IT 5516
16 september 2026
Uitspraak

Na toepassing privacymask geen privacy-inbreuk meer door beveiligingscamera’s

 
IT 5515
15 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: onbeperkte openbaarmaking persoonsgegevens van alle aandeelhouders in strijd met AVG

 
IT 5514
15 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: telecomaanbieder ontleent aan Europees wetboek geen zelfstandig recht tot eenzijdige contractswijziging

 
IT 5516

Na toepassing privacymask geen privacy-inbreuk meer door beveiligingscamera’s

Rechtbank Rotterdam 25 aug 2026, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/na-toepassing-privacymask-geen-privacy-inbreuk-meer-door-beveiligingscamera-s

Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]). De voorzieningenrechter wijst de vordering af van een bewoonster die haar buren wilde verplichten hun beveiligingscamera’s te verplaatsen of te draaien. Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert, al kan een belangenafweging ertoe leiden dat de inbreuk niet onrechtmatig is. In deze zaak is onvoldoende komen vast te staan dat nog sprake is van een onrechtmatige privacy-inbreuk. De camera’s waren hoofdzakelijk op het eigen perceel van de buren gericht. Aanvankelijk waren ook een klein deel van de oprit en de garagedeur van eiseres zichtbaar, maar de buren hebben de instellingen aangepast met een privacymask, waardoor dat deel van het mogelijke camerabeeld wordt geblokkeerd. Eiseres had zelf inzage gehad in de camerabeelden en heeft niet weersproken dat het privacymask ervoor zorgt dat haar perceel niet meer wordt waargenomen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom voorshands dat geen sprake meer is van een inbreuk op haar privacy.

IT 5515

HvJ EU: onbeperkte openbaarmaking persoonsgegevens van alle aandeelhouders in strijd met AVG

HvJ EU 3 sep 2026, IT 5515; ECLI:EU:C:2026:679 (Jautiva), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-onbeperkte-openbaarmaking-persoonsgegevens-van-alle-aandeelhouders-in-strijd-met-avg

HvJ EU 3 september 2026, IT 5515; ECLI:EU:C:2026:679 (Jautiva). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 14, onder d), van Richtlijn (EU) 2017/1132 niet vereist dat informatie over alle aandeelhouders van de betrokken vennootschappen, waaronder minderheidsaandeelhouders, openbaar wordt gemaakt. Die bepaling ziet op personen die de vennootschap kunnen vertegenwoordigen of deelnemen aan het bestuur, toezicht of de controle daarvan. Aandeelhouders vallen daar niet als zodanig onder: hun hoedanigheid vloeit voort uit hun deelneming in het kapitaal en verschilt van die van leden van bestuurs- en leidinggevende organen. Ook de bevoegdheden van de algemene vergadering zijn volgens het Hof van een andere aard. Bovendien is informatie over met name minderheidsaandeelhouders in beginsel niet relevant voor derden, omdat zij de vennootschap doorgaans niet kunnen vertegenwoordigen, binden of besturen. Omdat Richtlijn 2017/1132 openbaarmaking van hun gegevens niet voorschrijft, hoeft het Hof niet meer te beoordelen of artikel 14, onder d), zelf geldig is in het licht van de artikelen 7 en 8 Handvest.

IT 5514

HvJ EU: telecomaanbieder ontleent aan Europees wetboek geen zelfstandig recht tot eenzijdige contractswijziging

HvJ EU 10 sep 2026, IT 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-telecomaanbieder-ontleent-aan-europees-wetboek-geen-zelfstandig-recht-tot-eenzijdige-contractswijziging

HvJ EU 10 september 2026, IEF 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 105 lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten geen zelfstandig recht verleent om contractvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Die bepaling vooronderstelt dat een dergelijk wijzigingsrecht reeds uit andere toepasselijke regels voortvloeit en regelt uitsluitend het bijzondere recht van de eindgebruiker om de overeenkomst zonder extra kosten te beëindigen wanneer de aanbieder dat wijzigingsrecht uitoefent. Dat beëindigingsrecht geldt niet wanneer de voorgestelde wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, strikt administratief van aard is en geen negatieve gevolgen heeft, of rechtstreeks door het Unie- of nationale recht wordt opgelegd. Uit de tekst, context en doelstelling van artikel 105 volgt volgens het Hof dat deze bepaling ziet op de bescherming en beëindigingsrechten van eindgebruikers en niet op de rechtsgrondslag voor of voorwaarden van een eenzijdige contractswijziging.

