IT 2901

De bewijskracht van de ‘Blockchain-timestamp’ in auteursrechtelijke geschillen

Een maand geleden verzond minister Dekker het onderzoeksrapport Blockchain en het recht naar de Tweede Kamer. In opdracht van het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) van het ministerie van Justitie, deed het Tilburg Institute for Law and Technology een verkennend onderzoek naar de kansen en risico’s van Blockchain-technologie vanuit een juridisch perspectief. In het onderzoek is onder meer aandacht besteed aan de juridische bewijskracht van in de Blockchain ondergebrachte transacties. De onderzoekers concluderen dat een Blockchain-transactie kan gelden als elektronische akte, die dezelfde bewijskracht heeft als een gewone schriftelijke akte (art. 156a Rv). Daarvoor is vereist dat een blockchain voor wat betreft de ondertekening van transacties gebruik maakt van een private-public key paar op basis van bijvoorbeeld het RSA-algoritme, waardoor kan worden gesproken van een zogenoemde geavanceerde elektronische handtekening in de zin van art. 26 eIDAS-Verordening. De rechter zal als vermoeden moeten aannemen dat de ondertekening met de private key bewijst dat de transactie is gegenereerd door de ‘eigenaar’ van de sleutel. De bewijsrechtelijke meerwaarde van de Blockchain is met name dat door gebruikmaking van de sleutel tevens vast komt te staan dat een transactie op een bepaald moment is verricht (timestamping). Een blockchain zou daarmee volgens de onderzoekers een vergelijkbare functie kunnen vervullen als de vroegere registratie van akten bij de Belastingdienst op grond van de Registratiewet. Zij onderkennen dus de kansen die de Blockchain in bewijsrechtelijk opzicht heeft te bieden.

Wij zijn daarmee niet het eerste land in de wereld dat de juridische bewijskracht van de Blockchain Timestamp begint te erkennen. In september vorig jaar is in China de wet aangepast om dergelijk bewijs toe te laten in IE-procedures bij speciaal daarvoor ingerichte internetrechtbanken. Blockchainbewijs werd daar in juni vorig jaar voor het eerst toegelaten in een auteursrechtelijke procedure. In de Amerikaanse staat Vermont is het aanvoeren van dergelijk bewijs zelfs al sinds 2016 mogelijk. Ook het WIPO is positief over de mogelijkheden van de Blockchain ten aanzien van de registratie van intellectueel eigendom en de bewijskracht daarvan. Voor zover mij bekend hebben zich in Nederland nog geen auteursrechtelijke procedures voorgedaan waarin ‘blockchain-bewijs’ werd aangedragen ter staving van het auteursrechtelijke makerschap. Het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat daarvan ook bij ons voor het eerst sprake zal zijn.

Auteursrecht en online content
Voor het exclusieve recht op merken en octrooien geldt dat zij ontstaan door inschrijving of verlening ervan. Voor die rechten geldt een zogenoemd attributief stelsel. Inschrijving of verlening is dus een vereiste voor het doen ontstaan van dergelijke rechten. Daarbij is de deposant leidend voor de vraag wie kan worden aangemerkt als rechthebbende van het recht. Daaromtrent kan achteraf (afgezien van een depot te kwader trouw) weinig discussie bestaan.

Aangezien voor het auteursrecht geldt dat de creatieve prestatie op zichzelf heeft te gelden als voorwaarde voor het doen ontstaan van het recht, ontbreekt een vorm van registratie of depot. Daardoor kunnen zich in juridische procedures bewijsrechtelijke problemen aandienen ten aanzien van de vraag wie als maker van een werk heeft te gelden. Vanwege het bewijsvermoeden in art. 4 Aw en de verdeling van de bewijslast in art. 150 Rv, is het in die situaties in beginsel aan de eisende partij om aannemelijk te maken dat men het werk heeft geschapen. Voor veel auteurs van content op internet (blogs, video’s, productafbeeldingen etc.) is dat vaak een lastige zaak. In het geval van online content ontbreekt immers een ‘fysieke’ handtekening. Het kunnen aantonen dat men op een bepaalde datum over een werk beschikte, kan dan behulpzaam zijn bij het ‘bewijzen’ van het auteursrechtelijke makerschap.

Daar waar vroeger een akte bij de belastingdienst kon worden geregistreerd, behoren tegenwoordig het i-DEPOT bij het BBIE en een notariële akte bij de notaris tot de mogelijkheden. Echter, het probleem van dergelijke registratiemogelijkheden is dat ze geen oplossing bieden voor de grote hoeveelheden dagelijks gegenereerde online content, waarmee websites en mediabedrijven vandaag de dag te maken hebben. Het is ondoenlijk om op reguliere basis bij een tussenpersoon zoals het BBIE of de notaris aan te kloppen met ieder nieuw geschreven artikel, (product)afbeelding, video of andere digitale content; laat staan dat men iedere revisie van een werk wil laten registreren. De Blockchain Timestamp lijkt dit probleem, gezien de uitkomst van het onderzoek te kunnen ondervangen. Deze kan een onomstotelijk bewijs leveren voor het beschikken over een werk op een bepaalde datum, zonder dat registratie bij een ‘third trusted party’ noodzakelijk is.

