IT 5230
24 april 2026
Uitspraak

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

 
IT 5229
24 april 2026
Uitspraak

Online handelsfraude via Marktplaats en Facebook

 
IT 5231
23 april 2026
Uitspraak

Kosteloos opzegrecht bij contractwijzigingen na zero-ratingrechtspraak

 
IT 5230

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

Gerechtshof Amsterdam 14 apr 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/schade-na-crypto-investeringen-niet-aangetoond

Hof Amsterdam 14 april 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, omdat appellanten, na het tussenarrest van 3 juni 2025, onvoldoende hebben aangetoond dat zij als gevolg van de eerder aangenomen tekortkoming van geïntimeerde schade hebben geleden en hoe groot die schade dan zou zijn. Het hof had hun opgedragen om per appellant inzichtelijk te maken wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd als die na eind oktober 2018 elders ter belegging waren ondergebracht, vergeleken met wat zij daadwerkelijk van geïntimeerde hebben ontvangen, uitgaande van de tegenwaarde in euro op de data van inleg en uitkering en met 1 oktober 2020 als peildatum. Volgens het hof hebben appellanten die instructies niet gevolgd: hun berekeningen voor onder meer [appellant 11] en [appellant 1] sluiten niet aan bij de feitelijke, in ethereum verrichte uitkeringen in december 2020 en januari 2021, en voor andere appellanten ontbreekt zelfs inzicht in de berekeningsmethode.

IT 5229

Online handelsfraude via Marktplaats en Facebook

Rechtbank Gelderland 19 mrt 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/online-handelsfraude-via-marktplaats-en-facebook

Rb Gelderland 19 maart 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]). De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich in de periode van 23 maart 2021 tot en met 18 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e Sr, doordat hij daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Hij bood via Marktplaats en Facebook goederen aan of reageerde op zoekadvertenties, liet kopers bedragen overmaken en leverde vervolgens niet, waarna kopers vaak werden genegeerd, geblokkeerd of met verdwenen accounts werden geconfronteerd. De rechtbank stelt vast dat sprake was van verkoop van goederen via een geautomatiseerd werk, met het oogmerk om zich zonder volledige levering van de betaling te verzekeren, en dat de grote hoeveelheid transacties met een sterk vergelijkbare modus operandi meebrengt dat sprake is van een gewoonte. Dat juist deze verdachte de dader was, leidt de rechtbank af uit het feit dat in alle 24 aangiftes gebruikte bankrekeningnummers en/of het gebruikte telefoonnummer aan hem konden worden gekoppeld, uit zijn eigen verklaring dat hij van dat telefoonnummer en WhatsApp gebruikmaakte, en uit zijn erkenning dat hij zich in elk geval bij de transacties rond de sidetable en de Huawei-telefoon als verkoper heeft voorgedaan. Het alternatieve scenario dat een ander, [naam], met gebruikmaking van zijn gegevens de fraude zou hebben gepleegd, verwerpt de rechtbank als onvoldoende concreet, niet onderbouwd en zonder begin van aannemelijkheid. Het bewezenverklaarde kwalificeert de rechtbank als: “een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren.”

IT 5231

Kosteloos opzegrecht bij contractwijzigingen na zero-ratingrechtspraak

HvJ EU 12 mrt 2026, IT 5231; ECLI:EU:C:2026:184 (Magyar Telekom Nyrt. tegen Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnöke), https://www.itenrecht.nl/artikelen/kosteloos-opzegrecht-bij-contractwijzigingen-na-zero-ratingrechtspraak

HvJ EU 12 maart 2026, IT 5231; ECLI:EU:C:2026:184 (Magyar Telekom Nyrt. tegen Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnöke). In Magyar Telekom (C-514/24) verduidelijkt het Hof van Justitie de betekenis van artikel 105, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 2018/1972 (het Europees wetboek voor elektronische communicatie). De zaak ontstond nadat de Hongaarse telecomtoezichthouder Magyar Telekom had verplicht haar abonnementen met een zero-ratingoptie aan te passen, omdat die optie volgens de rechtspraak van het Hof onverenigbaar was met artikel 3, lid 3, van verordening 2015/2120 inzake open-internettoegang. De prejudiciële vraag was of eindgebruikers in zo’n situatie hun contract zonder extra kosten mogen beëindigen, of dat de uitzondering geldt voor wijzigingen die “rechtstreeks worden opgelegd door het Unie- of het nationale recht”. Het Hof stelt voorop dat artikel 105, lid 4, een algemene regel van kosteloos opzegrecht bevat en dat de drie uitzonderingen daarop strikt moeten worden uitgelegd. In samenhang met overweging 275 oordeelt het Hof dat de derde uitzondering alleen geldt wanneer de wijziging van de contractvoorwaarden rechtstreeks en noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de inwerkingtreding of wijziging van een wetgevende of regelgevende handeling van Unierecht of nationaal recht. Die uitleg sluit aan bij de doelstelling van de richtlijn om een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming van eindgebruikers te waarborgen.

