DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 13 augustus 2026
IT 5437
HvJ EU ||
2 jul 2026,
HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5437; ECLI:EU:C:2026:533 (Google LLC en Alphabet Inc. tegen Europese Commissie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-bevestigt-boete-van-4-125-miljard-voor-google-wegens-misbruik-rond-android

Hof bevestigt boete van € 4,125 miljard voor Google wegens misbruik rond Android

HvJ EU 2 juli 2026, IT 5437; ECLI:EU:C:2026:533 (Google LLC en Alphabet Inc. tegen Europese Commissie). Het Hof verwerpt de hogere voorziening van Google en Alphabet tegen het arrest van het Gerecht in de Google Android-zaak. De Europese Commissie had Google in 2018 een boete van € 4,343 miljard opgelegd wegens één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 EER. Google had fabrikanten van Android-apparaten en mobiele netwerkexploitanten verschillende contractuele beperkingen opgelegd om haar machtspositie op de nationale markten voor algemene zoekdiensten te beschermen en te versterken. Het ging om de verplichte pre-installatie van Google Search en Chrome als voorwaarde voor toegang tot de Play Store, antifragmentatieverplichtingen die de ontwikkeling en verkoop van niet-compatibele Android-forks beperkten en portfoliogebaseerde overeenkomsten voor inkomstendeling (RSA’s), waarbij betalingen afhankelijk waren van de exclusieve pre-installatie van Google Search. Het Gerecht oordeelde in 2022 dat onvoldoende was aangetoond dat de portfoliogebaseerde RSA’s op zichzelf misbruik vormden, onder meer vanwege fouten in de beoordeling van hun marktdekking en de door de Commissie uitgevoerde AEC-test. Daarnaast waren bij de procedure rond deze RSA’s de rechten van verdediging van Google en Alphabet geschonden. Het Gerecht verklaarde het Commissiebesluit daarom gedeeltelijk nietig, maar liet de vaststelling van misbruik voor de koppelverkoop van Google Search, de koppelverkoop van Chrome en de antifragmentatieverplichtingen in stand. Deze drie gedragingen konden volgens het Gerecht bovendien als één enkele voortdurende inbreuk worden aangemerkt. In de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht stelde het Gerecht de boete vast op € 4,125 miljard, waarbij Alphabet voor € 1,521 miljard hoofdelijk aansprakelijk bleef.

Het Hof bevestigt dit oordeel. Bij de beoordeling van de uitsluitingseffecten van de pre-installatievoorwaarden mocht rekening worden gehouden met de volledige economische en juridische context, waaronder de RSA’s, ook voor zover niet was vastgesteld dat deze overeenkomsten op zichzelf misbruik vormden. De RSA’s konden als relevante contextuele elementen worden betrokken omdat zij de uitsluitingseffecten van de pre-installatievoorwaarden versterkten. Het Hof oordeelt daarnaast dat de Commissie het causale verband tussen een gedraging en de mogelijke mededingingsbeperkende gevolgen niet noodzakelijk aan de hand van een contrafeitelijk scenario hoeft aan te tonen; zij mag zich daarvoor op verschillende nauwkeurige en concrete bewijselementen baseren. Evenmin is een AEC-test of een analyse aan de hand van een hypothetische even efficiënte concurrent in alle gevallen de enige methode om vast te stellen dat een gedraging onder artikel 102 VWEU uitsluitingseffecten kan hebben. Ook de bezwaren tegen de antifragmentatieverplichtingen, de kwalificatie van de resterende drie gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk en de vaststelling van de geldboete slagen niet. Het Gerecht mocht bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht rekening houden met de ernst, duur en wisselende intensiteit van de inbreuk en daarbij zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van de Commissie. Geen van de zes middelen van Google en Alphabet slaagt, zodat de hogere voorziening volledig wordt afgewezen en de door het Gerecht vastgestelde boete van € 4,125 miljard in stand blijft.

