IT 5334
2 juli 2026
Uitspraak

HvJ EU: gezamenlijke overheidscontrole volstaat voor kwalificatie als overheidsonderneming onder open data-richtlijn

 
IT 5333
2 juli 2026
Uitspraak

HvJ EU: AVG-klacht mag niet worden afgewezen wegens lopende civiele procedure

 
IT 5332
2 juli 2026
Uitspraak

HvJ EU: artikel 21 marktmisbruikverordening niet beperkt tot journalisten

 
IT 5334

HvJ EU: gezamenlijke overheidscontrole volstaat voor kwalificatie als overheidsonderneming onder open data-richtlijn

HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-gezamenlijke-overheidscontrole-volstaat-voor-kwalificatie-als-overheidsonderneming-onder-open-data-richtlijn

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů). In deze prejudiciële procedure tussen Vodovody a kanalizace Přerov a.s. en de Tsjechische Úřad pro ochranu osobních údajů staat de vraag centraal wanneer een onderneming als "overheidsonderneming" in de zin van de richtlijn inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie moet worden aangemerkt. Meer in het bijzonder verduidelijkt het Hof van Justitie of meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen en of daarvoor vereist is dat zij onderling afstemmen of gemeenschappelijke belangen nastreven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek om inzage in de vergadernotulen van de bestuursorganen van Vodovody a kanalizace Přerov, een Tsjechische vennootschap die actief is op het gebied van drinkwatervoorziening en waterzuivering. De onderneming is vrijwel volledig in handen van verschillende Tsjechische steden en gemeenten, maar geen van deze aandeelhouders bezit zelfstandig een meerderheidsbelang. Nadat de onderneming het informatieverzoek had afgewezen omdat zij zichzelf niet als "overheidsonderneming" beschouwde, oordeelde de Tsjechische toezichthouder dat zij het verzoek alsnog overeenkomstig de nationale informatievrijheidswet moest behandelen. De verwijzende rechter vraagt vervolgens het Hof hoe het begrip "overheidsonderneming" uit artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2019/1024 moet worden uitgelegd. Voordat het Hof de inhoudelijke vragen beantwoordt, gaat het eerst in op zijn bevoegdheid. Hoewel het hoofdgeding betrekking heeft op een verzoek om toegang tot documenten en niet op het hergebruik van overheidsinformatie als zodanig, stelt het Hof vast dat de Tsjechische wetgever de definitie van "overheidsonderneming" uit de richtlijn rechtstreeks en zonder voorbehoud heeft overgenomen in de nationale wetgeving en daarmee de personele werkingssfeer van de nationale informatiewet heeft afgestemd op die van de richtlijn. In lijn met de Dzodzi‑rechtspraak benadrukt het Hof dat de Unie er belang bij heeft dat dergelijke naar Unierecht overgenomen begrippen uniform worden uitgelegd. Daardoor bestaat een duidelijk belang bij een uniforme uitleg van het Unierecht en is het Hof bevoegd de prejudiciële vragen te beantwoorden. Het Hof leidt uit de tekst van artikel 2, punt 3, van de richtlijn af dat het begrip "overheidsonderneming" niet beperkt is tot ondernemingen waarop één openbaar lichaam een overheersende invloed kan uitoefenen. De bepaling spreekt uitdrukkelijk over "de openbare lichamen" in meervoud. Dat sluit aan bij de definitie van overheidsonderneming in Richtlijn 2014/25, waarop de open data‑richtlijn is gebaseerd en die eveneens uitgaat van aanbestedende diensten in meervoud.

