "overheidsonderneming" niet beperkt is tot ondernemingen waarop één openbaar lichaam een overheersende invloed kan uitoefenen. De bepaling spreekt uitdrukkelijk over "de openbare lichamen" in meervoud. Dat sluit aan bij de definitie van overheidsonderneming in Richtlijn 2014/25, waarop de open data‑richtlijn is gebaseerd en die eveneens uitgaat van aanbestedende diensten in meervoud.
HvJ EU: AVG-klacht mag niet worden afgewezen wegens lopende civiele procedure
HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5333; ECLI:EU:E:2026:493 (Dr. G S tegen Datenschutzbehörde en D GmbH). In deze prejudiciële procedure tussen de Oostenrijkse Datenschutzbehörde (DSB) en Dr. G S staat de vraag centraal of een toezichthoudende autoriteit een AVG-klacht mag afwijzen wanneer de betrokkene eerder al een civiele procedure over hetzelfde onderwerp is gestart. Het Hof van Justitie verduidelijkt de verhouding tussen de rechtsmiddelen van de artikelen 77 en 79 AVG en geeft richting aan de wijze waarop lidstaten de parallelle uitoefening daarvan mogen vormgeven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek van arts Dr. G S om haar persoonsgegevens te laten verwijderen van een online artsenbeoordelingsplatform. Nadat de exploitant van het platform dit verzoek had afgewezen, stelde zij een civiele procedure in waarin zij onder meer verwijdering van haar persoonsgegevens en een verbod op verdere verwerking vorderde. Nadat ook een tweede verzoek tot verwijdering op grond van de AVG was afgewezen, diende zij daarnaast een klacht in bij de Oostenrijkse gegevensbeschermingsautoriteit op grond van artikel 77 AVG. De DSB wees die klacht af, omdat volgens haar niet tegelijkertijd een procedure bij de toezichthouder en een civiele procedure met hetzelfde voorwerp kon worden gevoerd. Het Hof stelt voorop dat de AVG verschillende, naast elkaar bestaande rechtsmiddelen biedt om de rechten van betrokkenen te beschermen. Artikel 77 AVG geeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, terwijl artikel 79 AVG daarnaast een rechtstreeks beroep op de rechter mogelijk maakt tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt dat beide rechtsmiddelen kunnen worden uitgeoefend "onverminderd" elkaar. De AVG kent daarom geen exclusieve bevoegdheid toe aan de toezichthouder of de burgerlijke rechter en bevat evenmin een voorrangsregel tussen beide procedures. Volgens het Hof sluit deze uitleg aan bij de doelstellingen van de AVG. De verordening beoogt een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens en een effectieve rechtsbescherming voor betrokkenen. Juist doordat meerdere rechtsmiddelen naast elkaar beschikbaar zijn, wordt de bescherming van de rechten uit de AVG versterkt.
HvJ EU: artikel 21 marktmisbruikverordening niet beperkt tot journalisten
HvJ 18 juni 2026, IT&Recht 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA). In deze prejudiciële procedure tussen MT en de Belgische toezichthouder FSMA staat de vraag centraal of een politicus zich kan beroepen op de uitzonderingen uit de marktmisbruikrichtlijn en de marktmisbruikverordening wanneer hij voorwetenschap via de media openbaar maakt. Daarbij voert MT aan dat hij met zijn uitlatingen uitsluitend een publiek debat over een kwestie van algemeen belang wilde aanwakkeren. Het Hof van Justitie verduidelijkt hoe het verbod op de openbaarmaking van voorwetenschap moet worden uitgelegd in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, en geeft daarbij richting aan de verhouding tussen marktintegriteit en politieke uitingsvrijheid. Aanleiding voor het geschil vormt een administratieve boete die de Belgische toezichthouder FSMA oplegde aan MT, voormalig Belgisch minister van Overheidsbedrijven en prominent oppositiepoliticus. In mei 2016 verklaarde MT tijdens een radio-interview en tegenover verschillende media dat de Belgische staat op korte termijn een deel van zijn aandelen in Bpost zou verkopen aan het Nederlandse PostNL. Volgens de verwijzende rechter was op dat moment sprake van vertrouwelijke onderhandelingen en bestond een reële kans dat de transactie spoedig zou worden aangekondigd. Naar aanleiding van de uitlatingen werden de beursnoteringen van Bpost tijdelijk stilgelegd en strandden de onderhandelingen over de voorgenomen fusie. De FSMA oordeelde dat MT buiten de normale uitoefening van zijn taken voorwetenschap had openbaar gemaakt en legde hem een administratieve boete op. MT stelde daartegen beroep in en voerde aan dat hij uitsluitend had willen bijdragen aan het publieke debat over de privatisering van een overheidsbedrijf en zich daarom kon beroepen op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof stelt voorop dat zowel artikel 3 van Richtlijn 2003/6 als artikel 10 van Verordening 596/2014 een uitzondering bevatten op het verbod om voorwetenschap openbaar te maken wanneer die openbaarmaking plaatsvindt in de normale uitoefening van een dienstbetrekking, beroep of taken. Die uitzondering moet weliswaar strikt worden uitgelegd, maar dat sluit niet uit dat ook een politicus zich daarop kan beroepen. Doorslaggevend is of een voldoende nauwe band bestaat tussen de openbaarmaking en de normale uitoefening van diens taken en of de openbaarmaking strikt noodzakelijk en evenredig is voor de vervulling daarvan. Volgens het Hof kan een prominente oppositiepoliticus in een democratische samenleving een wezenlijke rol vervullen door regeringsbeleid publiekelijk ter discussie te stellen en maatschappelijke onderwerpen onder de aandacht te brengen. Indien een openbaarmaking van voorwetenschap uitsluitend plaatsvindt om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang mogelijk te maken, kan die openbaarmaking daarom binnen de normale uitoefening van politieke taken vallen. Dat geldt temeer wanneer het gaat om een voorgenomen privatisering van een belangrijk staatsbedrijf, een onderwerp dat de samenleving rechtstreeks raakt. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen of daarvan in het concrete geval sprake is.
Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over bewaarplicht van pasfoto's, biometrische gegevens en de AVG
HR 12 juni 2026, IT&Recht 5331; ECLI:NL:HR:2026:921 ([de kaarthoudster] tegen ICS). In deze zaak tussen [de kaarthoudster] en International Card Services B.V. (ICS) staat de vraag centraal of International Card Services (ICS) de creditcardovereenkomst met [de kaarthoudster] mocht opzeggen nadat zij had geweigerd mee te werken aan een nieuwe online-identificatie op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Voor deze identificatie diende zij een foto van haar identiteitsbewijs en een selfie aan te leveren. [de kaarthoudster] verzette zich tegen deze werkwijze omdat ICS de foto's zou opslaan. Volgens haar is sprake van verwerking van biometrische gegevens en ontbreekt een toereikende wettelijke grondslag voor het bewaren van deze foto's. Het hof oordeelde eerder dat ICS de overeenkomst mocht opzeggen. Volgens het hof was de online-identificatie noodzakelijk om te voldoen aan de verplichtingen uit de Wwft en vormt het enkele opslaan van een foto geen verwerking van biometrische gegevens in de zin van de AVG, omdat daarvoor specifieke technische verwerking nodig is waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. In cassatie ziet de Hoge Raad aanleiding om op meerdere punten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De Hoge Raad stelt voorop dat de zaak draait om de afweging tussen enerzijds de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese anti-witwasregelgeving en anderzijds het recht op bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer zoals gewaarborgd door de AVG, het Handvest en het EVRM. Omdat deze afweging in belangrijke mate afhankelijk is van de uitleg van Unierecht, acht de Hoge Raad beantwoording door het Hof van Justitie noodzakelijk. Een eerste vraag betreft de kwalificatie van foto's als biometrische gegevens. De Hoge Raad overweegt dat uit de tekst van artikel 4, onder 14, AVG en overweging 51 van de AVG volgt dat een gewone foto niet zonder meer een biometrisch gegeven vormt. Daarvoor is vereist dat de foto wordt onderworpen aan een specifieke technische verwerking waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. De foto vormt dan de bron waaruit biometrische gegevens kunnen worden afgeleid, maar is niet zonder meer zelf een biometrisch gegeven. De Hoge Raad wijst er echter op dat een recent arrest van het Hof van Justitie aanleiding geeft om hierover alsnog prejudiciële vragen te stellen.
HvJ EU: AVG sluit gebruik van onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs niet uit
HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM). In deze zaak tussen NTH Haustechnik GmbH en haar voormalige werknemer EM tussen staat de vraag centraal in hoeverre een nationale rechter in een civiele procedure persoonsgegevens mag verwerken en gebruiken die mogelijk in strijd met de AVG zijn verkregen. De zaak ontstond nadat NTH Haustechnik haar voormalige werknemer aansprakelijk stelde voor de gestelde doorverkoop van bedrijfseigendommen via een privéaccount op eBay. De werkgever baseerde zich daarbij op gegevens die waren verkregen door toegang tot dat privéaccount. Volgens de verwijzende Duitse rechter kon niet worden uitgesloten dat deze gegevens op onrechtmatige wijze waren verzameld. Het Hof van Justitie kreeg daarom onder meer de vraag voorgelegd welke eisen de AVG stelt aan het gebruik van dergelijke persoonsgegevens als bewijsmiddel in een gerechtelijke procedure. Het Hof stelt voorop dat de AVG van toepassing kan zijn op de verwerking van persoonsgegevens door rechters wanneer deze gegevens worden opgenomen in een procesdossier of digitaal worden geraadpleegd, opgeslagen of gebruikt. Dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijs in beginsel een kwestie van nationaal procesrecht is, neemt niet weg dat een rechter bij de verwerking van persoonsgegevens de AVG moet naleven. Daarbij wijst het Hof erop dat het begrip "verwerking" ruim is en ook ziet op het toevoegen van stukken aan een dossier en het raadplegen daarvan door de rechter, en dat rechterlijke verwerkingen niet onder de uitzonderingen van artikel 2 AVG vallen. Vervolgens bepaalt het Hof welke rechtsgrond geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de rechter. De verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van de bewijsvoering is in beginsel gebaseerd op artikel 6 lid 1 onder c AVG. De rechter verwerkt de gegevens namelijk omdat hij op grond van het nationale procesrecht verplicht is de aangevoerde feiten en het aangeboden bewijs te beoordelen. Daarmee maakt het Hof duidelijk dat niet artikel 6 lid 1 onder e AVG (taak van algemeen belang), maar de wettelijke verplichting van de rechter om over de toelaatbaarheid en waardering van bewijs te beslissen de relevante grondslag vormt. In dat kader wijst het Hof erop dat artikel 6 lid 1 onder f AVG (gerechtvaardigd belang) niet de grondslag is voor deze rechterlijke verwerking; de rechter baseert zich in deze context op artikel 6 lid 1 onder c AVG. Artikel 17 lid 3 onder e AVG vormt daarentegen geen zelfstandige grondslag voor verwerking.




























