Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak
Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.
Exoneratiebeding van softwareontwikkelaar houdt stand na verwijzing naar schadestaat
Rb. Gelderland 23 juli 2025, IT&R 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists). In deze procedure stond vast dat Media Artists tegenover Primedinners aansprakelijk was wegens tekortkoming in de nakoming van een samenwerkingsovereenkomst uit 2017 over de ontwikkeling van websites, een app en een softwareplatform; dat was reeds bindend beslist in eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had geoordeeld dat partijen, in afwijking van de algemene voorwaarden, fatale oplevertermijnen waren overeengekomen, dat Media Artists die termijnen had overschreden en daardoor van rechtswege in verzuim was geraakt, en dat Primedinners de overeenkomst daarom op 23 november 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden. Omdat de schade nog niet kon worden begroot, had het hof de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure en daarbij overwogen dat een beroep van Media Artists op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden in die procedure moest worden beoordeeld. In de onderhavige bodemprocedure vorderde Primedinners vervolgens een verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van Media Artists niet op grond van dat beding was uitgesloten of beperkt. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van Media Artists: de verwijzing door het hof naar de schadestaatprocedure was geen bindende eindbeslissing over een geschilpunt tussen partijen, zodat Primedinners het geschil over het exoneratiebeding ook in deze afzonderlijke procedure aan de rechtbank kon voorleggen. Eveneens oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden van Media Artists op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn, nu dat punt door het hof reeds was beslist en dus gezag van gewijsde heeft; het enkele feit dat partijen later van art. 2.2 van die voorwaarden zijn afgeweken, betekent niet dat de algemene voorwaarden als geheel buiten toepassing zijn geraakt.
Onvoorwaardelijke marketingovereenkomst aangenomen; algemene voorwaarden vernietigd wegens gebrekkige elektronische toegankelijkheid
Rb. Amsterdam 12 november 2025, IT&R 5142; ECLI:NL:RBAMS:2025:9157 (Nailbar tegen The Next Ad). In deze procedure stonden Nailbar B.V. en haar bestuurder tegenover The Next Ad B.V., een digital-marketingbureau waarmee Nailbar in november 2023 een overeenkomst had gesloten voor het ontwikkelen, publiceren, optimaliseren en beheren van Google-advertentiecampagnes. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de samenwerking zou starten bij de livegang van een nieuwe website, maar nadat Nailbar zelf had aangedrongen op een eerdere aanvang, hebben partijen in een addendum de ingangsdatum vervroegd naar 14 december 2023, zonder daarbij een opschortende voorwaarde op te nemen. Nailbar stelde in conventie dat daarom geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen en vorderde onder meer een verklaring voor recht, terugbetaling van betaalde facturen en schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel tekortkoming. De rechtbank verwerpt dat betoog met toepassing van art. 6:217 BW, art. 3:37 BW en de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Uit de verklaringen en gedragingen van partijen volgt volgens de rechtbank dat wél een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten: Nailbar wilde zelf eerder starten, het addendum bevatte geen voorbehoud ten aanzien van de nieuwe website, The Next Ad is vervolgens met haar werkzaamheden begonnen en Nailbar heeft de facturen gedurende langere tijd voldaan. Ook de inhoudelijke verwijten treffen geen doel. De rechtbank oordeelt dat The Next Ad niet verantwoordelijk was voor eventuele gebreken aan de nieuwe website, omdat daarvoor een afzonderlijke overeenkomst met een andere partij gold; dat een door The Next Ad geïntroduceerde derde die website bouwde, maakt dat niet anders. Evenmin is komen vast te staan dat The Next Ad tekort is geschoten in de uitvoering van de marketingovereenkomst: zij had haar werkzaamheden met maandrapportages voldoende onderbouwd, de keuze om op Google in te zetten was in overleg gemaakt, omzet- en bezoekersdalingen bewijzen zonder overeengekomen resultaatsverbintenis geen tekortkoming, en ook de tijdelijke blokkade van het Google-account en de gestelde onjuiste voorstelling over de hoedanigheid van een derde leiden niet tot aansprakelijkheid. De vorderingen van Nailbar in conventie worden daarom integraal afgewezen.