IT 5333

HvJ EU: AVG-klacht mag niet worden afgewezen wegens lopende civiele procedure

2 jul 2026,, IT 5333; ECLI:EU:E:2026:493 (Dr. G S tegen Datenschutzbehörde en D GmbH), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-avg-klacht-mag-niet-worden-afgewezen-wegens-lopende-civiele-procedure

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5333; ECLI:EU:E:2026:493 (Dr. G S tegen Datenschutzbehörde en D GmbH). In deze prejudiciële procedure tussen de Oostenrijkse Datenschutzbehörde (DSB) en Dr. G S staat de vraag centraal of een toezichthoudende autoriteit een AVG-klacht mag afwijzen wanneer de betrokkene eerder al een civiele procedure over hetzelfde onderwerp is gestart. Het Hof van Justitie verduidelijkt de verhouding tussen de rechtsmiddelen van de artikelen 77 en 79 AVG en geeft richting aan de wijze waarop lidstaten de parallelle uitoefening daarvan mogen vormgeven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek van arts Dr. G S om haar persoonsgegevens te laten verwijderen van een online artsenbeoordelingsplatform. Nadat de exploitant van het platform dit verzoek had afgewezen, stelde zij een civiele procedure in waarin zij onder meer verwijdering van haar persoonsgegevens en een verbod op verdere verwerking vorderde. Nadat ook een tweede verzoek tot verwijdering op grond van de AVG was afgewezen, diende zij daarnaast een klacht in bij de Oostenrijkse gegevensbeschermingsautoriteit op grond van artikel 77 AVG. De DSB wees die klacht af, omdat volgens haar niet tegelijkertijd een procedure bij de toezichthouder en een civiele procedure met hetzelfde voorwerp kon worden gevoerd. Het Hof stelt voorop dat de AVG verschillende, naast elkaar bestaande rechtsmiddelen biedt om de rechten van betrokkenen te beschermen. Artikel 77 AVG geeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, terwijl artikel 79 AVG daarnaast een rechtstreeks beroep op de rechter mogelijk maakt tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt dat beide rechtsmiddelen kunnen worden uitgeoefend "onverminderd" elkaar. De AVG kent daarom geen exclusieve bevoegdheid toe aan de toezichthouder of de burgerlijke rechter en bevat evenmin een voorrangsregel tussen beide procedures. Volgens het Hof sluit deze uitleg aan bij de doelstellingen van de AVG. De verordening beoogt een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens en een effectieve rechtsbescherming voor betrokkenen. Juist doordat meerdere rechtsmiddelen naast elkaar beschikbaar zijn, wordt de bescherming van de rechten uit de AVG versterkt.

IT 5332

HvJ EU: artikel 21 marktmisbruikverordening niet beperkt tot journalisten

HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-artikel-21-marktmisbruikverordening-niet-beperkt-tot-journalisten

HvJ 18 juni 2026, IT&Recht 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA). In deze prejudiciële procedure tussen MT en de Belgische toezichthouder FSMA staat de vraag centraal of een politicus zich kan beroepen op de uitzonderingen uit de marktmisbruikrichtlijn en de marktmisbruikverordening wanneer hij voorwetenschap via de media openbaar maakt. Daarbij voert MT aan dat hij met zijn uitlatingen uitsluitend een publiek debat over een kwestie van algemeen belang wilde aanwakkeren. Het Hof van Justitie verduidelijkt hoe het verbod op de openbaarmaking van voorwetenschap moet worden uitgelegd in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, en geeft daarbij richting aan de verhouding tussen marktintegriteit en politieke uitingsvrijheid. Aanleiding voor het geschil vormt een administratieve boete die de Belgische toezichthouder FSMA oplegde aan MT, voormalig Belgisch minister van Overheidsbedrijven en prominent oppositiepoliticus. In mei 2016 verklaarde MT tijdens een radio-interview en tegenover verschillende media dat de Belgische staat op korte termijn een deel van zijn aandelen in Bpost zou verkopen aan het Nederlandse PostNL. Volgens de verwijzende rechter was op dat moment sprake van vertrouwelijke onderhandelingen en bestond een reële kans dat de transactie spoedig zou worden aangekondigd. Naar aanleiding van de uitlatingen werden de beursnoteringen van Bpost tijdelijk stilgelegd en strandden de onderhandelingen over de voorgenomen fusie. De FSMA oordeelde dat MT buiten de normale uitoefening van zijn taken voorwetenschap had openbaar gemaakt en legde hem een administratieve boete op. MT stelde daartegen beroep in en voerde aan dat hij uitsluitend had willen bijdragen aan het publieke debat over de privatisering van een overheidsbedrijf en zich daarom kon beroepen op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof stelt voorop dat zowel artikel 3 van Richtlijn 2003/6 als artikel 10 van Verordening 596/2014 een uitzondering bevatten op het verbod om voorwetenschap openbaar te maken wanneer die openbaarmaking plaatsvindt in de normale uitoefening van een dienstbetrekking, beroep of taken. Die uitzondering moet weliswaar strikt worden uitgelegd, maar dat sluit niet uit dat ook een politicus zich daarop kan beroepen. Doorslaggevend is of een voldoende nauwe band bestaat tussen de openbaarmaking en de normale uitoefening van diens taken en of de openbaarmaking strikt noodzakelijk en evenredig is voor de vervulling daarvan. Volgens het Hof kan een prominente oppositiepoliticus in een democratische samenleving een wezenlijke rol vervullen door regeringsbeleid publiekelijk ter discussie te stellen en maatschappelijke onderwerpen onder de aandacht te brengen. Indien een openbaarmaking van voorwetenschap uitsluitend plaatsvindt om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang mogelijk te maken, kan die openbaarmaking daarom binnen de normale uitoefening van politieke taken vallen. Dat geldt temeer wanneer het gaat om een voorgenomen privatisering van een belangrijk staatsbedrijf, een onderwerp dat de samenleving rechtstreeks raakt. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen of daarvan in het concrete geval sprake is.

