IT 3963

Boek mag antisemitisch worden genoemd

Rechtbank Noord-Nederland 11 mei 2022, IEF 20780, IT 3963; ECLI:NL:RBNNE:2022:1716 (Eiser tegen gedaagde) Eiser is een (amateur)historicus en mede-auteur van het boek ‘Hitlers Diamanten’. Gedaagde is onderzoeksjournalist en noemt het boek op een opinie website antisemitisch. Er is geen sprake van een onrechtmatige publicatie; In dit geval weegt het recht op vrijheid van meningsuiting zwaarder dan het recht van op eerbiediging van eer en goede naam. Ook zijn de uitlatingen dat gedaagde het boek alleen heeft geschreven en complotwaanzinnig, niet onrechtmatig. Om die reden wordt de vordering van eiser waarin hij wil dat gedaagde zich onthoudt van smadelijke en lasterlijke uitlatingen, een rectificatie plaatst en een schadevergoeding betaalt, afgewezen.


4.9.

Antisemitisme betekent in het normaal spraakgebruik ‘Jodenhaat’, althans getuigen van een negatief vooroordeel ten aanzien van Joodse mensen. Ook partijen gaan daar kennelijk vanuit. In deze zaak ligt niet de vraag voor of de rechtbank van oordeel is dat het boek antisemitisch is, maar of [gedaagde] dat mocht schrijven. Daarbij is van belang dat hier gaat om een waardeoordeel en niet om een puur feitelijke aangelegenheid. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de hiervoor weergegeven passages uit het boek in redelijkheid heeft kunnen opvatten als negatieve vooroordelen over Joodse mensen en daarmee heeft kunnen kwalificeren als antisemitisch. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] na het lezen van het boek en vóór het publiceren van zijn recensie, CIDI om een reactie over het boek heeft gevraagd en dat CIDI daarop heeft geantwoord dat het boek ‘bol van onverbloemde antisemitische complottheorieën’ staat. Dat het boek een ‘fact-ficion’ verhaal zou betreffen en [gedaagde] er niet van uit mocht gaan dat het verhaal, en daarmee voornoemde passages, op waarheid is c.q. zijn berust, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft het boek in het voorwoord en de persberichten gepresenteerd als een verhaal dat (voor het grootste gedeelte) op onderzoek van hem (en zijn medeauteurs) is gebaseerd. Overigens laat dat onverlet dat [gedaagde] ook een ‘fact-ficion’ verhaal als antisemitisch kan beschouwen.
4.10.

De rechtbank wil nog wijzen op het volgende. [eiser] heeft een boek uitgebracht over een precair onderwerp en daarover zélf de publiciteit opgezocht. Hij heeft het boek gepresenteerd als ‘het enige ware hoofdstuk’ (rb: over Hitler) en naar eigen zeggen zal in het boek worden aangetoond ‘dat zelfs Hitler het eindproduct was van een nog meer demonischer systeem dan het Nazisme en meer doortrapte criminelen dan hijzelf’. Na lezing van het boek zou volgens [eiser] ‘onze kijk en kunde op de top van het Nazi-apparaat kunnen veranderen’. In het boek schrijft hij over een complot van Joden en Vrijmetselaars om de wereld te overheersen. Temeer gelet op de door hem gebezigde ‘gespierde taal’ heeft [eiser] hierdoor over zich afgeroepen dat een derde, en met name een journalist, zich kritisch zou uitlaten over het boek en daarbij het woord ‘antisemitisch’ in zijn mond zou kunnen nemen. [gedaagde] moet zich als journalist ook in het openbaar kritisch kunnen en mogen uitlaten over onderwerpen die de samenleving raken, zoals het onderhavige.