Blockchains en auteursrechtregistratie
Blockchain Timestamp systemen worden momenteel wereldwijd uitgerold door verschillende commerciële partijen zoals o.a. V-iD en WordProof. Laatstgenoemde partij betreft een Amsterdamse startup die door middel van een door hen ontwikkelde ‘WordPress plugin’ en ‘API’, ongeveer 1/3e van alle websites wereldwijd, rechtstreekse toegang verschaffen tot het timestampen van hun online content in de Blockchain. Daarmee stellen zij auteurs in staat om met één druk op de knop allerhande auteursrechtelijk beschermde online werken met bijbehorende titel, auteur en datum vanuit een publicatie-omgeving (zoals WordPress) als hash te versturen naar een blockchain-netwerk. De betreffende hash wordt ondertekend met een geavanceerde elektronische handtekening, doordat gebruik wordt gemaakt van een public-private key paar op basis van het ECDSA-algoritme. Zodoende kan de ondertekenaar achteraf ondubbelzinnig bewijzen dat hij de betreffende transactie deed en komt vast te staan dat hij op een bepaalde datum over het werk beschikte. Een dergelijk blockchainsysteem maakt registratie van online digitale werken bij een ‘third trusted party’ zoals het BBIE of de notaris op die manier dus overbodig. Mocht er in de toekomst sprake zijn van een auteursrechtinbreuk op online content, dan kunnen rechthebbenden door middel van een afgegeven certificaat met een verwijzing naar de hash in de Blockchain, in een auteursrechtelijk geschil aantonen dat zij daarover eerder beschikten.

Blockchain-bewijs in auteursrechtelijke procedures
Art. 152 lid 1 Rv stelt dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen. De waardering van dat bewijs is volgens het tweede lid aan de rechter overgelaten. Er is dus geen reden, zoals ook het onderzoeksrapport stelt, om aan te nemen dat via de Blockchain geleverd bewijs niet zou kunnen dienen als bewijs in juridische procedures. Aangezien in de Blockchain ondergebrachte data achteraf niet valt te manipuleren, kan er voor de rechter weinig twijfel bestaan over de authenticiteit daarvan. Door het gebruik van de geavanceerde elektronische handtekening komt tevens de identiteit van de ondertekenaar vast te staan.

Men kan zich echter afvragen wat de bewijsrechtelijke meerwaarde is van een blockchain timestamp in auteursrechtelijke procedures waarin het makerschap ter discussie staat. Als rechthebbende van het auteursrecht wordt volgens art. 4 Auteurswet, behoudens bewijs van het tegendeel, aangemerkt degene die op of in het werk als zodanig is aangeduid. Art. 150 Rv, stelt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt. Dat betekent dat het aan de eisende partij is om het bewijsvermoeden omtrent het makerschap te ontzenuwen. Het probleem is dat registratie op datum van werken niet het auteursrecht doet ontstaan. Blockchainregistratie van auteursrechtelijk beschermd materiaal, kan dus niet rechtstreeks het makerschap bewijzen en heeft hoogstens defensief nut. Dat geldt echter evenmin voor traditionele registratiemethoden.

Om het bewijsvermoeden uit art. 4 Auteurswet te weerleggen kan een niet te manipuleren tijdstempel in de Blockchain mijns inziens desalniettemin wel zeer behulpzaam zijn. Dat toont immers ondubbelzinnig aan dat men over het werk beschikte op een bepaalde datum. Indien de wederpartij niet kan aantonen dat men eerder over het werk beschikte, kan dit het (afhankelijk van de overige omstandigheden) aannemelijk maken dat men de maker van het werk is. Dit bewijs is des te sterker wanneer bijvoorbeeld meerdere revisies, concepten, schetsen van online werken zijn vastgelegd in de Blockchain. Het zal dan voor de rechter aannemelijk zijn dat men het werk heeft geschapen, omdat in beginsel slechts de auteur daarover beschikt. Hoewel registratie van het werk op datum dus niet rechtstreeks kan bewijzen dat men maker is van een werk, levert dit wel een belangrijk ondersteunend bewijs voor die stelling. Men kan zich bovendien afvragen of het theoretisch überhaupt mogelijk is om absoluut bewijs te leveren voor het makerschap van online content. Het is uiteindelijk aan de rechter om zich te laten overtuigen op basis van het aangedragen bewijs van partijen.

Wat mij betreft is het een welkome ontwikkeling dat registratie van auteursrechtelijk beschermde werken zich begint te verplaatsen van Third Trusted Partys richting de Blockchain. De Blockchain biedt een laagdrempelige mogelijkheid voor auteurs op internet om op eenvoudige wijze al hun online auteursrechtelijk beschermde werk in alle stadia van ontwikkeling vast te kunnen leggen. Het verwerken en opslaan van de hashes  (ofwel: de versleutelde blueprints van het auteursrechtelijk beschermde materiaal) in de Blockchain, kan in theorie zelfs volledig geautomatiseerd plaatsvinden op het moment van ‘creatie’. Vooral (media)bedrijven die veel content genereren op internet zullen daarvan in de toekomst profijt hebben. Het wegvallen van een vereiste registratiehandeling bij een derde partij bespaart immers tijd en geld. Vanwege het gebruiksgemak en de hoge mate van authenticiteit die deze technologie biedt, ligt het voor de hand dat zich op korte termijn ook in Nederland een juridische procedure zal aandienen waarin dergelijk bewijs ter staving van het auteursrechtelijke makerschap zal worden ingebracht. Hoe de Nederlandse rechter daarmee in de praktijk om zal gaan moet dan blijken.

Mr. Arjen Schram studeerde IT-recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en schrijft over IP en blockchain technologie.