Rb. Noord-Nederland wijst inzageverzoek Chipsoft gedeeltelijk toe en beveelt voorlopig getuigenverhoor over gezamenlijk EPD
Rb. Noord-Nederland 22 juni 2026, IT 5351; ECLI:NL:RBNNE:2026:2437 (Chipsoft tegen UMCG). Chipsoft verzocht om voorlopige bewijsverrichtingen ter onderbouwing van haar stelling dat de voorgenomen aansluiting van Treant en het Ommelander Ziekenhuis Groningen (OZG) op het Epic-EPD van het UMCG in strijd is met aanbestedingsrechtelijke en mogelijk staatssteunrechtelijke regels. Chipsoft is ontvankelijk, hoewel inmiddels een bodemprocedure liep, omdat zij het verzoek had ingediend voordat die zaak op de rol was ingeschreven. Voor inzage op grond van de artikelen 194 en 196 Rv hoeft de gestelde rechtsbetrekking nog niet vast te staan, maar moeten wel concrete aanknopingspunten voor het mogelijke bestaan daarvan worden gegeven. Die aanknopingspunten zijn er volgens de rechtbank ten aanzien van het UMCG, omdat de overeenkomsten ten tijde van de behandeling nog niet waren aangepast aan de voorwaarden waaronder volgens het gerechtshof geen sprake zou zijn van een wezenlijke wijziging van de in 2015 aanbestede opdracht. Daarmee is niet vastgesteld dat het UMCG onrechtmatig heeft gehandeld, maar heeft Chipsoft voldoende belang bij beperkte inzage. Voor een rechtsbetrekking met OZG en Treant heeft Chipsoft onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd: de rechtbank sluit voor OZG aan bij het voorlopige oordeel dat zij geen aanbestedende dienst is en de gestelde betrokkenheid van Treant bij omzeiling van aanbestedings- of staatssteunregels is onvoldoende concreet onderbouwd.
Rb. Rotterdam beveelt KPN gedeeltelijk identificerende gegevens achter anonieme reviews te verstrekken
Rb. Rotterdam 24 juni 2026, IT 5359; ECLI:NL:RBROT:2026:7699 (HBL tegen KPN). Helder bij Letselschade B.V. (HBL) verzocht bij wijze van voorlopige bewijsverrichting om inzage in gegevens van de KPN-klant aan wie op 21 april 2022 een bepaald IP-adres was toegewezen. HBL stelde dat sinds 2025 via verschillende nepaccounts ongeveer honderd lasterlijke en smadelijke reviews over haar waren geplaatst en dat zij de gebruiker van het IP-adres moest kunnen identificeren om deze in rechte aan te spreken. KPN verzette zich niet tegen verstrekking op grond van een rechterlijk bevel, maar vroeg het bevel te beperken tot de noodzakelijke identificerende gegevens. De rechtbank toetst het verzoek aan de artikelen 197, 196 en 194 Rv. De door HBL gestelde onrechtmatige daad kan als rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv gelden. Voor toewijzing is niet vereist dat de onrechtmatigheid al in rechte vaststaat of dat HBL haar vordering in deze fase al voldoende aannemelijk maakt.
Rb. Rotterdam: AP onderzocht AVG-klacht over contactloos betalen door ING in passende mate
Rb. Rotterdam 24 juni 2026, IT 5349; ECLI:NL:RBROT:2026:7263 (eisers tegen de AP). Twee rekeninghouders van ING dienden bij de Autoriteit Persoonsgegevens een klacht in over de verwerking van hun persoonsgegevens bij contactloos betalen. Volgens hen bleef de NFC-chip in hun betaalpassen ook werken als een pas was geblokkeerd of verlopen, of als contactloos betalen was uitgeschakeld. Dit zou veiligheidsrisico’s opleveren en leiden tot verwerking zonder geldige grondslag. Nadat een eerdere beslissing op bezwaar wegens schending van de hoorplicht was vernietigd, hoorde de AP de rekeninghouders en nam zij een nieuwe beslissing. De AP concludeerde dat zij de klacht in passende mate had onderzocht en dat op basis van het dossier geen overtreding van de AVG door ING kon worden vastgesteld. De rekeninghouders stelden in beroep dat de AP nader technisch onderzoek had moeten doen en zo nodig andere toezichthouders had moeten inschakelen.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf half augustus 2026 zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
Liaise Advocaten verwelkomt partner Charissa Koster
Persbericht Liaise Advocaten 9 juli 2026
Charissa is nu een week bij ons en het samenwerken is nu al een feest. Haar praktijk én
persoonlijkheid matchen perfect met de onze.
