IT 5147
20 maart 2026
Uitspraak

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

 
IT 5151
20 maart 2026
Uitspraak

HvJ EU: bindend EDPB-besluit op grond van art. 65 AVG vatbaar voor beroep

 
IT 5150
20 maart 2026
Artikel

How the international legal tech community is working together to streamline AI procurement

 
IT 5147

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

Rechtbank Limburg 11 sep 2024, IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/negatieve-recensies-op-social-media-van-consument-niet-onrechtmatig

Rb. Limburg 11 september 2024, IEF 23376; IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]). [gedaagde] plaatste negatieve recensies op onder meer Radar, Google en Yelp over betonproducten die volgens haar gebrekkig zijn, na blaasvorming en loslatende lagen kort na toepassing. Beton Aparte (de leverancier) weigert terugbetaling en stelt dat de schade het gevolg is van onjuiste verwerking. [gedaagde] laat herstelkosten begroten op circa € 4.000 en uit daarnaast kritiek op de communicatie van het bedrijf. Beton Aparte vordert een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, schadevergoeding wegens reputatie- en omzetverlies, verwijdering van recensies en rectificatie.

IT 5151

HvJ EU: bindend EDPB-besluit op grond van art. 65 AVG vatbaar voor beroep

10 feb 2026, IT 5151; ECLI:EU:C:2026:81 (WhatsApp tegen EDPB), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-bindend-edpb-besluit-op-grond-van-art-65-avg-vatbaar-voor-beroep

HvJ EU 10 februari 2025, IT 5151, IEFbe 4146; ECLI:EU:C:2026:81 (WhatsApp tegen EDPB, Bondsrepubliek Duitsland). In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie dat een bindend besluit van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) op grond van artikel 65 AVG zelfstandig vatbaar kan zijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Unierechter. Het Hof vernietigt daarmee de eerdere beschikking van het Gerecht, dat het beroep van WhatsApp niet-ontvankelijk had verklaard. De zaak vindt haar oorsprong in een onderzoek van de Ierse toezichthouder naar de naleving door WhatsApp van de transparantie- en informatieverplichtingen uit de AVG. In de samenwerking tussen de Ierse autoriteit als leidende toezichthouder en andere betrokken toezichthouders ontstond onenigheid over onderdelen van het ontwerpbesluit. Daarop werd het geschil voorgelegd aan het EDPB, dat op grond van artikel 65 AVG een bindend besluit nam. Vervolgens stelde de Ierse toezichthouder een definitief besluit vast, waarin onder meer werd geoordeeld dat WhatsApp meerdere bepalingen van de AVG had geschonden en waarin een boete van 225 miljoen euro werd opgelegd. WhatsApp had niet alleen het definitieve Ierse besluit aangevochten bij de nationale rechter, maar ook rechtstreeks bij het Gerecht beroep ingesteld tegen het bindende EDPB-besluit. Het Gerecht verklaarde dat beroep niet-ontvankelijk, omdat het EDPB-besluit slechts een voorbereidende tussenhandeling zou zijn, zonder autonome rechtsgevolgen voor WhatsApp.

IT 5150

Article written by Elgar Weijtmans and Anna Guo.

How the international legal tech community is working together to streamline AI procurement

Everyone is reinventing the wheel
Two years ago, we at HVG Law started evaluating legal AI tools. At the time, there was no framework or playbook to follow, so we built everything from scratch (I described that process in a previous post). It worked, but it took an enormous amount of time and was far from perfect. One of the most humbling takeaways was discovering just how much you don’t know when you first try to seriously assess an AI tool.

In conversations with colleagues from other firms and companies, I noticed that virtually every legal team was wrestling with the same questions. How do you assess the output of an AI? What do you ask a supplier about data processing? How do you test security? Everyone was reinventing the wheel.

Roel Schrijvers was one of the people who decided to do something about it. He built a test matrix for evaluating legal AI tools and shared it with Anna Guo at Legal Benchmarks, planting the seed for what would become a much larger initiative.

IT 5149

Artikel geschreven door Gijs van Berkel, Holla.

Digitale Omnibus uitgelegd: de achtergrond (1/4)

Het digitale landschap staat op het punt te veranderen. De Uniewetgever haalt de bezem door de digitale regelgeving met de introductie van de Digitale Omnibus. Met dit pakket wordt bestaande wetgeving opgeschoond, geharmoniseerd en beter op elkaar afgestemd. Onder andere de AI-Verordening, de AVG en de Data Act worden aangepast. 

Vierdelige blogreeks
In deze vierdelige blogreeks zetten wij op een rij wat er (mogelijk) verandert en wat dat voor jouw organisatie kan betekenen. In de volgende delen bespreken we de veranderingen binnen de AVG, de AI‑Verordening en de Data Act. In dit eerste deel zetten we uiteen waarom het Digitale Omnibus er komt en schetsen wij een tijdlijn. 