IT 5513

Betalingsbewijs onvoldoende voor bewijs van betaling webhostingfactuur

Rechtbank Overijssel 1 sep 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/betalingsbewijs-onvoldoende-voor-bewijs-van-betaling-webhostingfactuur

Rb. Overijssel 1 september 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]). De kantonrechter wijst de vordering van Mijndomein B.V. tot betaling van een factuur voor webhostingdiensten toe. Het bestaan van de overeenkomst en de hoogte van de factuur waren niet in geschil; alleen de vraag of gedaagde de factuur al had betaald. Gedaagde beriep zich op betaling en legde een betalingsbewijs over. Dit is volgens de kantonrechter een bevrijdend verweer, zodat gedaagde de bewijslast draagt van de gestelde betaling. Mijndomein heeft het betalingsbewijs bij repliek gemotiveerd betwist en onder meer aangevoerd dat daarop onvoldoende gegevens stonden om de betaling te controleren, dat de tenaamstelling niet overeenkwam en dat betalingen buiten de voorgeschreven betaalroute met een uniek betaalkenmerk niet correct konden worden verwerkt en mogelijk automatisch werden teruggeboekt. Omdat gedaagde, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer op deze gemotiveerde betwisting heeft gereageerd, acht de kantonrechter het beroep op betaling onvoldoende onderbouwd. De hoofdsom van € 82,28 wordt daarom toegewezen.

IT 5512

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

Overige instanties 9 sep 2026, IT 5512; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-papyros-by-modus-en-ouder-merk-papyrus-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.

IT 5511

Handlichting aan minderjarige verleend voor openen zakelijke bankrekening

Rechtbank Overijssel 27 sep 2026, IT 5511; ECLI:NL:RBOVE:2026:5430 (verzoeker), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/handlichting-aan-minderjarige-verleend-voor-openen-zakelijke-bankrekening

Rb. Overijssel 27 augustus 2026, IT 5511; ECLI:NL:RBOVE:2026:5430 (verzoeker Luuk). De kantonrechter wijst het verzoek van een zestienjarige toe om op grond van artikel 1:235 BW handlichting te verkrijgen voor het openen van een zakelijke bankrekening. De minderjarige is samen met zijn vader een onderneming gestart onder de naam LUV Commerce, waarmee zij via bol.com producten verkopen aan Nederlandse en Belgische consumenten. Zij willen een tweede verkoopaccount openen voor bestellingen naar België, omdat deze verkopen anders worden gefactureerd en niet binnen het bestaande account kunnen worden gescheiden. Voor dat tweede verkoopaccount is een zakelijk bankrekeningnummer vereist. De kantonrechter overweegt dat handlichting inhoudt dat een zestien- of zeventienjarige voor bepaalde, door de rechter aangewezen bevoegdheden handelingsbekwaamheid als een meerderjarige verkrijgt. Bij de beoordeling moet het belang van de minderjarige centraal staan en moet worden beoordeeld of de gevraagde handlichting verantwoord is. Gelet op het verzoek en de toelichting, waaronder de verklaring van de vader dat hij de financiële risico’s draagt en toezicht houdt, verleent de kantonrechter handlichting tot het openen van een zakelijke bankrekening.

IT 5510

Geen schadevergoeding na gestelde privacy-inbreuk bij opname uitvaart wegens onvoldoende onderbouwde schade

Rechtbank Oost-Brabant 3 sep 2026, IT 5510; ECLI:NL:RBOBR:2026:6346 ([eiseres] tegen de protestantse gemeente), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-schadevergoeding-na-gestelde-privacy-inbreuk-bij-opname-uitvaart-wegens-onvoldoende-onderbouwde-schade

Rb. Oost-Brabant 3 september 2026, IT 5510; ECLI:NL:RBOBR:2026:6346 ([eiseres] tegen de protestantse gemeente). De kantonrechter beoordeelt een schadevordering naar aanleiding van het filmen van de uitvaartdienst van de moeder van eiseres. De dienst kon live via kerkdienstgemist.nl worden gevolgd en de opname bleef daarna enkele maanden beschikbaar om terug te kijken en te downloaden. Eiseres stelde dat de opname zonder haar toestemming was gemaakt en beschikbaar gesteld en dat daardoor haar privacy en de nagedachtenis van haar moeder waren aangetast. Zij vorderde onder meer € 10.000 aan immateriële schadevergoeding en vergoeding van de tijd die zij aan de kwestie had besteed. Voor zover eiseres tevens stelde dat de privacy van andere aanwezigen was geschonden, laat de kantonrechter dat buiten beschouwing omdat zij niet over een volmacht beschikte om namens hen op te treden. De rechter begrijpt de eigen schadevorderingen van eiseres als gebaseerd op artikel 6:162 BW en artikel 82 AVG. Voor schadevergoeding is op beide grondslagen niet voldoende dat sprake is van een onrechtmatige daad respectievelijk een AVG-inbreuk: ook moet daadwerkelijk schade zijn geleden en moet causaal verband bestaan tussen die schade en de gestelde normschending. Onder verwijzing naar het arrest Österreichische Post overweegt de kantonrechter dat voor immateriële schade op grond van artikel 82 AVG weliswaar geen minimumdrempel van ernst geldt, maar dat de betrokkene nog steeds moet aantonen dát zij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden.