Charissa Koster is een ervaren en bevlogen media-, IE- en tech-advocaat. Al jaren staat ze aan
de zijde van bekende mediapartijen: van BN'ers, kranten en uitgevers tot auteurs, film- en
televisieproducenten en gaming- en tech-bedrijven. In en buiten de rechtszaal. Ze is adviseur en
boardroom partner, maar net zo goed een actief procesadvocaat die soepel schakelt tussen
mediarecht, intellectueel eigendom, IT en ondernemersvraagstukken. Strategisch, scherp en
altijd op zoek naar het beste resultaat samen met de cliënt, of dat nu een start-up of een
multinational is.
Dit sluit perfect aan met waar we als Liaise Advocaten voor staan: vanuit een realistische en
persoonlijke stijl bouwen aan lange termijnrelaties met onze cliënten.
En we hebben ontzettend veel zin dit met Charissa samen nog verder te gaan uitbouwen!
Kan AI het auteursrecht juist redden? Een nieuwe visie op licenties in het AI-tijdperk
Mogen ontwikkelaars van generatieve AI auteursrechtelijk beschermde werken gebruiken voor de training van hun modellen? En zo ja, onder welke voorwaarden? De discussie wordt al langere tijd gevoerd, maar juridische duidelijkheid laat nog op zich wachten. Ondertussen speelt een interessante vervolgvraag: hoe ziet een werkbaar licentiesysteem eruit, ervan uitgaande dat toestemming en/of compensatie van de rechthebbende is vereist?
In deze bijdrage wordt die vervolgvraag belicht. Niet het voor de hand liggende scenario van collectief beheer, maar het meer experimentele concept waarin AI-agenten namens individuele makers licenties onderhandelen en beheren. Kan AI, de technologie die het huidige auteursrecht onder druk zet, uiteindelijk ook bijdragen aan een efficiëntere uitoefening daarvan?
Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl.
Procesmotief blokkeert AVG-inzage niet: Unibet moet goktransacties verstrekken
Rb. Den Haag 27 mei 2026, IT 5340; ECLI:NL:RBDHA:2026:15919 ([eisers] tegen [gedaagden]). In deze zaak oordeelt de rechtbank Den Haag over AVG‑inzageverzoeken van elf voormalige spelers van online kansspelen via Unibet. Eisers namen vóór 1 oktober 2021 deel aan online kansspelen via de websites unibet.com en unibet.eu, in een periode waarin het in Nederland nog niet was toegestaan om zonder vergunning online kansspelen aan te bieden. In deze civiele procedure vorderen zij op grond van de AVG – in het bijzonder het inzagerecht op basis van Artikel 15 AVG – dat Kindred Group en Risepoint (voorheen Trannel International Limited) inzage geven in hun persoonsgegevens. Eisers vragen met name om transactiegegevens (stortingen, inzetten, uitbetalingen) en gegevens over de soorten spellen waaraan zij hebben deelgenomen en verlangen dat deze gegevens elektronisch worden verstrekt in een gangbaar bestandsformaat (zoals XLS(X) of CSV) of via een API, op een wijze die hen in staat stelt zowel de juistheid van de gegevens als de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. In de dagvaarding wordt daarnaast een beroep gedaan op gegevensoverdraagbaarheid ex Artikel 20 AVG, maar de vorderingen zijn primair gebaseerd op het inzagerecht. Kindred en Risepoint weigeren de gevraagde gegevens te verstrekken. Zij voeren aan dat eisers het inzagerecht gebruiken om informatie te verzamelen voor mogelijke civiele procedures over terugbetaling van gokverliezen en dat daarmee misbruik van recht wordt gemaakt in de zin van Artikel 12 lid 5 AVG. Daarnaast beroepen zij zich op uitzonderingen op het inzagerecht, waaronder Artikel 15 lid 4 AVG en Artikel 23 AVG, mede onder verwijzing naar de Maltese uitvoeringsregeling.