IT 5148

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

HvJ EU 15 mei 2025, IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

IT 5145

Geen rechtsgeldige ontbinding van overeenkomst tot appontwikkeling wegens ontbreken fatale termijn

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 aug 2025, IT 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-rechtsgeldige-ontbinding-van-overeenkomst-tot-appontwikkeling-wegens-ontbreken-fatale-termijn

Hof 's-Hertogenbosch 19 augustus 2025, IT&R 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler). In dit hoger beroep stond een overeenkomst centraal waarbij [X B.V.] aan Myler Media B.V. opdracht had gegeven een app en een cms te ontwikkelen voor een digitale restaurantgids met een in-app purchase-model. In het vooraf opgestelde plan van aanpak was als “target date” of gewenste releasedatum 26 maart 2020 genoemd, maar partijen waren het erover eens dat daarmee géén fatale termijn was overeengekomen. Na de start van het project op 5 november 2019 volgde intensief overleg over ontwikkeling, planning en inhoud van de app. [X B.V.] schoof de beoogde releasedatum later zelf op naar 19 april 2020 en legde op 6 februari 2020 per e-mail vast dat op 27 februari een eerste testversie gereed zou zijn, dat eventuele technische en inhoudelijke aanpassingen daarna “zo spoedig mogelijk” zouden worden verwerkt en dat men “alles op alles” zou zetten om de app bij voorkeur uiterlijk 3 maart 2020 bij Apple aan te leveren. Myler reageerde daarop dat geen garanties konden worden gegeven voor een volledig crashvrije app. Nadat op 27 februari 2020 een testversie was gepresenteerd, meende [X B.V.] dat nog verschillende gebreken bestonden. Op 29 februari 2020 beëindigde zij de samenwerking, onder meer nadat was gebleken dat de testversie per ongeluk in de Google Play Store was geplaatst, en op 3 maart 2020 stelde zij Myler alsnog een laatste termijn tot 10 maart 2020 om de app volledig af te ronden, op straffe van buitengerechtelijke ontbinding. Myler betwistte dat zij tekortgeschoten was, reageerde inhoudelijk op de lijst met openstaande punten en wees erop dat voor afronding nog input, keuzes en toegang van [X B.V.] nodig waren. Nadat die uitbleven, ontbond Myler op 26 mei 2020 de overeenkomst partieel voor zover het de nog uit te voeren werkzaamheden betrof en vorderde zij betaling van het resterende loon. De rechtbank had geoordeeld dat de ontbinding door [X B.V.] geen werking had en dat de partiële ontbinding door Myler wel rechtsgeldig was; in hoger beroep bestreed [X B.V.] dat met onder meer grieven over ontbinding, zorgplichtschending, onjuiste advisering, dwaling, bedrog en onrechtmatige daad.

IT 5144

IT-leverancier moet BC-project hervatten en opleveren; opschorting wegens openstaande facturen faalt

Rechtbank Noord-Holland 24 dec 2025, IT 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS), https://www.itenrecht.nl/artikelen/it-leverancier-moet-bc-project-hervatten-en-opleveren-opschorting-wegens-openstaande-facturen-faalt

Rb. Noord-Holland 24 december 2025, IT&R 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS). In dit kort geding tussen De Nederlandse Fashion Support B.V. en Dynamic Hosting Services B.V. (DHS) stond een in mei 2023 gesloten opdrachtovereenkomst centraal, op grond waarvan DHS de bestaande logistieke processen van De Nederlandse, die waren ondergebracht in het systeem Fashion Partner en in Exact, moest overbrengen naar Dynamics 365 Business Central (BC) en moest uitbreiden met de benodigde WMS-functionaliteit. Oorspronkelijk was voorzien dat het project in december 2023 zou worden opgeleverd zodat het per 1 januari 2024 operationeel zou zijn, bij een indicatief budget van € 77.300 exclusief btw op basis van nacalculatie, maar die planning werd niet gehaald. Nadat partijen in september en oktober 2024 opnieuw afspraken hadden gemaakt over de nog uit te voeren werkzaamheden en de verdeling van de aanvullende kosten, liet De Nederlandse uitdrukkelijk weten dat BC uiterlijk per 1 januari 2025 operationeel moest zijn omdat de bestaande leverancier Insys zijn ondersteuning zou beëindigen; ook die datum werd niet gehaald. Vervolgens werden nieuwe tijdelijke oplossingen gezocht, terwijl DHS uiteindelijk haar werkzaamheden opschortte wegens onbetaald gelaten facturen van in totaal € 6.300. In het geding vorderde De Nederlandse onder meer onmiddellijke hervatting van de werkzaamheden, behoorlijke oplevering van het BC-project inclusief training van personeel, en afgifte van de broncode en het functioneel ontwerpdocument van BC; daarnaast vorderde zij ook voorzieningen met betrekking tot een eerder door zustervennootschap DSS geleverde Sorter. DHS voerde daartegen aan dat geen fatale oplevertermijn was overeengekomen, dat de vertraging mede aan De Nederlandse te wijten was omdat zij als voorzitter van de stuurgroep onvoldoende regie zou hebben gevoerd, en dat zij haar werkzaamheden mocht opschorten wegens de openstaande facturen.

