21 okt 2025
Betrouwbaarheid iDIN in concrete geval onvoldoende onderbouwd
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, IT 5056; ECLI:NL:GHARL:2025:6520 ([appellante] tegen BMW). BMW vordert betaling van achterstallige bedragen uit een private-leaseovereenkomst die volgens haar op 1 juli 2020 met [appellante] is gesloten. De overeenkomst is digitaal ondertekend met een geavanceerde elektronische handtekening via iDIN. [appellante] betwist dat zij de overeenkomst heeft gesloten en stelt dat sprake is van identiteitsfraude door een kennis. Zij was rond het moment van ondertekening in Spanje en had de auto nooit ontvangen. Het hof onderzoekt of de met iDIN geplaatste elektronische handtekening in dit concrete geval voldoende betrouwbaar was in de zin van artikel 3:15a BW, zodat zij dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening.
Het hof constateert allereerst dat de in de inleidende dagvaarding beschreven gang van zaken twee relevante feitelijke onjuistheden bevat. Op zichzelf is dat door [appellante] niet bestreden, maar dat neemt volgens het hof niet weg dat BMW in haar onderbouwing tekortschiet. BMW heeft namelijk niet kunnen uitleggen wanneer het bezoek aan Ekris heeft plaatsgevonden, en heeft zich ook niet op het standpunt gesteld dat veel tijd is verstreken totdat de overeenkomst vervolgens werd getekend. Dit leidt het hof tot de conclusie dat BMW is tekortgeschoten in de onderbouwing van het standpunt dat de geavanceerde elektronische handtekening waarvan gebruik is gemaakt (iDIN) gelet op alle omstandigheden van dit specifieke geval voldoende betrouwbaar was. Die handtekening heeft hier daarom niet dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. Dat betekent dat geen sprake is van een onderhandse akte die tussen partijen ten aanzien van de verklaring van [appellante] dwingend bewijs oplevert van de overeenkomst en de daarin omschreven leasevoorwaarden (artikelen 3:15a BW en 157 Rv). De vorderingen van BMW worden afgewezen.
3.16 Op grond van wat door BMW is aangevoerd en door [appellante] is bestreden, kan het hof ook overigens niet (en zeker niet voorshands) de conclusie trekken dat toch een leaseovereenkomst tussen partijen is gesloten. Weliswaar zijn betalingen verricht vanaf de rekening van [appellante] , maar die hebben plaatsgevonden na het sluiten van de overeenkomst, en kunnen alleen al om die reden niet het vertrouwen bij BMW hebben gewekt dat [appellante] haar contractspartij was. Bovendien staat het anderen dan de contractspartijen vrij dergelijke betalingen te verrichten (artikel 6:30 BW).