IT 5330
30 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: AVG sluit gebruik van onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs niet uit

 
IT 5329
30 juni 2026
Uitspraak

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

 
IT 5327
30 juni 2026
Uitspraak

Artikel 196 Rv biedt Dynamiet toegang tot Google-gegevens over zoekresultaten

 
IT 5330

HvJ EU: AVG sluit gebruik van onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs niet uit

HvJ EU 30 jun 2026,, IT 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-avg-sluit-gebruik-van-onrechtmatig-verkregen-persoonsgegevens-als-bewijs-niet-uit

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM). In deze zaak tussen NTH Haustechnik GmbH en haar voormalige werknemer EM tussen staat de vraag centraal in hoeverre een nationale rechter in een civiele procedure persoonsgegevens mag verwerken en gebruiken die mogelijk in strijd met de AVG zijn verkregen. De zaak ontstond nadat NTH Haustechnik haar voormalige werknemer aansprakelijk stelde voor de gestelde doorverkoop van bedrijfseigendommen via een privéaccount op eBay. De werkgever baseerde zich daarbij op gegevens die waren verkregen door toegang tot dat privéaccount. Volgens de verwijzende Duitse rechter kon niet worden uitgesloten dat deze gegevens op onrechtmatige wijze waren verzameld. Het Hof van Justitie kreeg daarom onder meer de vraag voorgelegd welke eisen de AVG stelt aan het gebruik van dergelijke persoonsgegevens als bewijsmiddel in een gerechtelijke procedure. Het Hof stelt voorop dat de AVG van toepassing kan zijn op de verwerking van persoonsgegevens door rechters wanneer deze gegevens worden opgenomen in een procesdossier of digitaal worden geraadpleegd, opgeslagen of gebruikt. Dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijs in beginsel een kwestie van nationaal procesrecht is, neemt niet weg dat een rechter bij de verwerking van persoonsgegevens de AVG moet naleven. Daarbij wijst het Hof erop dat het begrip "verwerking" ruim is en ook ziet op het toevoegen van stukken aan een dossier en het raadplegen daarvan door de rechter, en dat rechterlijke verwerkingen niet onder de uitzonderingen van artikel 2 AVG vallen. Vervolgens bepaalt het Hof welke rechtsgrond geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de rechter. De verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van de bewijsvoering is in beginsel gebaseerd op artikel 6 lid 1 onder c AVG. De rechter verwerkt de gegevens namelijk omdat hij op grond van het nationale procesrecht verplicht is de aangevoerde feiten en het aangeboden bewijs te beoordelen. Daarmee maakt het Hof duidelijk dat niet artikel 6 lid 1 onder e AVG (taak van algemeen belang), maar de wettelijke verplichting van de rechter om over de toelaatbaarheid en waardering van bewijs te beslissen de relevante grondslag vormt. In dat kader wijst het Hof erop dat artikel 6 lid 1 onder f AVG (gerechtvaardigd belang) niet de grondslag is voor deze rechterlijke verwerking; de rechter baseert zich in deze context op artikel 6 lid 1 onder c AVG. Artikel 17 lid 3 onder e AVG vormt daarentegen geen zelfstandige grondslag voor verwerking.

IT 5329

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

Gerechtshof Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5329; De Telegraaf tegen FIO (De Telegraaf tegen FIO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bekrachtigt-rectificatie-wegens-onrechtmatige-column-over-vermeende-hamas-relatie-fio

Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT&Recht 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.

IT 5327

Artikel 196 Rv biedt Dynamiet toegang tot Google-gegevens over zoekresultaten

Rechtbank Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/artikel-196-rv-biedt-dynamiet-toegang-tot-google-gegevens-over-zoekresultaten