Rechtbank verwerpt vrijwel alle ontvankelijkheidsverweren in collectieve DSA-procedure tegen X Corp c.s.
Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IT 5343; ECLI:NL:RBAMS:2026:6440 (SOMI tegen X Corp c.s). In deze zaak tussen belangenorganisatie SOMI (Stichting Onderzoek Marktinformatie) en X Corp c.s. (X Corp, XIUC en Twitter Netherlands) draait het om de ontvankelijkheid van een collectieve actie over onder meer gestelde AVG-schendingen, datalekken, ongeoorloofde microtargeting en schending van verplichtingen uit de Digital Services Act (DSA). SOMI vertegenwoordigt ruim 51.000 deelnemers en zegt op te komen voor ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het X-platform. De rechtbank verklaart zich internationaal en relatief bevoegd, ook ten aanzien van de buitenlandse vennootschappen binnen het X-concern. Volgens X Corp c.s. voldoet SOMI niet aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. Ook stellen zij dat verschillende onderdelen van de vorderingen op voorhand geen kans van slagen hebben. De rechtbank volgt die verweren vrijwel niet en wijst ook de verzoeken om de procedure aan te houden af. Alleen over het waarborgvereiste wil de rechtbank meer informatie, in het bijzonder over de financiering van de procedure en de vraag of de zeggenschap daarover daadwerkelijk bij SOMI ligt. De rechtbank kent daarbij veel gewicht toe aan het feit dat SOMI eerder is aangewezen als representatieve organisatie voor grensoverschrijdende collectieve vorderingen. Daarom gaat zij ervan uit dat SOMI aan de eisen voldoet waarop die aanwijzing is gebaseerd, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding geven daar anders over te oordelen. Volgens de rechtbank hebben X Corp c.s. daarvoor op de meeste punten onvoldoende aangevoerd. Dat geldt ook voor de bezwaren tegen de governance van SOMI. De rechtbank twijfelt niet aan het ontbreken van een winstoogmerk bij de bestuurders, de inspraakmogelijkheden voor deelnemers, de transparantie van de website, de onafhankelijkheid van de financiering of de deskundigheid van het bestuur en de raad van toezicht. Ook het feit dat SOMI gebruikmaakt van diensten van ondernemingen die zijn gelieerd aan haar bestuurder betekent volgens de rechtbank niet dat de belangen van de achterban onvoldoende zijn gewaarborgd. De resterende twijfel gaat vooral over de complexe financieringsstructuur met schenkingen en certificaten en de vraag of SOMI daarin de zeggenschap over de procedure behoudt. Daarom moet SOMI alsnog onderbouwen dat zij over voldoende financiële middelen beschikt en dat de zeggenschap over de procedure daadwerkelijk bij haar ligt. Pas daarna beslist de rechtbank of ook aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a BW is voldaan.
Rb. Zeeland-West-Brabant: inspanningsverplichting online marketing leidt niet tot garantie op betere vindbaarheid
Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2026, IT 5342; ECLI:NL:RBZWB:2026:5145 (PlantBezorgd tegen RB-Media). In deze zaak tussen PlantBezorgd en RB-Media staat de vraag centraal of RB-Media bij de uitvoering van een overeenkomst van opdracht voor online marketingwerkzaamheden is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en haar zorg- en informatieplicht heeft geschonden. PlantBezorgd stelt dat RB-Media gedurende langere tijd nauwelijks werkzaamheden heeft verricht, waardoor de online vindbaarheid van haar webshop sterk is afgenomen en schade is ontstaan. De rechtbank oordeelt dat PlantBezorgd haar verwijten onvoldoende heeft onderbouwd en wijst alle vorderingen af. PlantBezorgd exploiteert een webshop voor planten en aanverwante artikelen en heeft RB-Media in 2022 ingeschakeld om haar online vindbaarheid te verbeteren. Partijen kwamen overeen dat RB-Media vanaf 2023 maandelijks 24 uur zou besteden aan online marketingwerkzaamheden, verdeeld over Google Ads (SEA), zoekmachineoptimalisatie (SEO), conversieoptimalisatie (CRO) en werkzaamheden voor een specifieke campagne. Daarbij was uitdrukkelijk afgesproken dat de uren flexibel konden worden ingezet wanneer ontwikkelingen in de markt daartoe aanleiding