AVG-inzageverzoek met financieel oogmerk leidt tot niet-ontvankelijkheid en vergoeding van werkelijke proceskosten
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5381; ECLI:NL:RBNHO:2026:8285 ([verzoeker] tegen Tuinmeubelwereld). Verzoeker had in 2023 via kerstland.nl twee bestellingen geplaatst bij Tuinmeubelwereld. In 2025 diende hij een inzageverzoek in op grond van artikel 15 AVG. Nog voordat Tuinmeubelwereld inhoudelijk op het verzoek had gereageerd, kondigde verzoeker € 925 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten aan. Vervolgens liet hij een conceptdagvaarding sturen waarin naast volledige inzage en dwangsommen een bedrag van ongeveer € 3.500 werd gevorderd en deed hij een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel van € 1.250. Tuinmeubelwereld verstrekte daarna informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens en verschillende onderliggende documenten. Verzoeker legde niet concreet uit waarom die reactie ontoereikend was of welke persoonsgegevens volgens hem nog ontbraken, maar bleef aandringen op betaling van een vergoeding en dreigen met een procedure. Ook stelde hij voor om een tuchtklacht tegen de advocaat van Tuinmeubelwereld in te trekken als onderdeel van een minnelijke regeling. Kort voor de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot uitsluitend volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 35.000.
Patroon van AVG-inzageverzoeken met financieel oogmerk levert misbruik van recht op
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5379; ECLI:NL:RBNHO:2026:8436 ([verzoeker] tegen VDIS). Verzoeker had na bestellingen via de website tandenbleken-thuis.nl een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG ingediend bij Van Dijk Interim Services B.V. (VDIS). Toen een reactie uitbleef, sommeerde hij VDIS om alsnog aan het verzoek te voldoen en kondigde hij € 925 aan buitengerechtelijke kosten aan. Vervolgens deed hij onder dreiging van een gerechtelijke procedure een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel van € 1.250. VDIS verstrekte daarop algemene informatie over onder meer de categorieën persoonsgegevens, verwerkingsdoeleinden, grondslagen, ontvangers en bewaartermijnen en vroeg verzoeker zijn identiteit te verifiëren. Verzoeker reageerde niet op dat verzoek. In de procedure verzocht hij aanvankelijk onder meer om schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en vergoeding van de werkelijke proceskosten. Pas tijdens de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot het verkrijgen van volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom.
Vijf Apple App Stores vormen één kernplatformdienst onder DMA
Gerecht EU 8 juli 2026, IT 5377; ECLI:EU:T:2026:451 (Apple tegen Europese Commissie). Het Gerecht behandelt drie voor het arrest gevoegde beroepen van Apple tegen besluiten van de Europese Commissie op grond van de Digital Markets Act (DMA). Apple meldt de Commissie op 3 juli 2023 dat zij de kwantitatieve drempels van art. 3 lid 2 DMA bereikt voor de iOS App Store, het besturingssysteem iOS, de webbrowser Safari en de chatdienst iMessage. Ten aanzien van iMessage betoogt Apple dat deze dienst niet kan worden gekwalificeerd als een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst (NI-ICS) en daarmee evenmin als een kernplatformdienst in de zin van de DMA. Subsidiair voert Apple aan dat de omstandigheden waarin iMessage wordt gebruikt meebrengen dat deze dienst geen belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers tot eindgebruikers vormt. De Commissie opent daarop een marktonderzoek naar iMessage en wijst Apple bij afzonderlijk besluit aan als poortwachter voor drie kernplatformdiensten: de App Store, iOS en Safari. Na afloop van het marktonderzoek besluit de Commissie Apple niet als poortwachter voor iMessage aan te wijzen, maar kwalificeert zij iMessage wel als NI-ICS en daarmee als kernplatformdienst. Apple stelt tegen deze besluiten drie beroepen tot nietigverklaring in. In zaak T-1079/23 vordert zij nietigverklaring van het besluit tot inleiding van het marktonderzoek en bestrijdt zij de daaraan ten grondslag liggende kwalificatie van iMessage als NI-ICS. In zaak T-1080/23 komt Apple op tegen het aanwijzingsbesluit. Zij voert ten eerste bij wege van exceptie van onwettigheid op grond van art. 277 VWEU aan dat art. 6 lid 7 DMA geen adequate toepassing van het in art. 52 lid 1 Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel waarborgt en onvoldoende bescherming biedt aan grondrechten, in het bijzonder het eigendomsrecht. Volgens Apple moet de bepaling daarom buiten toepassing worden gelaten en moet het aanwijzingsbesluit worden vernietigd voor zover de aanwijzing van iOS haar aan de daarin neergelegde interoperabiliteitsverplichtingen onderwerpt. Ten tweede bestrijdt Apple de beoordeling dat de iOS, iPadOS, watchOS, macOS en tvOS App Stores gezamenlijk één onlinetussenhandelsdienst en één kernplatformdienst vormen. Volgens Apple hebben deze App Stores verschillende doeleinden, worden zij op verschillende apparaten en door zakelijke gebruikers en eindgebruikers op verschillende wijzen gebruikt en moeten zij daarom afzonderlijk worden beoordeeld. In dat geval overschrijdt alleen de iOS App Store de drempels van art. 3 lid 2 DMA. Ten derde stelt Apple dat de Commissie iMessage ten onrechte als NI-ICS heeft gekwalificeerd. In zaak T-214/24 vorderen Apple Inc. en Apple Distribution International Ltd ten slotte nietigverklaring van het besluit tot sluiting van het marktonderzoek, voor zover de Commissie daarin vasthoudt aan de kwalificatie van iMessage als NI-ICS.
Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame
HvJ EU 16 juli 2026, RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.
AVG-inzagerecht geeft slechts bij uitzondering recht op originele documenten
RvS 20 juli 2026, IT 5376; ECLI:NL:RVS:2026:4254 ([appellant] tegen Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd). Een betrokkene had het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Nadat de Rechtbank Den Haag zijn beroep tegen het besluit op dit verzoek ongegrond had verklaard, stelde hij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Volgens de Afdeling moet het Nationaal Agentschap op grond van de AVG een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens verstrekken dat de betrokkene in staat stelt zijn rechten uit de AVG uit te oefenen. Het inzagerecht brengt echter niet zonder meer mee dat ook een afschrift moet worden verstrekt van de originele documenten waarin die persoonsgegevens zijn opgenomen.
Rapper verbeurt € 90.000 aan dwangsommen wegens TikTok-fragment met minderjarig kind
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23707; IT 5382; ECLI:NL:RBDHA:2026:17586 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak vordert eiser, een rapper, staking van de executie van dwangsommen die hij volgens gedaagde heeft verbeurd doordat een TikTok-fragment met beeldmateriaal van haar minderjarige kind online is blijven staan. In een eerder kort geding van 23 april 2026 is eiser veroordeeld om alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind van zijn sociale media te verwijderen en verwijderd te houden. Het bevel omvat uitdrukkelijk een videoclip waarin op de telefoon van eiser een foto van hem met het kind zichtbaar is. Aan het bevel is een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag of dagdeel dan wel, naar keuze van gedaagde, per overtreding, met een maximum van € 250.000. Het vonnis is op 29 april 2026 betekend. Een fragment van de betreffende videoclip blijft daarna op het TikTok-account van eiser staan en wordt pas op 18 mei 2026 definitief verwijderd. Op 13 mei 2026 laat gedaagde eiser bevel doen tot betaling van € 60.000 aan op dat moment opgeëiste dwangsommen en laat zij bankbeslag leggen. Over de volledige periode van 1 tot en met 18 mei 2026 stelt zij zich op het standpunt dat eiser in totaal € 90.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. Eiser vordert primair opheffing van de beslagen, staking van de executie en terugbetaling van reeds geïnde bedragen. Subsidiair vordert hij de executie op nihil te stellen, te beperken tot de periode tot en met 3 mei 2026 of tot een lager bedrag. Meer subsidiair vordert hij de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld of en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd. Volgens eiser valt het TikTok-fragment niet onder het eerdere verwijderingsbevel. Daarnaast stelt hij dat hij het fragment na een waarschuwing van gedaagde op 3 mei 2026 heeft verwijderd, maar dat het door een technische fout of storing bij TikTok zichtbaar is gebleven of opnieuw online is verschenen. Hij beroept zich op onmogelijkheid tot nakoming in de zin van art. 611d Rv en op misbruik van executiebevoegdheid.