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IT&Recht 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google). In deze zaak tussen Dynamiet en Google (Google Netherlands en Google Ireland) staat de vraag centraal of Dynamiet op grond van artikel 196 Rv inzage kan verkrijgen in gegevens waarover Google beschikt met betrekking tot maatregelen die de zichtbaarheid van haar website in Google Search tussen februari en april 2025 hebben beïnvloed. Dynamiet wil deze informatie gebruiken om haar rechtspositie te bepalen en te beoordelen of aanleiding bestaat een civielrechtelijke procedure tegen Google te starten. De rechtbank wijst het verzoek grotendeels toe. De rechtbank stelt haar internationale bevoegdheid vast op grond van Brussel I-bis en oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is. Dynamiet exploiteert een website waarop consumenten informatie kunnen vinden over het terugvorderen van verliezen bij aanbieders van online kansspelen en verleent daarnaast juridische dienstverlening aan consumenten die dergelijke vorderingen willen instellen. Volgens Dynamiet is de vindbaarheid van haar website en een aantal specifieke webpagina's begin 2025 aanzienlijk afgenomen. Nadat een eerder kort geding waarin herstel van de zichtbaarheid werd gevorderd was afgewezen, verzocht Dynamiet Google om gegevens te verstrekken over eventuele technische of inhoudelijke maatregelen die de ranking, filtering, blokkering of verwijdering van haar webpagina's uit de zoekresultaten hadden beïnvloed. Google liet weten geen nadere informatie te verstrekken, voor zover zij daartoe al gehouden zou zijn. Dynamiet verzoekt vervolgens de rechtbank Google te bevelen inzage te geven in gegevens over de betrokken URL's en zoektermen, waaronder informatie over eventuele delisting, demotion, filtering of blokkering, de redenen en triggers voor dergelijke maatregelen, de vraag of deze handmatig of algoritmisch zijn toegepast, de duur daarvan en de interne communicatie, logbestanden en technische documentatie waarin deze maatregelen zijn vastgelegd. Daarnaast vraagt zij dat de gegevens in een digitaal en doorzoekbaar formaat worden verstrekt, voorzien van een leesbare toelichting op de logbestanden, en dat aan niet-nakoming een dwangsom wordt verbonden. Google verschijnt niet in de procedure en reageert evenmin op het verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over een mondelinge behandeling.

IT 5326

Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IT 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 (([eiser] tegen De Telegraaf)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-telegraaf-hoeft-citaat-over-vermeende-betrokkenheid-dierenactivist-niet-te-verwijderen

Rb. Amsterdam 27 november 2025, IEF 23655; IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.

IT 5325

Rb. Noord-Holland: dagelijks online gokken verplichtte Kansino tot eerdere interventie

Rechtbank Noord-Nederland 28 jun 2026,, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 (([eiser] tegen Kansino)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-holland-dagelijks-online-gokken-verplichtte-kansino-tot-eerdere-interventie

Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 ([eiser] tegen Kansino). In deze zaak tussen [eiser] en Kansino staat de vraag centraal of de aanbieder van online kansspelen zijn zorgplicht op grond van de specifieke kansspelregelgeving heeft geschonden door niet tijdig in te grijpen bij signalen van problematisch speelgedrag. De kantonrechter oordeelt dat Kansino te laat heeft geïntervenieerd en veroordeelt de aanbieder tot betaling van € 1.650,- aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [eiser] nam tussen 18 juni en 12 juli 2022 deel aan online kansspelen van Kansino en verloor in die periode per saldo € 5.400,-. Volgens [eiser] had Kansino op grond van de destijds geldende regelgeving eerder moeten ingrijpen, omdat zijn speelgedrag duidelijke aanwijzingen vormde voor onmatige deelneming aan kansspelen of een risico op kansspelverslaving. Kansino betwistte dat dergelijke signalen aanwezig waren en stelde dat zij daarom niet tot interventie verplicht was. Ook werd de omvang van de gestelde schade betwist. Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, stelt hij vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Hoewel Kansino in Malta is gevestigd, heeft zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist. Daarnaast is Nederlands recht van toepassing. Voor de kansspelovereenkomst volgt dat uit de consumentenbeschermende bepalingen van het internationaal privaatrecht, omdat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en Kansino haar activiteiten mede op de Nederlandse markt richt. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt eveneens Nederlands recht, omdat de gestelde schade in Nederland is geleden. Bij de beoordeling van de zorgplicht sluit de kantonrechter aan bij het destijds geldende Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen en de bijbehorende Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Daaruit volgt dat een vergunninghouder verplicht is in te grijpen wanneer interne of externe signalen wijzen op onmatige deelneming aan kansspelen of op een risico op kansspelverslaving. Als voorbeelden van dergelijke signalen noemt de regelgeving onder meer een hoge of toenemende speelfrequentie. Omdat de regelgeving geen nadere invulling geeft aan het begrip "hoge speelfrequentie", acht de kantonrechter het noodzakelijk dit begrip concreet in te vullen.