IT 5509

Hof Amsterdam: blokkering softwaresystemen levert voorshands wanprestatie en persoonlijke onrechtmatige daad op

Gerechtshof Amsterdam 4 sep 2026, IT 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-blokkering-softwaresystemen-levert-voorshands-wanprestatie-en-persoonlijke-onrechtmatige-daad-op

Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23808; 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]). Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Hof Amsterdam in kort geding een geschil over een samenwerking voor de distributie en verdere ontwikkeling van software voor identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. Het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd en gaat voor de contractuele vordering tegen [appellant 1] uit van Nederlands recht, omdat de rechtsverhouding voorshands als distributieovereenkomst moet worden gekwalificeerd; een gestelde rechtskeuze voor Amerikaans recht is onvoldoende aannemelijk. Ook op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [appellant 2] is Nederlands recht van toepassing. Het hof gaat bovendien uit van het vereiste spoedeisend belang. Voldoende aannemelijk is dat partijen een langdurige duurovereenkomst waren aangegaan en dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen schond door de overeenkomst met slechts een termijn van een week te beëindigen en [geïntimeerde] de toegang tot haar systemen te ontzeggen. De blokkades belemmerden [geïntimeerde] ernstig in haar bedrijfsvoering. Het hof acht daarom voorshands sprake van wanprestatie door [appellant 1]. Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van [appellant 2] bij de blokkades en zijn feitelijke invloed op de bedrijfsvoering van [appellant 1], acht het hof tevens voldoende aannemelijk dat hij persoonlijk onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Het geschil over het auteursrecht op de verder ontwikkelde “+software” geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

IT 5506

A-G: ontbrekende stukken bij wijziging zorgmachtiging rechtvaardigen vernietiging en terugwijzing

Hoge Raad 28 aug 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-ontbrekende-stukken-bij-wijziging-zorgmachtiging-rechtvaardigen-vernietiging-en-terugwijzing

Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie). In deze Wvggz-zaak was aan betrokkene een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. De officier van justitie verzocht vervolgens om wijziging van die machtiging door insluiting als aanvullende vorm van verplichte zorg toe te voegen. In cassatie klaagt betrokkene eerst dat de zorgmachtiging niet meer kon worden gewijzigd, omdat deze niet binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz genoemde termijn van twee weken ten uitvoer zou zijn gelegd. Volgens de A-G faalt die klacht. Tenuitvoerlegging in de zin van de Wvggz houdt in dat de officier van justitie ervoor zorgt dat de zorgaanbieder met de uitvoering van de machtiging kan beginnen; dit moet worden onderscheiden van de feitelijke uitvoering van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Nu de machtiging op 23 juni 2025 was verleend, op 30 juni 2025 op schrift was gesteld en binnen twee weken aan de zorgaanbieder was verzonden, was zij tijdig ten uitvoer gelegd. Bovendien zou een eventuele overschrijding van die termijn niet leiden tot verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging, omdat dit niet behoort tot de limitatief in art. 6:6 Wvggz genoemde vervalgronden. In dat geval kan wel een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz aan de orde zijn.

IT 5508

Oorspronkelijk gepubliceerd op AI-Forum.

Auteursrecht op door AI gegenereerde output? De VS en EU zijn kritisch, maar India opent de deur


Kan een werk auteursrechtelijk beschermd zijn wanneer de vormgeving volledig door een AI-systeem is bepaald? Ja, aldus het Indiase Copyright Office. Het door DABUS gegenereerde beeld A Recent Entrance to Paradise voldoet aan de originaliteitsdrempel. DABUS kan zelf geen auteur zijn, maar zijn ontwikkelaar Stephen Thaler wel. Dezelfde Thaler wiens verzoek om bescherming van hetzelfde werk een halfjaar terug in de Verenigde Staten nog definitief strandde. Slaat India daarmee een andere route in dan de VS en naar alle waarschijnlijkheid ook de Europese Unie? Dat lichten we toe.