IT 5331

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over bewaarplicht van pasfoto's, biometrische gegevens en de AVG

Hoge Raad 30 jun 2026,, IT 5331; ECLI:NL:HR:2026:921 ([de kaarthoudster] tegen ICS), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-stelt-prejudiciele-vragen-over-bewaarplicht-van-pasfoto-s-biometrische-gegevens-en-de-avg

HR 12 juni 2026, IT&Recht 5331; ECLI:NL:HR:2026:921 ([de kaarthoudster] tegen ICS). In deze zaak tussen [de kaarthoudster] en International Card Services B.V. (ICS) staat de vraag centraal of International Card Services (ICS) de creditcardovereenkomst met [de kaarthoudster] mocht opzeggen nadat zij had geweigerd mee te werken aan een nieuwe online-identificatie op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Voor deze identificatie diende zij een foto van haar identiteitsbewijs en een selfie aan te leveren. [de kaarthoudster] verzette zich tegen deze werkwijze omdat ICS de foto's zou opslaan. Volgens haar is sprake van verwerking van biometrische gegevens en ontbreekt een toereikende wettelijke grondslag voor het bewaren van deze foto's. Het hof oordeelde eerder dat ICS de overeenkomst mocht opzeggen. Volgens het hof was de online-identificatie noodzakelijk om te voldoen aan de verplichtingen uit de Wwft en vormt het enkele opslaan van een foto geen verwerking van biometrische gegevens in de zin van de AVG, omdat daarvoor specifieke technische verwerking nodig is waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. In cassatie ziet de Hoge Raad aanleiding om op meerdere punten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De Hoge Raad stelt voorop dat de zaak draait om de afweging tussen enerzijds de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese anti-witwasregelgeving en anderzijds het recht op bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer zoals gewaarborgd door de AVG, het Handvest en het EVRM. Omdat deze afweging in belangrijke mate afhankelijk is van de uitleg van Unierecht, acht de Hoge Raad beantwoording door het Hof van Justitie noodzakelijk. Een eerste vraag betreft de kwalificatie van foto's als biometrische gegevens. De Hoge Raad overweegt dat uit de tekst van artikel 4, onder 14, AVG en overweging 51 van de AVG volgt dat een gewone foto niet zonder meer een biometrisch gegeven vormt. Daarvoor is vereist dat de foto wordt onderworpen aan een specifieke technische verwerking waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. De foto vormt dan de bron waaruit biometrische gegevens kunnen worden afgeleid, maar is niet zonder meer zelf een biometrisch gegeven. De Hoge Raad wijst er echter op dat een recent arrest van het Hof van Justitie aanleiding geeft om hierover alsnog prejudiciële vragen te stellen.

