IT 3374

Drogist op afstand in supermarkten is in strijd met de wet

Raad van State 4 november 2020, IT 3374, LS&R 1900; ECLI:NL:RVS:2020:2631 (CBD tegen minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) De zaak draaide om een verzoek van Stichting Centraal Bureau Drogisterijbedrijven en Parfumeriebedrijven (CBD) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om maatregelen te nemen tegen enkele Albert Heijn supermarkten in Assen en Groningen. Zij verkopen geneesmiddelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, maar die wel uitsluitend in een apotheek of onder toezicht van een drogist mogen worden verkocht, zoals grotere hoeveelheden of hogere doseringen paracetamol en ibuprofen. Volgens CBD maken de supermarkten hierbij gebruik van het concept ‘Drogist op Afstand’ waarbij klanten voorlichting kunnen krijgen over een geneesmiddel van een drogist op afstand via een telefoon- of videogesprek. Volgens CBD is dat in strijd met de Geneesmiddelenwet.

De Geneesmiddelenwet eist dat een (assistent)drogist fysiek in de winkel aanwezig is om voorlichting te geven over UAD-geneesmiddelen als klanten daarom vragen. Een drogist op afstand die voorlichting geeft via een telefoon- of videogesprek op een tablet, is daarmee in strijd. Als de wetgever dit soort digitale communicatie met een drogist op afstand mogelijk wil maken bij de verkoop van UAD-geneesmiddelen, dan zal de wet daarvoor aangepast moeten worden, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Zolang dat niet gebeurt, is het concept ‘Drogist op Afstand’ op dit punt dus in strijd met de wet. Volgens CBD is het concept ook nog op twee andere punten in strijd met de Geneesmiddelenwet, maar dat is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak niet het geval.

Supermarkten mogen bepaalde zelfzorggeneesmiddelen alleen verkopen als er ook een (assistent)drogist fysiek in de winkel aanwezig is. Een ‘drogist op afstand’ die klanten voorlichting geeft over een zogenoemd UAD-geneesmiddel via een telefoon- of videogesprek, is in strijd met de Geneesmiddelenwet. Als de wetgever dit soort digitale communicatie bij de verkoop van UAD‑geneesmiddelen mogelijk wil maken, zal de Geneesmiddelenwet daarvoor aangepast moeten worden.

8.3.    In artikel 62, tweede lid, aanhef en onder d, van de Geneesmiddelenwet is bepaald dat in het verkooppunt voldoende drogisten en assistent-drogisten aanwezig zijn die klanten voorlichting kunnen geven. De Afdeling overweegt dat de bewoordingen van deze bepaling duidelijk zijn. Uit de letterlijke bewoordingen van deze bepaling volgt dat in het verkooppunt drogisten en assistent-drogisten fysiek aanwezig dienen te zijn. Nu de wettelijke bepaling duidelijk is geformuleerd, bestaat geen aanleiding om voor de uitleg daarvan aansluiting te zoeken bij hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis is vermeld. Overigens biedt die wetgeschiedenis geen aanknopingspunten voor een andere uitleg. Het CBD voert terecht aan dat de uitleg van de rechtbank, dat onder ‘beschikbaar zijn in de winkel’ ook kan worden verstaan de aanwezigheid van een tablet met de mogelijkheid om een spraak- en beeldverbinding met een assistent-drogist of drogist op afstand tot stand te brengen, in strijd is met de letterlijke bewoordingen van de wettelijke bepaling. Indien het wenselijk wordt geacht dat de ontwikkeling van digitale communicatiemiddelen op het terrein van de gezondheidszorg zich voortzet, ook in het kader van het verschaffen van voorlichting over UAD-geneesmiddelen, dan is het aan de wetgever om de Geneesmiddelenwet op dit punt aan te passen. Overigens is ter zitting van de Afdeling door de minister toegelicht dat als de Afdeling het standpunt van het CBD volgt, dit mogelijk aanleiding zal zijn om te bezien of en hoe de Geneesmiddelenwet moet worden aangepast.