IT 5228

Misbruik van toegangsrechten, computervredebreuk en poging tot afdreiging

Gerechtshof Amsterdam 16 apr 2026, IT 5228; ECLI:NL:GHAMS:2026:1003 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/misbruik-van-toegangsrechten-computervredebreuk-en-poging-tot-afdreiging

Hof Amsterdam 16 april 2026, IT 5228; ECLI:NL:GHAMS:2026:1003 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Het hof vernietigt het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland, omdat het hof tot een deels andere bewijsconstructie, een op detail afwijkende bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt, en verklaart vervolgens feit 1 primair en feit 2 bewezen. Het hof acht bewezen dat de verdachte, destijds tweedelijns helpdeskmedewerker bij [bedrijf], op 27 maart 2021 opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een server van [bedrijf] waarop medische gegevens van patiënten van [stichting] stonden, door onbevoegd gebruik te maken van een toegangscertificaat en wachtwoord waarover hij uit hoofde van zijn functie wel kon beschikken, maar die hij voor dit doel niet mocht gebruiken. Vervolgens heeft hij die gegevens overgenomen door ze te downloaden en op zijn privé-USB-stick op te slaan. Daarnaast acht het hof bewezen dat hij in de periode van 2 april 2021 tot en met 22 april 2021 heeft getracht [stichting] door bedreiging met openbaarmaking van die gegevens te dwingen tot afgifte van bitcoins. Het hof verwerpt zowel het verweer dat een derde de apparatuur van verdachte op afstand zou hebben gehackt als het juridische verweer dat geen sprake was van binnendringen met een “valse sleutel”. Uit de combinatie van het afwijkende IP-adres, de Postman-activiteit, de koppeling tussen desktop, Acer-laptop, Lumia-telefoon, Samsung-telefoon en hotspot, het aantreffen van de datasets, het certificaat en wachtwoord, en de op meerdere gegevensdragers gevonden concepten van de dreigberichten leidt het hof af dat de verdachte zelf de dader was. Het onbevoegd gebruiken van certificaat en wachtwoord levert volgens het hof, conform vaste rechtspraak, binnendringen met een vals gebruikte sleutel op. Het bewezenverklaarde kwalificeert het hof als computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, en als poging tot afdreiging.

IT 5227

Rb. Oost-Brabant zet een streep door ChatGPT-analyse als bewijs in een civiele procedure

Rechtbank Oost-Brabant 8 apr 2026, IT 5227; ECLI:NLRBOBR:2026:2232 ((AIH tegen UMS)), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rb-oost-brabant-zet-een-streep-door-chatgpt-analyse-als-bewijs-in-een-civiele-procedure

Rb. Oost-Brabant 8 april 2026, IT 5227; ECLI:NLRBOBR:2026:2232 (AIH tegen UMS). De rechtbank Oost-Brabant heeft zich in een betalingsgeschil expliciet uitgesproken over de rol van ChatGPT als onderbouwing van juridische stellingen. In de procedure beriep gedaagde UMS zich in belangrijke mate op een door ChatGPT gegenereerde analyse om te betogen dat een door eiseres AIH opgesteld businessplan inhoudelijk tekortschiet en betaling daarom mocht worden opgeschort. De rechtbank kent aan deze analyse echter geen waarde toe. Doorslaggevend is dat de totstandkoming van de ChatGPT-output onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Zo kon de gebruikte prompt niet worden gereconstrueerd en was onduidelijk welke instellingen zijn gebruikt. Daarnaast bleek dat ChatGPT niet was gevoed met de definitieve versie van het businessplan, maar met een eerdere conceptversie zonder bijlagen. Ook was niet uitgesloten dat processtukken in de input waren verwerkt, terwijl de output wel stellige juridische conclusies bevatte over de rechtmatigheid van opschorting en betalingsweigering.

