Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.
Handlichting aan minderjarige verleend voor openen zakelijke bankrekening
Rb. Overijssel 27 augustus 2026, IT 5511; ECLI:NL:RBOVE:2026:5430 (verzoeker Luuk). De kantonrechter wijst het verzoek van een zestienjarige toe om op grond van artikel 1:235 BW handlichting te verkrijgen voor het openen van een zakelijke bankrekening. De minderjarige is samen met zijn vader een onderneming gestart onder de naam LUV Commerce, waarmee zij via bol.com producten verkopen aan Nederlandse en Belgische consumenten. Zij willen een tweede verkoopaccount openen voor bestellingen naar België, omdat deze verkopen anders worden gefactureerd en niet binnen het bestaande account kunnen worden gescheiden. Voor dat tweede verkoopaccount is een zakelijk bankrekeningnummer vereist. De kantonrechter overweegt dat handlichting inhoudt dat een zestien- of zeventienjarige voor bepaalde, door de rechter aangewezen bevoegdheden handelingsbekwaamheid als een meerderjarige verkrijgt. Bij de beoordeling moet het belang van de minderjarige centraal staan en moet worden beoordeeld of de gevraagde handlichting verantwoord is. Gelet op het verzoek en de toelichting, waaronder de verklaring van de vader dat hij de financiële risico’s draagt en toezicht houdt, verleent de kantonrechter handlichting tot het openen van een zakelijke bankrekening.
Geen schadevergoeding na gestelde privacy-inbreuk bij opname uitvaart wegens onvoldoende onderbouwde schade
Rb. Oost-Brabant 3 september 2026, IT 5510; ECLI:NL:RBOBR:2026:6346 ([eiseres] tegen de protestantse gemeente). De kantonrechter beoordeelt een schadevordering naar aanleiding van het filmen van de uitvaartdienst van de moeder van eiseres. De dienst kon live via kerkdienstgemist.nl worden gevolgd en de opname bleef daarna enkele maanden beschikbaar om terug te kijken en te downloaden. Eiseres stelde dat de opname zonder haar toestemming was gemaakt en beschikbaar gesteld en dat daardoor haar privacy en de nagedachtenis van haar moeder waren aangetast. Zij vorderde onder meer € 10.000 aan immateriële schadevergoeding en vergoeding van de tijd die zij aan de kwestie had besteed. Voor zover eiseres tevens stelde dat de privacy van andere aanwezigen was geschonden, laat de kantonrechter dat buiten beschouwing omdat zij niet over een volmacht beschikte om namens hen op te treden. De rechter begrijpt de eigen schadevorderingen van eiseres als gebaseerd op artikel 6:162 BW en artikel 82 AVG. Voor schadevergoeding is op beide grondslagen niet voldoende dat sprake is van een onrechtmatige daad respectievelijk een AVG-inbreuk: ook moet daadwerkelijk schade zijn geleden en moet causaal verband bestaan tussen die schade en de gestelde normschending. Onder verwijzing naar het arrest Österreichische Post overweegt de kantonrechter dat voor immateriële schade op grond van artikel 82 AVG weliswaar geen minimumdrempel van ernst geldt, maar dat de betrokkene nog steeds moet aantonen dát zij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden.
