IT 3063

Bewijsopdracht gebruik software na bepaalde datum

Rechtbank Gelderland 28 februari 2020, IT 3063, LS&R; ECLI:NL:RBGEL:2020:1345 (Lizard Apps tegen Haerst c.s.) Lizard Apps is een jong IT-bedrijf en houdt zich onder andere bezig met het ontwikkelen van software. Haerst houdt zich bezig met videotechnologie en diagnostiek. Lizard Apps sluit met Haerst een samenwerkingsovereenkomst met het oog op de ontwikkeling van een diagnostische camera voor toepassing in de psychiatrie. In opdracht van Haerst heeft Lizard Apps de software voor de camera ontwikkeld. De zogenoemde Fases 0 en 1 van het project zijn door Lizard Apps uitgevoerd en opgeleverd en de camera wordt ook toegepast in de praktijk. Tijdens Fase 2 zijn problemen ontstaan, waarna Haerst de samenwerking heeft opgezegd.

Lizard Apps betoogt dat die opzegging onrechtmatig is en dat Haerst ook na de opzegging onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de software te blijven gebruiken en/of deze buiten haar macht te brengen en/of door derden te laten kopiëren. Lizard Apps stelt dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden en houdt Haerst daarvoor aansprakelijk. Het is de vraag tot wanneer Haerst de software is blijven gebruiken. Haerst betoogt dat zij per 1 april 2018 de software van Lizard Apps niet langer heeft gebruikt, omdat zij toen is overgestapt op vervangende software die zij door een derde partij heeft laten ontwikkelen. Lizard Apps betwist die datum. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast van deze stelling op Lizard Apps. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank is Haerst voor het voortgezette gebruik wel de overeengekomen licentievergoeding aan Lizard Apps verschuldigd. In dat kader is de vraag tot wanneer Haerst de software is blijven gebruiken. Haerst betoogt dat zij per 1 april 2018 de software van Lizard Apps niet langer heeft gebruikt, omdat zij toen is overgestapt op vervangende software die zij door een derde partij heeft laten ontwikkelen. Lizard Apps betwist die datum. Zij stelt zich op het standpunt dat zij niet kan controleren of Haerst inderdaad op 1 april 2018 is gestopt met gebruik maken van de software. Lizard Apps beroept zich op het rechtsgevolg van haar (impliciete) stelling dat Haerst ook na 1 april 2018 haar software nog is blijven gebruiken, namelijk het rechtsgevolg dat Haerst ook over de periode na 1 april 2018 waarin zij de software heeft gebruikt nog de licentievergoeding aan haar is verschuldigd. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast van deze stelling op Lizard Apps. De rechtbank zal haar dit bewijs opdragen. Slaagt Lizard Apps in het bewijs, dan zal Haerst ook over de periode na 1 april 2018 waarin zij de software heeft gebruikt de licentievergoeding aan haar moeten betalen. Slaagt Lizard Apps niet in het bewijs, dan is Haerst enkel nog de licentievergoeding over de periode van 3 april 2017 tot 1 april 2018 aan haar verschuldigd.

4.10 Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam] namens Lizard Apps verklaard dat zij na 3 april 2017 geen support meer aan Haerst heeft geleverd. Daarvoor is Haerst dus vanaf die datum geen vergoeding meer verschuldigd. Lizard Apps heeft niet gesteld op welke vergoedingen zij verder nog aanspraak zou kunnen maken als gevolg van het voortgezette gebruik van de software door Haerst na 3 april 2017. Haar aanspraak beperkt zich dus tot de licentievergoeding zoals overwogen in 4.9. Naar de rechtbank begrijpt, ziet de vordering onder 12 op deze vergoeding voor het voortgezette gebruik van de software. De toewijsbaarheid van deze vordering is afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering. Het gaat daarbij om de toewijsbaarheid ten aanzien van Haerst. Voor toewijzing van deze vordering ten aanzien van Bellator, [verweerder 5] , [verweerder 1] en [verweerder 2] bestaat geen grond.