IT 5079

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

IT 5225

Verstrekking van strafrechtelijke gegevens door OvJ aan Veilig Thuis in dit geval onrechtmatig jegens verdachte

Gerechtshof Amsterdam 7 apr 2026, IT 5225; ECLI:NL:GHDHA:2026:561 ([eiser] tegen de Staat), https://www.itenrecht.nl/artikelen/verstrekking-van-strafrechtelijke-gegevens-door-ovj-aan-veilig-thuis-in-dit-geval-onrechtmatig-jegens-verdachte

Hof Den Haag 7 april 2026, IT 5225; ECLI:NL:GHDHA:2026:561 ([eiser]) tegen de Staat). Het hof Den Haag heeft in een arrest van 7 april 2026 geoordeeld dat het OM onrechtmatig heeft gehandeld door strafrechtelijke gegevens van een verdachte te delen met Veilig Thuis en door haar te laat te informeren over de intrekking van het hoger beroep.De zaak betreft een vrouw die herhaaldelijk meldingen deed bij Veilig Thuis over haar ex-partner. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek deelde de officier van justitie met Veilig Thuis dat zij werd verdacht van onder meer belaging en smaad. Ook werd privacygevoelige informatie verstrekt, waaronder gegevens over de wijze van conceptie van haar kind. Hoewel het hof erkent dat er in redelijkheid een verdenking kon bestaan, oordeelt het dat de wijze waarop deze informatie is gedeeld niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals neergelegd in artikel 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het voorzienbare effect van de mededelingen, namelijk dat de vrouw zou afzien van het doen van meldingen, werd als te verstrekkend en onvoldoende gerechtvaardigd aangemerkt. Ook het delen van zeer gevoelige persoonsgegevens werd onrechtmatig geacht wegens het ontbreken van een voldoende rechtvaardiging.

IT 5224

WhatsApp-berichten als bewijs voor bekendheid met vonnis

Hoge Raad 10 mrt 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (Het OM tegen [verdachte]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/whatsapp-berichten-als-bewijs-voor-bekendheid-met-vonnis

Parket bij de Hoge Raad 10 maart 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (het OM tegen [verdachte]). In deze strafzaak staat de vraag centraal of de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld en of hij eerder op de hoogte was van zijn veroordeling via WhatsApp. Het gerechtshof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit overgelegde WhatsApp-berichten tussen de verdachte en zijn raadsman zou blijken dat de verdachte al geruime tijd wist dat hij was veroordeeld. Volgens de wet (art. 408 lid 2 Sv) begint de termijn voor hoger beroep namelijk te lopen op het moment dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. In de bewuste berichten stuurde de verdachte onder meer een screenshot van de "Berichtenbox" van MijnOverheid en vroeg hij zijn advocaat om uitleg over de status van zijn zaak.

IT 5223

Conclusie A-G Rantos inzake Meta/Commissie

HvJ EU 26 feb 2026, IT 5223; ECLI:EU:C:2026:117 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Europese Commissie ), https://www.itenrecht.nl/artikelen/conclusie-a-g-rantos-inzake-meta-commissie

Conclusie A-G Hof van Justitie EU 26 februari 2026, IT 5223; IEFbe 4194; ECLI:EU:C:2026:117 (Meta tegen Europese Commissie). In deze hogere voorziening vecht Meta arresten van het Gerecht aan over besluiten van de Europese Commissie om grote hoeveelheden interne documenten op te vragen voor mededingingsonderzoeken naar Facebook Marketplace en data-gebruik. De Commissie gebruikte hiervoor brede zoektermen, wat volgens Meta leidde tot het verzamelen van talloze irrelevante en privé-documenten. Meta stelt dat het 'noodzakelijkheidsbeginsel' is geschonden en dat de Commissie onvoldoende waarborgen biedt voor persoonsgegevens in zogenoemde 'gemengde documenten' (documenten met zowel zakelijke als persoonlijke informatie). De kern van de juridische discussie is of de Commissie redelijkerwijs mag aannemen dat dergelijke brede zoekopdrachten nodig zijn om inbreuken op het mededingingsrecht op te sporen, zelfs als er veel 'bijvangst' is.