Deelname aan The Base en opruiing tot terroristische misdrijven via Telegram
Hof Den Haag 12 maart 2026, IT&R 5140; ECLI:NL:GHDHA:2026:380 (het OM / de Staat tegen [naam verdachte]). In dit arrest heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan de rechtsextremistische terroristische organisatie The Base, aan het in het openbaar opruien tot terroristische misdrijven via een door hem beheerde Telegramgroep en aan het verspreiden van afbeeldingen waarin tot terroristische misdrijven werd opgeruid. Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van april tot en met augustus 2024 propaganda maakte en verspreidde voor The Base, contact onderhield met aan The Base gelieerde Telegramaccounts, en op 15 augustus 2024 zelfs een Nederlandse cel van die organisatie oprichtte en daarvoor personen rekruteerde. Daarnaast plaatste hij in zijn Telegramgroep onder meer racistische, antisemitische en homohaatdragende berichten en beelden, waaronder verwijzingen naar een rassenoorlog, oproepen tot geweld tegen moslims en joden, afbeeldingen met nazisymboliek en beelden van geweld, schiettraining en het gebruik van een molotovcocktail. Het hof verwerpt het verweer dat geen sprake was van openbare opruiing of van opruiing tot terroristische misdrijven: de Telegramgroep was volgens het hof voldoende openbaar, omdat toetreding relatief eenvoudig was, leden via openbare propaganda werden geworven en de groep in korte tijd sterk groeide. Gelet op de inhoud, strekking en context van de uitingen oordeelt het hof dat werd aangespoord tot onder meer moord en brandstichting met terroristisch oogmerk, namelijk het aanjagen van ernstige vrees bij delen van de bevolking en het ontwrichten van de fundamentele sociale structuren van Nederland.
Hoge Raad vernietigt beschikking over ontslag op staande voet wegens onvoldoende waarborging van hoor en wederhoor bij camerabeelden
HR 13 maart 2026, IT&R 5138; ECLI:NL:HR:2026:409 (de werknemer tegen PostNL). In deze beschikking van 13 maart 2026 beoordeelt de Hoge Raad een ontslag op staande voet van een PostNL-chauffeur. De werknemer was sinds september 2019 in dienst als chauffeur Groot Vervoer. In de nacht van 18 op 19 juli 2023 vervoerde hij pakketten van het distributiecentrum van PostNL in Tilburg naar dat in Son. Daarbij laadde hij in Tilburg rolcontainers met pakketten in, waarna de trailer werd verzegeld. Bij aankomst in Son verbrak hij, in strijd met de instructies van PostNL, zelf de verzegeling, terwijl dat door een medewerker van het distributiecentrum had moeten gebeuren. Op 25 juli 2023 werd de werknemer op non-actief gesteld wegens onregelmatigheden en op 27 juli 2023 op staande voet ontslagen. In deze procedure verzocht hij onder meer om een verklaring voor recht dat aan de opzegging geen dringende reden ten grondslag lag, alsmede om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter wees die verzoeken toe, maar het Hof ’s-Hertogenbosch vernietigde die beslissing. Daarbij baseerde het hof zijn oordeel mede op camerabeelden die voorafgaand aan de mondelinge behandeling door PostNL waren toegezonden via een link, maar die alleen met speciale software konden worden bekeken. De advocaat van de werknemer had het hof laten weten dat het hem om technische redenen niet was gelukt die beelden vooraf te openen, hoewel hij dat wel had willen doen. Het hof had de beelden zelf wél vooraf bekeken en heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de beelden die tijdens de zitting zijn getoond.
Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026
De Europese Commissie werkt aan de Digital Fairness Act (DFA), een nieuwe wet die consumenten beter moet beschermen in de digitale wereld. De nieuwe wet wordt naar verwachting in 2026 door de Comissie gepresenteerd.
Meer weten over de DFA en oneerlijke handelspraktijken? Kom naar ons seminar Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026. We bespreken deze onderwerpen en meer samen met Jeroen Schouten en Michelle Seel (Pinsent Masons) op het kantoor van Pinsent Masons in Amsterdam.