IT 5079

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

IT 5323

HvJ EU: lidstaten mogen buitenlandse pornowebsites niet algemeen verplichten tot leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 jun 2026,, IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 ((WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-lidstaten-mogen-buitenlandse-pornowebsites-niet-algemeen-verplichten-tot-leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 juni 2026, IEF 23643; IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 (WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat). In deze gevoegde zaken staat de vraag centraal in hoeverre lidstaten regels mogen opleggen aan online diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Het Hof van Justitie buigt zich over de Franse regels die pornografische websites verplichten een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren om minderjarigen de toegang te ontzeggen, en over regels die aanbieders van navigatie- en verkeersapps verbieden informatie over bepaalde politiecontroles door te geven. Het Hof schetst daarbij uitvoerig de reikwijdte van het begrip “gecoördineerd gebied” in de Richtlijn elektronische handel, de verhouding tussen dat gecoördineerde gebied en de (beperkte) harmonisatie in hoofdstuk II en III, en de ruimte die lidstaten behouden om op te treden ter bescherming van fundamentele belangen zoals de waardigheid van minderjarigen, de openbare orde en de openbare veiligheid. De eerste zaak betreft twee Tsjechische ondernemingen die pornografische websites exploiteren. Op grond van Franse wetgeving mogen minderjarigen geen toegang hebben tot pornografische inhoud. Een eenvoudige verklaring van de gebruiker dat hij of zij meerderjarig is, volstaat daarvoor niet. De Franse strafbepaling verbiedt in algemene en abstracte bewoordingen het aanbieden van bepaalde content die door minderjarigen kan worden gezien, en wordt uitgewerkt in een regeling die de toezichthouder (ARCOM) in staat stelt concrete aanbieders individueel aan te schrijven en hen te verplichten technische maatregelen te nemen die de leeftijd van gebruikers daadwerkelijk controleren. De ondernemingen voeren aan dat Frankrijk hiermee de Richtlijn elektronische handel schendt, omdat aanbieders van informatiemaatschappijdiensten in beginsel uitsluitend onder het recht van hun lidstaat van vestiging vallen. De tweede zaak draait om de Franse navigatie-app van Coyote. De Franse wetgever heeft bepaald dat aanbieders van elektronische rijhulpen en navigatiediensten gedurende een beperkte periode en binnen een geografisch beperkt gebied geen meldingen mogen verspreiden over bepaalde alcohol- en drugscontroles of politieacties tegen personen die worden gezocht voor ernstige misdrijven of een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. Volgens Coyote vormt dit een ontoelaatbare beperking van de vrije dienstverrichting en legt deze regeling in feite een verboden algemene toezichtverplichting op. Het Hof begint met een principiële uitleg van de Richtlijn elektronische handel. Volgens het Hof is het zogenoemde “gecoördineerde gebied” niet beperkt tot de onderwerpen die uitdrukkelijk zijn geharmoniseerd in hoofdstuk II en III van de richtlijn. Ook nationale regels die niet zijn geharmoniseerd vallen daaronder, mits zij betrekking hebben op de toegang tot of de uitoefening van een activiteit van een informatiemaatschappijdienst en niet vallen onder de expliciete uitzonderingen in de richtlijn (zoals belasting, gegevensbescherming, kansspelen e.d.). Dat geldt eveneens voor regels van strafrechtelijke aard en voor regels die de openbare orde, openbare veiligheid of de bescherming van minderjarigen dienen. De richtlijn sluit dergelijke terreinen niet categorisch uit en de in de bijlage genoemde derogaties vormen een uitputtende lijst van materies waarvoor het art. 3‑mechanisme niet geldt. Daaruit volgt volgens het Hof dat zowel een verplichting om de leeftijd van gebruikers van pornografische websites te controleren als een verbod om bepaalde verkeersinformatie door te geven, kwalificeren als eisen die betrekking hebben op de uitoefening van een informatiemaatschappijdienst (toegangsvoorwaarden, inhoud/functionaliteit van de dienst). Deze nationale regels vallen daarom binnen het gecoördineerde gebied van de richtlijn en moeten worden getoetst aan het stelsel van artikel 3 daarvan, waarin het uitgangspunt geldt dat een dienst in beginsel wordt gereguleerd door de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd en andere lidstaten de vrije dienstverrichting niet mogen beperken, behoudens een beroep op de derogatie van artikel 3, lid 4. Het Hof maakt vervolgens een onderscheid tussen algemene wetgeving en individuele maatregelen.

IT 5322

Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes

Overige instanties 1 jun 2026,, IT 5322; 52 O 62/26 9 (([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/landgericht-berlin-geen-merkinbreuk-door-ai-gegenereerde-zoekresultaten-over-parfumdupes

Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.

IT 5321

Artikel geschreven door Ilona Kuipers, ICTRecht.

Van Wegiz tot Wet GIS: de Nederlandse invulling van de EHDS

Ilona Kuipers, 17 juni 2026.

In februari schreven we al in een blog over de hoofdlijnen van de implementatie van de European Health Data Space verordening (EHDS) met als doel het beter beschikbaar maken van gezondheidsgegevens. Sindsdien is er veel gebeurd en met de kamerbrief van 18 mei 2026 worden eerder aangekondigde keuzes geconcretiseerd. Daarnaast zijn de eerste conceptstukken van de bijbehorende uitvoeringswet inmiddels beschikbaar gemaakt: het wetsvoorstel Wet op het gezondheidsinformatiestelsel (Wet GIS) en de bijbehorende Memorie van Toelichting.[1]

Daarmee geeft de wetgever, na een lange tijd onduidelijkheid, een beeld van hoe Nederland de EHDS juridisch gaat inrichten. De uitvoering van de EHDS gaat in tranches plaatsvinden, waarbij de eerste tranche, de wet GIS, zich richt op het fundament van het stelsel, zoals het aanwijzen van de instanties die worden belast met taken op grond van de EHDS. De inhoudelijke bepalingen rond primair gebruik, secundair gebruik en EPD-systemen komen pas in de tweede tranche aan de orde. In dit blog lichten wij de huidige stand van zaken toe en gaan we in op de gemaakte keuzes in de wet GIS.