IT 5330

HvJ EU: AVG sluit gebruik van onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs niet uit

HvJ EU 30 jun 2026,, IT 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-avg-sluit-gebruik-van-onrechtmatig-verkregen-persoonsgegevens-als-bewijs-niet-uit

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM). In deze zaak tussen NTH Haustechnik GmbH en haar voormalige werknemer EM tussen staat de vraag centraal in hoeverre een nationale rechter in een civiele procedure persoonsgegevens mag verwerken en gebruiken die mogelijk in strijd met de AVG zijn verkregen. De zaak ontstond nadat NTH Haustechnik haar voormalige werknemer aansprakelijk stelde voor de gestelde doorverkoop van bedrijfseigendommen via een privéaccount op eBay. De werkgever baseerde zich daarbij op gegevens die waren verkregen door toegang tot dat privéaccount. Volgens de verwijzende Duitse rechter kon niet worden uitgesloten dat deze gegevens op onrechtmatige wijze waren verzameld. Het Hof van Justitie kreeg daarom onder meer de vraag voorgelegd welke eisen de AVG stelt aan het gebruik van dergelijke persoonsgegevens als bewijsmiddel in een gerechtelijke procedure. Het Hof stelt voorop dat de AVG van toepassing kan zijn op de verwerking van persoonsgegevens door rechters wanneer deze gegevens worden opgenomen in een procesdossier of digitaal worden geraadpleegd, opgeslagen of gebruikt. Dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijs in beginsel een kwestie van nationaal procesrecht is, neemt niet weg dat een rechter bij de verwerking van persoonsgegevens de AVG moet naleven. Daarbij wijst het Hof erop dat het begrip "verwerking" ruim is en ook ziet op het toevoegen van stukken aan een dossier en het raadplegen daarvan door de rechter, en dat rechterlijke verwerkingen niet onder de uitzonderingen van artikel 2 AVG vallen. Vervolgens bepaalt het Hof welke rechtsgrond geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de rechter. De verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van de bewijsvoering is in beginsel gebaseerd op artikel 6 lid 1 onder c AVG. De rechter verwerkt de gegevens namelijk omdat hij op grond van het nationale procesrecht verplicht is de aangevoerde feiten en het aangeboden bewijs te beoordelen. Daarmee maakt het Hof duidelijk dat niet artikel 6 lid 1 onder e AVG (taak van algemeen belang), maar de wettelijke verplichting van de rechter om over de toelaatbaarheid en waardering van bewijs te beslissen de relevante grondslag vormt. In dat kader wijst het Hof erop dat artikel 6 lid 1 onder f AVG (gerechtvaardigd belang) niet de grondslag is voor deze rechterlijke verwerking; de rechter baseert zich in deze context op artikel 6 lid 1 onder c AVG. Artikel 17 lid 3 onder e AVG vormt daarentegen geen zelfstandige grondslag voor verwerking.

IT 5329

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

Gerechtshof Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5329; De Telegraaf tegen FIO (De Telegraaf tegen FIO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bekrachtigt-rectificatie-wegens-onrechtmatige-column-over-vermeende-hamas-relatie-fio

Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT&Recht 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.

IT 5327

Artikel 196 Rv biedt Dynamiet toegang tot Google-gegevens over zoekresultaten

Rechtbank Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/artikel-196-rv-biedt-dynamiet-toegang-tot-google-gegevens-over-zoekresultaten