Hof Amsterdam: blokkering softwaresystemen levert voorshands wanprestatie en persoonlijke onrechtmatige daad op
Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23808; 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]). Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Hof Amsterdam in kort geding een geschil over een samenwerking voor de distributie en verdere ontwikkeling van software voor identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. Het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd en gaat voor de contractuele vordering tegen [appellant 1] uit van Nederlands recht, omdat de rechtsverhouding voorshands als distributieovereenkomst moet worden gekwalificeerd; een gestelde rechtskeuze voor Amerikaans recht is onvoldoende aannemelijk. Ook op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [appellant 2] is Nederlands recht van toepassing. Het hof gaat bovendien uit van het vereiste spoedeisend belang. Voldoende aannemelijk is dat partijen een langdurige duurovereenkomst waren aangegaan en dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen schond door de overeenkomst met slechts een termijn van een week te beëindigen en [geïntimeerde] de toegang tot haar systemen te ontzeggen. De blokkades belemmerden [geïntimeerde] ernstig in haar bedrijfsvoering. Het hof acht daarom voorshands sprake van wanprestatie door [appellant 1]. Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van [appellant 2] bij de blokkades en zijn feitelijke invloed op de bedrijfsvoering van [appellant 1], acht het hof tevens voldoende aannemelijk dat hij persoonlijk onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Het geschil over het auteursrecht op de verder ontwikkelde “+software” geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
A-G: ontbrekende stukken bij wijziging zorgmachtiging rechtvaardigen vernietiging en terugwijzing
Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie). In deze Wvggz-zaak was aan betrokkene een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. De officier van justitie verzocht vervolgens om wijziging van die machtiging door insluiting als aanvullende vorm van verplichte zorg toe te voegen. In cassatie klaagt betrokkene eerst dat de zorgmachtiging niet meer kon worden gewijzigd, omdat deze niet binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz genoemde termijn van twee weken ten uitvoer zou zijn gelegd. Volgens de A-G faalt die klacht. Tenuitvoerlegging in de zin van de Wvggz houdt in dat de officier van justitie ervoor zorgt dat de zorgaanbieder met de uitvoering van de machtiging kan beginnen; dit moet worden onderscheiden van de feitelijke uitvoering van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Nu de machtiging op 23 juni 2025 was verleend, op 30 juni 2025 op schrift was gesteld en binnen twee weken aan de zorgaanbieder was verzonden, was zij tijdig ten uitvoer gelegd. Bovendien zou een eventuele overschrijding van die termijn niet leiden tot verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging, omdat dit niet behoort tot de limitatief in art. 6:6 Wvggz genoemde vervalgronden. In dat geval kan wel een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz aan de orde zijn.
Oorspronkelijk gepubliceerd op AI-Forum.
Auteursrecht op door AI gegenereerde output? De VS en EU zijn kritisch, maar India opent de deur
Kan een werk auteursrechtelijk beschermd zijn wanneer de vormgeving volledig door een AI-systeem is bepaald? Ja, aldus het Indiase Copyright Office. Het door DABUS gegenereerde beeld A Recent Entrance to Paradise voldoet aan de originaliteitsdrempel. DABUS kan zelf geen auteur zijn, maar zijn ontwikkelaar Stephen Thaler wel. Dezelfde Thaler wiens verzoek om bescherming van hetzelfde werk een halfjaar terug in de Verenigde Staten nog definitief strandde. Slaat India daarmee een andere route in dan de VS en naar alle waarschijnlijkheid ook de Europese Unie? Dat lichten we toe.
EVR-registratie blijft in stand ondanks verslechterde financiële situatie
Rb. Den Haag 5 juni 2026, IT 5505; ECLI:NL:RBDHA:2026:21760 ([eiseres] tegen Klaverblad). Een zelfstandig letselschadebehandelaar vordert in kort geding verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister (EVR), het Intern Verwijzingsregister (IVR) en overige schaderegisters en ongedaanmaking van de melding bij het fraudeloket van het Centrum voor Bestrijding van Verzekeringscriminaliteit (CBV). Klaverblad had de registraties aangebracht nadat was gebleken dat eiseres bij een integriteitsonderzoek voorafgaand aan een overeenkomst van opdracht haar eerdere betrokkenheid bij frauderegistraties niet had gemeld. Over de oorspronkelijke rechtmatigheid van die registraties was al eerder geprocedeerd: de voorzieningenrechter wees haar vorderingen in 2024 af en het hof bekrachtigde dat vonnis in 2025. In deze nieuwe procedure kan daarom niet opnieuw worden beoordeeld of de registraties destijds terecht zijn aangebracht, maar wel of de door eiseres gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat handhaving daarvan inmiddels disproportioneel is. Voor de registraties anders dan het EVR en voor de CBV-melding ontbreekt volgens de voorzieningenrechter spoedeisend belang, omdat niet is gesteld of gebleken dat juist die registraties haar werkzaamheden of inkomen belemmeren. De inhoudelijke beoordeling beperkt zich daarom tot de EVR-registratie.