Consumenten ontbinden overeenkomst voor internet, televisie en mobiele telefonie rechtsgeldig; geen waardevergoeding wegens oneerlijke handelspraktijk
Rb. Amsterdam 28 mei 2026, IT 5378; ECLI:NL:RBAMS:2026:5546 ([eisers] tegen [gedaagde]). Twee consumenten sloten tijdens een huisbezoek met een ICT-dienstverlener een overeenkomst voor een pakket bestaande uit internet, televisie en twee mobiele aansluitingen. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte was gesloten, moest de handelaar vóór het sluiten daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over onder meer het recht van ontbinding, de voorwaarden en termijn daarvoor en de wijze waarop dit recht kon worden uitgeoefend. In de overeenkomst was hierover niets opgenomen. De handelaar kon bovendien niet aantonen dat hij deze informatie mondeling had verstrekt of dat de consumenten vóór het sluiten van de overeenkomst de algemene voorwaarden hadden kunnen raadplegen. De wettelijke ontbindingstermijn van veertien dagen werd daarom op grond van artikel 6:230o lid 2 BW met twaalf maanden verlengd. De consumenten hadden de overeenkomst op 22 november 2022, achttien dagen nadat zij was gesloten, rechtsgeldig ontbonden. De kantonrechter kwam daardoor niet meer toe aan hun beroep op vernietiging van de overeenkomst.
Definitieve richtsnoeren artikel 50 AI-verordening (transparantie): dit zijn de 9 belangrijkste wijzigingen
Op 20 juli 2026 heeft de Europese Commissie de definitieve richtsnoeren over de transparantieverplichtingen van artikel 50 AI-verordening gepubliceerd. Deze verplichtingen zijn vanaf 2 augustus 2026 van toepassing op aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van verschillende soorten AI-systemen.
We publiceerden eerder deze maand al een volledige bespreking van alle verplichtingen uit artikel 50, met inachtneming van de concept-richtsnoeren en de bijbehorende praktijkcode. Deze bespreking is aan de hand van de definitieve richtsnoeren geactualiseerd. Zij biedt organisaties de benodigde handvatten om vanaf 2 augustus aan de nieuwe transparantieverplichtingen te voldoen.
In dit artikel richten we ons uitsluitend op de negen belangrijkste wijzigingen die in de definitieve richtsnoeren zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere conceptversie. Deze wijzigingen variëren van lichte aanscherpingen tot geheel nieuwe interpretaties (!). Zij worden hierna achtereenvolgens besproken.
Voorzieningenrechter schorst lasten onder dwangsom van AP wegens twijfels over rechtsmacht en evenredigheid
Rb. Den Haag 18 juni 2026, IT 5375; ECLI:NL:RBDHA:2026:18723 ([verzoeksters] tegen de AP). De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) onderzoekt of de exploitanten van een internationaal socialmediaplatform bij het licentiëren van openbare gebruikersinformatie aan ontwikkelaars van large language models in strijd handelen met onder meer de artikelen 6, 13 en 21 AVG. In dat kader verlangde de AP toegang tot de systemen Jira, Google Vault en zogenoemde SWAT Tables. Die toegang moest worden verleend door medewerkers met volledige autorisatie, die op aanwijzing van de toezichthouders zoekopdrachten zouden uitvoeren terwijl de AP live kon meekijken. Nadat verzoeksters hun medewerking hadden gestaakt vanwege bezwaren over de territoriale bevoegdheid van de AP, de toepasselijke buitenlandse wetgeving en de mogelijke inzage in informatie die onder het verschoningsrecht van advocaten valt, legde de AP aan ieder van hen een last onder dwangsom van € 100.000 op.
Nederlandse rechter bevoegd in geschil over aankoop en beheer van bitcoins
Rb. Gelderland 1 juli 2026, IT 5369; ECLI:NL:RBGEL:2026:5452 (Deck Holding tegen [de gedaagde in de hoofdzaak]). Deck Holding vordert in de hoofdzaak betaling van een bedrag ter waarde van 7,80 bitcoins en verlangt dat de gedaagde rekening en verantwoording aflegt over de wijze waarop hij deze bitcoins voor haar zou hebben aangekocht, belegd en beheerd. Deck Holding stelt dat zij tussen 31 januari en 6 februari 2023 in totaal € 230.000 aan de gedaagde heeft overgemaakt om voor haar in bitcoins te beleggen. Toen zij later om overdracht van de bitcoins vroeg, zou de gedaagde daaraan geen gehoor hebben gegeven. Volgens Deck Holding bleken bovendien door hem verstrekte financiële overzichten vervalst en bestaat de mogelijkheid dat de bitcoins nooit zijn aangekocht, zijn verduisterd of zijn verkocht waarna de opbrengst is behouden. De gedaagde vordert in een bevoegdheidsincident dat de rechtbank zich internationaal onbevoegd verklaart. Hij stelt dat de rechter in Dubai of Zwitserland bevoegd is en beroept zich onder meer op een forumkeuzebeding in zijn arbeidsovereenkomst met een in Dubai gevestigde onderneming.



