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IT&Recht 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google). In deze zaak tussen Dynamiet en Google (Google Netherlands en Google Ireland) staat de vraag centraal of Dynamiet op grond van artikel 196 Rv inzage kan verkrijgen in gegevens waarover Google beschikt met betrekking tot maatregelen die de zichtbaarheid van haar website in Google Search tussen februari en april 2025 hebben beïnvloed. Dynamiet wil deze informatie gebruiken om haar rechtspositie te bepalen en te beoordelen of aanleiding bestaat een civielrechtelijke procedure tegen Google te starten. De rechtbank wijst het verzoek grotendeels toe. De rechtbank stelt haar internationale bevoegdheid vast op grond van Brussel I-bis en oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is. Dynamiet exploiteert een website waarop consumenten informatie kunnen vinden over het terugvorderen van verliezen bij aanbieders van online kansspelen en verleent daarnaast juridische dienstverlening aan consumenten die dergelijke vorderingen willen instellen. Volgens Dynamiet is de vindbaarheid van haar website en een aantal specifieke webpagina's begin 2025 aanzienlijk afgenomen. Nadat een eerder kort geding waarin herstel van de zichtbaarheid werd gevorderd was afgewezen, verzocht Dynamiet Google om gegevens te verstrekken over eventuele technische of inhoudelijke maatregelen die de ranking, filtering, blokkering of verwijdering van haar webpagina's uit de zoekresultaten hadden beïnvloed. Google liet weten geen nadere informatie te verstrekken, voor zover zij daartoe al gehouden zou zijn. Dynamiet verzoekt vervolgens de rechtbank Google te bevelen inzage te geven in gegevens over de betrokken URL's en zoektermen, waaronder informatie over eventuele delisting, demotion, filtering of blokkering, de redenen en triggers voor dergelijke maatregelen, de vraag of deze handmatig of algoritmisch zijn toegepast, de duur daarvan en de interne communicatie, logbestanden en technische documentatie waarin deze maatregelen zijn vastgelegd. Daarnaast vraagt zij dat de gegevens in een digitaal en doorzoekbaar formaat worden verstrekt, voorzien van een leesbare toelichting op de logbestanden, en dat aan niet-nakoming een dwangsom wordt verbonden. Google verschijnt niet in de procedure en reageert evenmin op het verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over een mondelinge behandeling.

IT 5326

Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IT 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 (([eiser] tegen De Telegraaf)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-telegraaf-hoeft-citaat-over-vermeende-betrokkenheid-dierenactivist-niet-te-verwijderen

Rb. Amsterdam 27 november 2025, IEF 23655; IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.

IT 5325

Rb. Noord-Holland: dagelijks online gokken verplichtte Kansino tot eerdere interventie

Rechtbank Noord-Nederland 28 jun 2026,, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 (([eiser] tegen Kansino)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-holland-dagelijks-online-gokken-verplichtte-kansino-tot-eerdere-interventie

Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 ([eiser] tegen Kansino). In deze zaak tussen [eiser] en Kansino staat de vraag centraal of de aanbieder van online kansspelen zijn zorgplicht op grond van de specifieke kansspelregelgeving heeft geschonden door niet tijdig in te grijpen bij signalen van problematisch speelgedrag. De kantonrechter oordeelt dat Kansino te laat heeft geïntervenieerd en veroordeelt de aanbieder tot betaling van € 1.650,- aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [eiser] nam tussen 18 juni en 12 juli 2022 deel aan online kansspelen van Kansino en verloor in die periode per saldo € 5.400,-. Volgens [eiser] had Kansino op grond van de destijds geldende regelgeving eerder moeten ingrijpen, omdat zijn speelgedrag duidelijke aanwijzingen vormde voor onmatige deelneming aan kansspelen of een risico op kansspelverslaving. Kansino betwistte dat dergelijke signalen aanwezig waren en stelde dat zij daarom niet tot interventie verplicht was. Ook werd de omvang van de gestelde schade betwist. Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, stelt hij vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Hoewel Kansino in Malta is gevestigd, heeft zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist. Daarnaast is Nederlands recht van toepassing. Voor de kansspelovereenkomst volgt dat uit de consumentenbeschermende bepalingen van het internationaal privaatrecht, omdat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en Kansino haar activiteiten mede op de Nederlandse markt richt. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt eveneens Nederlands recht, omdat de gestelde schade in Nederland is geleden. Bij de beoordeling van de zorgplicht sluit de kantonrechter aan bij het destijds geldende Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen en de bijbehorende Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Daaruit volgt dat een vergunninghouder verplicht is in te grijpen wanneer interne of externe signalen wijzen op onmatige deelneming aan kansspelen of op een risico op kansspelverslaving. Als voorbeelden van dergelijke signalen noemt de regelgeving onder meer een hoge of toenemende speelfrequentie. Omdat de regelgeving geen nadere invulling geeft aan het begrip "hoge speelfrequentie", acht de kantonrechter het noodzakelijk dit begrip concreet in te vullen.

IT 5079

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.