Zuyderland kon softwarelicentie niet per 29 oktober 2025 beëindigen
Rb. Limburg 12 augustus 2026, IT 5504; ECLI:NL:RBLIM:2026:8059 (Logis.P tegen Zuyderland). Logis.P en Zuyderland sloten in oktober 2020 een overeenkomst voor de gefaseerde implementatie van een digitaal aanmeld- en registratiesysteem voor patiënten, bestaande uit onder meer hardware, softwarelicenties, koppelingen met het EPD en aanvullende diensten. Tussen partijen stond vast dat voor de software een minimale contractduur van vijf jaar gold, maar zij verschilden van mening over de aanvang daarvan. Zuyderland meende dat de looptijd op 29 oktober 2020, de datum van ondertekening, was begonnen en zegde de overeenkomst daarom op tegen 29 oktober 2025. Logis.P stelde dat de licentietermijn pas op 1 april 2021 was aangevangen. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst veeleer als een raamovereenkomst dan als één integrale duurovereenkomst. Voor verschillende onderdelen waren nadere overeenkomsten voorzien en ook voor de softwarelicentie was oorspronkelijk een afzonderlijke licentie- en onderhoudsovereenkomst beoogd, die uiteindelijk niet afzonderlijk is ondertekend. Uit de tekst van de overeenkomst, waarin staat dat het softwareabonnement na installatie en vervolgens maandelijks vooruit wordt gefactureerd, in samenhang met de feitelijke uitvoering, volgt volgens de rechtbank dat partijen de aanvang van de minimale contractduur hebben gekoppeld aan de installatie van de software en de daaropvolgende facturering. Nu de eerste licentiekosten per 1 april 2021 in rekening zijn gebracht, is de minimale looptijd op die datum aangevangen.
Artikel 54 AVG sluit toepassing Woo op toezichtsinformatie AP niet uit
Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5503; ECLI:NL:RBAMS:2026:6692 (eiseres tegen de AP en GGD GHOR). Eiseres heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de Wet open overheid verzocht om informatie over een datalek uit januari 2021 waarbij de GGD-systemen CoronIT, HPZone en HPZone Lite waren betrokken en over het onderzoek van de AP daarnaar. De AP wees het verzoek volledig af en stelde onder meer dat art. 54 lid 2 AVG, dat een beroepsgeheim oplegt aan leden en personeel van toezichthoudende autoriteiten, eraan in de weg staat dat deze gevoelige toezichtsinformatie onder de Woo openbaar wordt gemaakt. De rechtbank volgt dat niet. Hoewel de AVG als rechtstreeks werkende Unierechtelijke verordening voorrang heeft boven nationaal recht, bevat art. 54 lid 2 AVG volgens de rechtbank geen regeling die documenten die bij de AP berusten aan openbaarmaking onttrekt. De bepaling ziet op het beroepsgeheim van personen die bij de toezichthouder werkzaam zijn ten aanzien van vertrouwelijke informatie die hun bij de uitoefening van hun taken bekend is geworden. Anders dan bijvoorbeeld een bepaling die uitdrukkelijk het verstrekken van informatie regelt, biedt art. 54 lid 2 AVG geen grond om de openbaarmakingsregels van de Woo buiten toepassing te laten. De AP moet daarom aan de hand van de Woo beoordelen of en in hoeverre de gevraagde documenten openbaar kunnen worden gemaakt.
Belastingdienst mag persoonsgegevens leden businessclub opvragen; gegevens over evenementbezoek gaan te ver
Rb. Noord-Holland 2 september 2026, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]). De Belastingdienst vordert in kort geding dat een exploitant van luxe herenmodezaken op grond van art. 47, 49 en 53 AWR gegevens verstrekt over de leden van haar businessclub. Volgens de onderneming gaat het om een ongeoorloofde fishing expedition en vormt de bulkuitvraag van rechtstreeks herleidbare persoonsgegevens een disproportionele inmenging in de privacy van haar klanten, in strijd met de AVG en art. 8 EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 47 en 53 AWR de Belastingdienst een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Niet vereist is dat vooraf voor iedere individuele belastingplichtige concrete aanwijzingen bestaan; ook serievragen over een afgebakende categorie derden zijn toegestaan. De uitvraag betreft hier een vooraf bepaalde, inhoudelijk samenhangende groep – de leden van de businessclub gedurende een beperkt aantal fiscale jaren – en de Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens relevant kunnen zijn voor onder meer de fiscale verwerking van kleding, shoptegoeden en deelname aan activiteiten. Van een fishing expedition of détournement de pouvoir is daarom geen sprake. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.





