gaven. Nadat PlantBezorgd begin 2025 door een derde was gewezen op een volgens haar sterk afgenomen SEO-vindbaarheid, zegde zij de overeenkomst op en stelde zij RB-Media aansprakelijk voor de gestelde schade. Volgens PlantBezorgd had RB-Media de overeengekomen werkzaamheden feitelijk niet uitgevoerd. Zij voerde aan dat uit de wijzigingsgeschiedenis van het Google Ads-account bleek dat nauwelijks SEA-werkzaamheden waren verricht, dat via de Wayback Machine nauwelijks SEO-aanpassingen aan de website zichtbaar waren en dat vrijwel geen CRO-werkzaamheden waren uitgevoerd. Daarnaast stelde PlantBezorgd dat RB-Media haar onvoldoende had geïnformeerd over de teruglopende online vindbaarheid en haar als deskundige had moeten waarschuwen voor de tegenvallende resultaten. Zij vorderde onder meer terugbetaling van betaalde facturen, vergoeding van gederfde winst, extra marketingkosten en onderzoekskosten. RB-Media betwistte dat zij haar verplichtingen niet was nagekomen. Volgens haar gold slechts een inspanningsverplichting en niet een resultaatverplichting, omdat de online vindbaarheid afhankelijk is van talrijke factoren die grotendeels buiten haar invloedssfeer liggen, zoals algoritme-updates van Google en de technische prestaties van de website. Verder stelde RB-Media dat de overeengekomen uren wel degelijk waren besteed, onder meer aan werkzaamheden die niet zichtbaar worden in de wijzigingsgeschiedenis van Google Ads, zoals data-analyses, feedmanagement, strategieontwikkeling en werkzaamheden met externe tools.
Rb. Zeeland-West-Brabant acht zich bevoegd in internationale crypto boilerroomzaak
Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juni 2026, IT 5341; ECLI:N:RBZWB:2026:5959 (Kyrrex tegen [persoon]). In deze zaak tussen Kyrrex en [persoon] staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft kennis te nemen van een vordering wegens vermeende betrokkenheid bij internationale crypto boilerroomfraude en, indien dat het geval is, of de zaak wegens samenhang moet worden verwezen naar de rechtbank Den Haag, waar al vergelijkbare procedures tegen Kyrrex aanhangig zijn. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat zij op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv rechtsmacht heeft en ziet geen aanleiding de zaak naar de rechtbank Den Haag te verwijzen. [persoon] stelt dat hij slachtoffer is geworden van crypto boilerroomfraude waarbij meerdere aan Kyrrex gelieerde vennootschappen betrokken zouden zijn. Naast Kyrrex UK Ltd. zijn volgens hem ook andere vennootschappen uit onder meer Cyprus, Malta en St. Vincent & The Grenadines bij de fraude betrokken. Kyrrex voert in een incident aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, omdat de onderneming in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, geen activiteiten in Nederland verricht, niet operationeel is wegens het ontbreken van een vergunning en zich nooit op de Nederlandse markt heeft gericht. Volgens Kyrrex biedt de enkele omstandigheid dat de gestelde financiële schade zich op een Nederlandse bankrekening heeft voorgedaan onvoldoende aanknopingspunten voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Subsidiair verzoekt Kyrrex verwijzing naar de rechtbank Den Haag, waar reeds ongeveer twintig vergelijkbare procedures tegen haar lopen. De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid moet beoordelen aan de hand van artikel 6, aanhef en onder e Rv, dat rechtsmacht toekent wanneer het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich daar kan voordoen. Zij acht zich bevoegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de bankrekening waarvan gelden zijn verdwenen in Nederland wordt aangehouden, dat de vermogensvermindering zich in Nederland heeft voorgedaan en dat [persoon] in Nederland woont. Volgens de rechtbank is de schade daarmee in Nederland geleden. De rechtbank verwerpt tevens het betoog dat Kyrrex zich niet op de Nederlandse markt zou hebben gericht. Volgens de rechtbank wordt die stelling weersproken door het relatief grote aantal Nederlandse benadeelden dat zich inmiddels heeft gemeld.




