Tijdens deze middag kijkt Santiago Bustos Plass (Vinted) naar de regels omtrent oneerlijke handelspraktijken in de praktijk, bespreekt Tom Bouwman (Universiteit Leiden) de consequenties van oneerlijke handelspraktijken voor consumenten, retailers, e-tailers, platformen en influencers en gaat Martijn Poulus (The Data Lawyers) in op digital fairness.
Daarna spreekt Jeroen Schouten over garantie, de verschillende vormen en de grijze gebieden.
Rechtbank Rotterdam veroordeelt verkoper van afslankcapsules met amfetamine en cafeïne tot 16 maanden gevangenisstraf
Rb. Rotterdam 25 februari 2026, IT&R 5139; LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]). In dit vonnis is de verdachte veroordeeld voor de handel in afslankcapsules die amfetamine en cafeïne bevatten. De rechtbank acht bewezen dat hij in de periode van 15 juli 2022 tot en met 13 oktober 2022 meermalen afslanktabletten en -capsules heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en afgeleverd, terwijl hij wist dat deze middelen amfetamine en cafeïne bevatten en daarmee schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen. Daarnaast heeft hij in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022 opzettelijk amfetamine bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, in strijd met de Opiumwet. Verder heeft hij in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 13 oktober 2022 zonder de vereiste vergunning capsules bevattende dexamfetamine in voorraad gehad, te koop aangeboden en afgeleverd, en geneesmiddelen zonder handelsvergunning in het handelsverkeer gebracht en verhandeld, in strijd met de Geneesmiddelenwet. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte slechts in opdracht van een Albanese man handelde. Dat alternatieve scenario heeft volgens de rechtbank geen concrete onderbouwing en vindt geen steun in het dossier. Uit de eigen verklaring van de verdachte, de Facebook- en Instagramaccounts waarop de capsules werden aangeboden, de bestellingen van lege capsules, gripzakjes en cafeïne, de verklaring van een getuige die capsules voor hem vulde, onderschepte poststukken en de bankgegevens leidt de rechtbank af dat de verdachte zelf de handel organiseerde en uitvoerde. Ook het verweer dat de capsules niet schadelijk waren of geen geneesmiddelen zouden zijn, wordt verworpen. Uit NFI-rapportages en de productbeoordeling van de NVWA volgt dat de capsules aanzienlijke hoeveelheden amfetamine en cafeïne bevatten, ernstige gezondheidsrisico’s konden veroorzaken en als geneesmiddel in de zin van art. 1 lid 1 onder b Geneesmiddelenwet moesten worden aangemerkt, terwijl daarvoor geen handelsvergunning was verleend en de verdachte ook niet beschikte over de vereiste vergunningen of ontheffingen. Medeplegen is niet bewezen, zodat de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken.
Geen misbruik van inzagerecht: Unibet-spelers krijgen op grond van art. 15 AVG inzage in transactiegegevens
Rb. Amsterdam 24 december 2025, IT&R 5137; ECLI:NL:RBAMS:2025:11284 (Eisers tegen Risepoint). In dit kort geding bij de rechtbank Amsterdam vorderden negentien voormalige Unibet-spelers dat Risepoint Limited hun op grond van art. 15 AVG inzage zou geven in hun persoonsgegevens, in het bijzonder hun transactiegeschiedenis en transactieoverzichten, zodat zij konden nagaan welke stortingen en opnames zij hadden gedaan. Risepoint had Unibet tot 1 oktober 2021 zonder Nederlandse vergunning op de Nederlandse markt aangeboden. De eisers hadden tussen maart 2024 en januari 2025 inzageverzoeken gedaan, maar daarop was niet tijdig of niet inhoudelijk beslist. De voorzieningenrechter oordeelt eerst dat de Amsterdamse rechter bevoegd is op grond van art. 79 lid 2 AVG en dat ook de vorderingen van buiten Amsterdam wonende eisers gezamenlijk in Amsterdam konden worden behandeld wegens de nauwe samenhang tussen de zaken. Ook is sprake van spoedeisend belang, omdat Risepoint de verzoeken niet binnen de in art. 12 lid 3 AVG genoemde termijn heeft gehonoreerd en zich bovendien in deze procedure op het standpunt stelde daartoe niet verplicht te zijn. De zaak is volgens de rechter ook geschikt voor behandeling in kort geding.