De wet GIS

De wetgever heeft ervoor gekozen om de nationale wetgeving in tranches te wijzigen met meerdere wetsvoorstellen die gezamenlijk de Stelselwet gegevensverwerking in de zorg gaan vormen. De wet GIS geeft als eerste tranche uitvoering aan de bepalingen uit de EHDS voor zover die per 26 maart 2027 van toepassing worden. Deze bepalingen zien op de aanwijzing van de instanties die belast zijn met uitvoeringstaken en het toezicht- en handhavingskader. Ook wordt in de Wet GIS een aanpassing van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz) voorgesteld, namelijk op het gebied van de conformiteitsbeoordeling.[2]

De internetconsultatie ter voorbereiding op de Wet GIS is gestart op 28 mei 2026 en sluit op 8 juli 2026. Of je nu zorgaanbieder, patiënt(organisatie), EPD-leverancier, onderzoeker of anderszins betrokken bent: dit is hét moment om van je te laten horen. Reageren kan via internetconsultatie.nl.

IT 5320

Gerecht BES: IT-dienstverlener moet dienstverlening voortzetten tijdens overstap naar nieuwe leverancier

Overige instanties 24 feb 2026,, IT 5320; ECLI:NL:OGEABES:2026:39 ((Telbo tegen Netpro) ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-bes-it-dienstverlener-moet-dienstverlening-voortzetten-tijdens-overstap-naar-nieuwe-leverancier

Gerecht Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 februari 2026, IT&Recht 5320; ECLI:NL:OGEABES:2026:39 (Telbo tegen Netpro). In deze zaak tussen Telbo en Netpro staat de afwikkeling centraal van een overeenkomst op grond waarvan Netpro IT-diensten verleent aan telecommunicatieprovider Telbo op Bonaire. Nadat de overeenkomst was opgezegd, ontstond een geschil over de wijze waarop de dienstverlening moest worden beëindigd en overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oordeelt in kort geding dat beide partijen onvoldoende voortvarend hebben gehandeld bij de afwikkeling van de overeenkomst. Netpro moet haar dienstverlening daarom voorlopig voortzetten, terwijl Telbo binnen tien dagen de benodigde nieuwe apparatuur moet bestellen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Telbo en Netpro sloten in 2019 een zogenoemde Managed Services Agreement (MSA), op grond waarvan Netpro verschillende IT-diensten aan Telbo leverde. In de overeenkomst waren onder meer bepalingen opgenomen over de beëindiging van de samenwerking, waaronder een exitregeling en afspraken over de overdracht van de dienstverlening aan een andere leverancier. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de overeenkomst precies is geëindigd, maar zijn het erover eens dat de MSA inmiddels is beëindigd en moet worden afgewikkeld. Daarbij moeten de door Netpro beheerde systemen worden overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener van Telbo. Voor dat migratietraject is medewerking van beide partijen vereist. In de MSA is bepaald dat het migratietraject als project onder verantwoordelijkheid van Telbo moet worden georganiseerd. Volgens Telbo werkt Netpro onvoldoende mee aan de afwikkeling en bestaat het risico dat Netpro haar dienstverlening voortijdig staakt. Telbo vreest dat daardoor haar eigen dienstverlening en facturatie aan inwoners van Bonaire in gevaar komen. Netpro wijst er juist op dat Telbo zelf verantwoordelijk is voor de vertraging van het migratietraject en stelt dat zij niet onbeperkt verantwoordelijk wil blijven voor dienstverlening op verouderde apparatuur. Netpro verlangt daarom onder meer een vrijwaring voor eventuele aansprakelijkheid en heeft daarnaast een voorschotvergoeding voor haar dienstverlening gevorderd. Het Gerecht stelt voorop dat beide partijen een gemeenschappelijk belang hebben bij een spoedige afwikkeling van de overeenkomst. Vervolgens oordeelt het dat zowel Netpro als Telbo steken hebben laten vallen. Netpro had op grond van de MSA al binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst een concept-exitplan moeten opstellen. Dat gebeurde niet. Ook nadat Telbo de overeenkomst had opgezegd, verstrekte Netpro lange tijd geen exitplan en werden technische gegevens pas in januari 2026 gedeeld. Op vragen van het Gerecht over deze vertraging kon Netpro geen duidelijke verklaring geven. Ook Telbo treft volgens het Gerecht een verwijt.