IT 3761

Geen schikkingsovereenkomst e-Court en Raad voor de rechtspraak

Rechtbank Den Haag 8 december 2021, IT 3761; ECLI:NL:RBDHA:2021:13245 (e-Court tegen de Staat) Volgens e-Court heeft de Raad voor de rechtspraak uit concurrentiemotieven haar werkzaamheden als online geschillenbeslechter onmogelijk gemaakt, waardoor e-Court schade heeft geleden. De Raad voor de rechtspraak is het daar niet mee eens. E-Court en de Raad voor de rechtspraak hebben geprobeerd om tot afspraken te komen om hun geschil te beëindigen. Volgens e-Court is dit gelukt en is een schikking bereikt en daarom vorderde e-Court bij de rechtbank dat de Raad voor de rechtspraak wordt veroordeeld om de gemaakte afspraken na te komen. De rechtbank heeft de vorderingen van e-Court afgewezen. De rechtbank oordeelt dat e-Court en de Raad voor de rechtspraak geen schikking hebben bereikt. Hoewel duidelijk is dat partijen met elkaar in constructief overleg waren en stappen in elkaars richting hebben gezet, hebben ze op geen van de voor hen essentiële punten van een schikking overeenstemming bereikt. Definitieve afspraken waaraan de Raad voor de rechtspraak tegenover e-Court gebonden is, zijn er daarom niet.

4.13.

De rechtbank volgt ook niet de stelling van e-Court c.s. dat partijen er op dit punt uit waren omdat [eisende partij sub 2] akkoord ging met alleen ‘de intentie van de Raad om een adviesrelatie aan te gaan’. Die intentie was er al sinds de eerste twee gesprekken en daarin bracht het bericht van 8 november 2019 geen verandering. De adviesfunctie is steeds één van die besproken, onderling verbonden, kernelementen van een mogelijke schikking geweest. Gelet op de eerdere gesprekken en correspondentie is niet plausibel, zoals e-Court c.s. betoogt, dat de Raad de bedoeling had de adviesfunctie los te koppelen van de andere kernelementen. Het “uit elkaar trekken” van de invulling van de adviesrelatie van de andere elementen van een overeenkomst is een voorzet van [eisende partij sub 2] zelf in haar reactie van 10 november 2017 (zie 2.13). Zij laat in dat bericht ook zelf nadrukkelijk de mogelijkheid open dat de Raad deze loskoppeling, en daarmee de concretisering en formalisering van de intentie van een adviesrelatie, van de andere elementen van een schikking niet wil, in welk geval nog een nader gesprek over de adviesrelatie nodig is. De eerdere onderhandelingen en het bericht van 8 november 2019 boden niet de ruimte die [eisende partij sub 2] namens e-Court nam om hier vervolgens wel overeenstemming over aan te nemen. De op zitting ingenomen stelling van [eisende partij sub 2] dat zij met deze passage uit haar bericht bedoeld zou hebben dat er alleen nog een gesprek met een HR-manager nodig zou zijn, volgt de rechtbank niet, nu dit niet valt te rijmen met de tekst van haar bericht. Er is geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de Raad een loskoppeling voor ogen stond of daarmee zou willen instemmen, alleen al gelet op de evidente financiële implicaties ervan. Dat de Raad dit inderdaad niet wilde blijkt uit de brief van de voorzitter aan [eisende partij sub 2] van 15 november 2019 (zie 2.17). Alleen al om deze reden is dus geen overeenkomst tot stand gekomen en evenmin een rompovereenkomst. Dit moet reeds tot afwijzing van de vorderingen van e-Court leiden.