DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op dinsdag 5 mei 2026
IT 5257
||
30 apr 2026
30 apr 2026, IT 5257; ECLI:NL:RBOBR:2026:2636 (Enexis tegen GCDT), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-schadevergoeding-na-opzegging-huur-voor-uitbreiding-elektriciteitsnet

Geen schadevergoeding na opzegging huur voor uitbreiding elektriciteitsnet

Rb. Oost-Brabant 30 april 2026, IT 5257; ECLI:NL:RBOBR:2026:2636 (Enexis tegn GCDT). In deze zaak oordeelt de kantonrechter over de vraag of netbeheerder Enexis een schadevergoeding moet betalen aan een golfvereniging na beëindiging van een huurovereenkomst wegens uitbreiding van een hoogspanningsstation. Golf- en Country Club De Tongelreep (hierna: GCDT) huurde sinds 1987 een perceel van Enexis waarop twee holes van de golfbaan waren gelegen. In het kader van de energietransitie en het oplossen van netcongestie was uitbreiding van het naastgelegen hoogspanningsstation noodzakelijk, waarvoor Enexis het perceel weer nodig had. De huurovereenkomst werd in 2024 opgezegd met een formele opzegtermijn van 17 maanden, terwijl GCDT feitelijk al sinds 2022 op de hoogte was van de voorgenomen beëindiging. GCDT vordert in reconventie een schadevergoeding van ruim €660.000 voor herinrichtingskosten en investeringen, stellende dat de opzegging zonder vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter wijst deze vordering af.

De rechtbank stelt voorop dat het gaat om huur van onbebouwde grond, die in beginsel vrij opzegbaar is en waarbij geen wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Hoewel de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat aanvullende eisen gelden, zoals een redelijke opzegtermijn of een vergoeding, is daarvan in dit geval geen sprake.Van belang is dat Enexis een zwaarwegend maatschappelijk belang had bij de opzegging, namelijk de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Daarnaast is een ruime (feitelijke) opzegtermijn in acht genomen van circa 3,5 tot 4 jaar, waardoor GCDT voldoende tijd had om zich voor te bereiden op de beëindiging en herinrichting van het terrein. De door GCDT gestelde schade wordt niet als uitzonderlijk of onvoorzien aangemerkt. De kosten voor herinrichting en advies zijn volgens de rechtbank inherent aan het exploiteren van een golfbaan en zouden ook zijn gemaakt bij een latere beëindiging. Ook de investeringen uit het verleden rechtvaardigen geen vergoeding, mede gelet op de lange looptijd van de huur en de relatief lage huurprijs, waardoor deze investeringen geacht worden te zijn terugverdiend. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat Enexis gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt over een eventuele compensatie. Ook andere bijzondere omstandigheden die een schadevergoeding zouden kunnen rechtvaardigen ontbreken. De conclusie is dat de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat geen recht bestaat op schadevergoeding. De vordering van GCDT wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

4.3 Uitgangspunt is dat een huurovereenkomst die ziet op onbebouwde grond kan worden opgezegd zonder dat de wet eisen stelt aan de opzeggingsgronden. Partijen hebben in de huurovereenkomst geen afspraak gemaakt over opzeggingsgronden en ook niet over enig vergoedingsrecht voor GCDT bij beëindiging van de huurovereenkomst. In beginsel had Enexis dus geen grond nodig om de huurovereenkomst op te zeggen en is Enexis op basis van de huurovereenkomst geen schadevergoeding aan GCDT verschuldigd. Tussen partijen is op zichzelf ook niet in geschil dat Enexis het recht had de huurovereenkomst op te zeggen.10 Tussen partijen staat bovendien vast dat Enexis een zwaarwegend, maatschappelijk belang had bij opzegging van de huurovereenkomst.11

4.10 De kantonrechter oordeelt als volgt. De omstandigheid dat GCDT 38 jaar geleden investeringen heeft gedaan om het golfterrein te realiseren en dat zij in de loop van die 38 jaar periodieke (onderhouds)kosten heeft moeten maken om het golfterrein in goede staat te houden, leidt niet tot het oordeel dat GCDT op basis van redelijkheid en billijkheid recht heeft op een schadevergoeding. Het maken van dergelijke kosten en het doen van dergelijke investeringen is naar het oordeel van de kantonrechter inherent aan het exploiteren van een golfterrein. Daarbij geldt dat als onbetwist is komen vast te staan dat de jaarlijkse huurprijs van het gehuurde sinds 1987 een bedrag van slechts (omgerekend naar euro’s) circa

€ 1.135,-- bedroeg en dat deze huurprijs nooit is geïndexeerd. Deze erg lage huurprijs en het feit dat GCDT 38 jaar over het gehuurde heeft kunnen beschikken, rechtvaardigt de conclusie dat GCDT de investeringen die zijn gemoeid met aanleg en het periodiek onderhoud van de golfbaan inmiddels heeft terugverdiend, althans dat deze investeringen voldoende hebben gerendeerd. Dat dit anders is, heeft GCDT niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft GCDT niet kunnen uitleggen welke investeringen ze in het recente verleden heeft gedaan die zij, als ze had geweten dat ze een deel van het gehuurde golfterrein zou moeten afstaan, niet had gedaan. Dat van zulke investeringen sprake is geweest, is dus niet komen vast te staan.