Geen aansprakelijkheid nieuwe ICT-leverancier voor gestelde dataverliezen na overstap
Hof Amsterdam 10 maart 2026, IT&R 5136; ECLI:NL:GHAMS:2026:595 ([appellant] tegen OfficeGrip). In dit arrest van het Gerechtshof Amsterdam staat de vraag centraal of OfficeGrip, als nieuwe ICT-leverancier van [appellant], aansprakelijk is voor schade die zou zijn ontstaan door verlies van data na de overstap van de oude ICT-leverancier [bedrijf 2] naar OfficeGrip. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat OfficeGrip niet aansprakelijk is. Doorslaggevend is dat datamigratie geen onderdeel van de opdracht was. Uit de op 11 juni 2019 ondertekende offerte volgt namelijk dat de datamigratietool op nul stond en dus geen deel uitmaakte van de overeenkomst; ook mailboxmigratie maakte bij het aangaan van de overeenkomst niet zonder meer deel uit van de opdracht. Dat in de offerte en latere correspondentie wel over “migratie” werd gesproken, maakt dat volgens het hof niet anders, omdat die term daar zag op migratie in algemene zin of op mailboxstructuren, en niet op het overzetten van alle bestaande data. Integendeel: uit de e-mails van 21, 25 en 26 juni 2019 blijkt juist dat [appellant] de data die “mee moest” zelf diende te kopiëren naar de tijdelijke SharePoint-back-upsite die OfficeGrip had ingericht. Daarmee faalt het kernverwijt dat OfficeGrip contractueel verantwoordelijk was voor het veiligstellen en migreren van alle data.
Strafzaak over gewoonte van online handelsfraude en schadevergoeding aan gedupeerden
Rb. Gelderland 7 november 2025, IT&R 5135; ECLI:NL:RBGEL:2025:11897 (de officier van justitie tegen Jasper [naam]). De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het primair tenlastegelegde feit: hij heeft in de periode van 5 juni 2022 tot en met 9 februari 2024 een gewoonte gemaakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of diensten met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling daarvan te verzekeren. Bewezen is dat hij via Facebook Marketplace, Marktplaats.nl en 2dehands.net in 29 gevallen kopers tot betaling heeft bewogen voor onder meer afkortzagen, Makita-accu’s, Festool-gereedschap, een Reximex-luchtbuks, Zwarte Cross-tickets, een golfkar, een Garmin-horloge en Milwaukee-accu’s, terwijl levering uitbleef. De rechtbank verwerpt het verweer dat onvoldoende vaststond dat de gebruikte bankrekeningen aan verdachte toebehoorden: zij acht de processen-verbaal over de tenaamstelling betrouwbaar en betrekt daarbij ook de verklaring van verdachte dat hij “allemaal rekeningnummers” moest openen. Voor 25 aangiften staat rechtstreeks vast dat betalingen zijn gedaan op rekeningen op naam van verdachte; voor vier andere aangiften leidt de rechtbank zijn betrokkenheid af uit schakelbewijs, zoals hetzelfde telefoonnummer, terugkerende namen, overeenkomende rekeningnummers en een consistente modus operandi. De rechtbank acht bovendien bewezen dat het nooit de bedoeling is geweest de goederen of diensten te leveren, onder meer omdat verdachte niet meer reageerde op berichten over uitblijvende levering of terugbetaling en uit het dossier niet blijkt van enig begin van daadwerkelijke levering. Medeplegen acht de rechtbank niet bewezen, zodat vrijspraak volgt van dat onderdeel, maar voor het overige wordt het primaire feit bewezen verklaard.




