IT 5143

A-G: cassatieberoep in IT-implementatiegeschil faalt wegens schending onderzoeks- en waarschuwingsplicht

Hoge Raad 16 jan 2026, IT 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/a-g-cassatieberoep-in-it-implementatiegeschil-faalt-wegens-schending-onderzoeks-en-waarschuwingsplicht

Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2026, IT&R 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.). Deze conclusie betreft een cassatieprocedure in een IT-implementatiegeschil tussen GAC, als professionele IT-leverancier, en Verano c.s., die haar bestaande systeem wilde vervangen door een nieuw ERP-systeem. Het hof had de rechtsverhouding gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, zodat op GAC de maatstaf van art. 7:401 BW rustte: zij moest handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Tegen die achtergrond oordeelde het hof dat GAC in het voortraject onvoldoende onderzoek had gedaan naar de organisatie en behoeften van Verano c.s. en evenmin voldoende had gewaarschuwd voor de gevolgen daarvan, terwijl dat gebrek aan onderzoek en waarschuwing wél doorwerkte in de verwachtingen die GAC bij Verano c.s. had gewekt over de implementatie van de standaardsoftware en de te verwachten omvang van meer- en maatwerk. Daarbij was van bijzonder belang dat GAC zelf had aangevoerd dat een zogeheten “Diagnose” juist bedoeld was om de benodigde software, kosten en implementatieduur beter in kaart te brengen, maar dat die Diagnose niet is uitgevoerd. Volgens het hof had GAC dat, gelet op haar professionele positie en het complexe karakter van het project, niet zonder meer mogen laten passeren zonder duidelijk te maken dat zij dan niet over de vereiste informatie beschikte. Op die grond kwam het hof tot het oordeel dat GAC was tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst; niet omdat de software als zodanig ondeugdelijk was gebleken, maar omdat GAC haar onderzoeks- en waarschuwingsplicht had geschonden ten aanzien van de geschiktheid van de oplossing en de te verwachten kosten van het benodigde meerwerk.

IT 5146

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtbank Amsterdam 5 nov 2025, IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

IT 5141

Exoneratiebeding van softwareontwikkelaar houdt stand na verwijzing naar schadestaat

Rechtbank Gelderland 23 jul 2025, IT 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists ), https://www.itenrecht.nl/artikelen/exoneratiebeding-van-softwareontwikkelaar-houdt-stand-na-verwijzing-naar-schadestaat

Rb. Gelderland 23 juli 2025, IT&R 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists). In deze procedure stond vast dat Media Artists tegenover Primedinners aansprakelijk was wegens tekortkoming in de nakoming van een samenwerkingsovereenkomst uit 2017 over de ontwikkeling van websites, een app en een softwareplatform; dat was reeds bindend beslist in eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had geoordeeld dat partijen, in afwijking van de algemene voorwaarden, fatale oplevertermijnen waren overeengekomen, dat Media Artists die termijnen had overschreden en daardoor van rechtswege in verzuim was geraakt, en dat Primedinners de overeenkomst daarom op 23 november 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden. Omdat de schade nog niet kon worden begroot, had het hof de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure en daarbij overwogen dat een beroep van Media Artists op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden in die procedure moest worden beoordeeld. In de onderhavige bodemprocedure vorderde Primedinners vervolgens een verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van Media Artists niet op grond van dat beding was uitgesloten of beperkt. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van Media Artists: de verwijzing door het hof naar de schadestaatprocedure was geen bindende eindbeslissing over een geschilpunt tussen partijen, zodat Primedinners het geschil over het exoneratiebeding ook in deze afzonderlijke procedure aan de rechtbank kon voorleggen. Eveneens oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden van Media Artists op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn, nu dat punt door het hof reeds was beslist en dus gezag van gewijsde heeft; het enkele feit dat partijen later van art. 2.2 van die voorwaarden zijn afgeweken, betekent niet dat de algemene voorwaarden als geheel buiten toepassing zijn geraakt.