190    De beoordeling van de vraag of een gedraging misbruik oplevert, kan immers niet in abstracto worden verricht. Van een gedraging kan blijken dat zij in bepaalde specifieke omstandigheden tot uitsluitingseffecten kan leiden, terwijl dit niet het geval zou zijn indien de gedraging in een andere context had plaatsgevonden. In die zin heeft het Hof reeds geoordeeld dat een mededingingsautoriteit zich niet kan baseren op de gevolgen die een gedraging had kunnen hebben indien bepaalde specifieke omstandigheden, die verschillen van die welke op de markt bestonden toen deze gedraging ten uitvoer werd gebracht, zich hadden voorgedaan (arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations, C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 43).

191    Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze rechtspraak dat de vraag of een feitelijk element als een relevant contextueel element in aanmerking kan worden genomen voor de beoordeling in het licht van artikel 102 VWEU van de gevolgen van een gedraging, er niet van afhankelijk is of dit element neerkomt op een gedraging die op zichzelf als misbruik wordt gekwalificeerd. Het gaat er immers met name om concreet te kunnen beoordelen of de gevolgen van een gedraging worden versterkt of integendeel afgezwakt door de context waarin die gedraging plaatsvindt.

197    Ten tweede is het Gerecht niet voorbijgegaan aan de in de punten 188 en 189 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak. Het stelde immers vast dat de Commissie bij de beoordeling van de gevolgen van de MADA’s terecht de RSA’s als relevante contextuele elementen had aangemerkt, ongeacht of zij rechtmatig dan wel onrechtmatig waren in het licht van artikel 102 VWEU. Deze benadering blijkt duidelijk uit de punten 426 en 443 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht zonder onderscheid de portfoliogebaseerde RSA’s en de apparaatgebaseerde RSA’s in aanmerking heeft genomen, zonder enige relevantie te hechten aan de eventuele rechtmatigheid ervan. De RSA’s zijn dan ook terecht in aanmerking genomen als contextuele elementen waarbij het gelet op hun complementariteit niet mogelijk was om zonder ze in aanmerking te nemen de gevolgen van de MADA’s te beoordelen. Uit met name de punten 451 en 452 van dat arrest blijkt immers dat de RSA’s de uitsluitingseffecten van de MADA’s versterkten.

225    Wat in dit verband ten eerste de noodzaak betreft om een contrafeitelijk scenario toe te passen, moet in navolging van de advocaat-generaal in de punten 93 en 94 van haar conclusie worden opgemerkt dat de Commissie, hoewel zij het causaal verband moet aantonen tussen het bestreden misbruik en de mededingingsbeperkende gevolgen ervan, zich in dit kader niettemin op een reeks bewijzen mag baseren en niet systematisch gebruik hoeft te maken van één enkele methode, met name een contrafeitelijke analyse, om het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband aan te tonen [zie in die zin arrest van 10 september 2024, Google en Alphabet/Commissie (Google Shopping), C‑48/22 P, EU:C:2024:726, punten 228 en 229].

226    Om misbruik van een machtspositie vast te stellen, volstaat het te bewijzen dat het betrokken gedrag uitsluitingseffecten teweeg kan brengen. Het is evenwel niet vereist dat de concrete gevolgen ervan worden aangetoond. Daaruit volgt dat het feit dat alleen de onderneming met een machtspositie, anders dan haar concurrenten, het gedrag van afnemers of gebruikers op discriminerende wijze kon beïnvloeden ten nadele van deze concurrenten, kan volstaan om aan te tonen dat de betrokken gedraging daadwerkelijke, onvervalste mededinging kon belemmeren [zie in die zin arrest van 10 september 2024, Google en Alphabet/Commissie (Google Shopping), C‑48/22 P, EU:C:2024:726, punten 223‑229].

284    Uit punt 272 van het onderhavige arrest blijkt dat het AEC-criterium, of meer in het algemeen de mogelijkheid om even efficiënte concurrenten van de markt uit te sluiten, niet het enige criterium is aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat een gedraging in strijd is met artikel 102 VWEU. Het Gerecht kan dus niet worden verweten dat het niet is overgegaan tot nietigverklaring van het litigieuze besluit op grond dat de Commissie dit criterium niet heeft toegepast bij de beoordeling van de gevolgen van de in de MADA’s opgenomen pre-installatievoorwaarden.

398    Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Gerecht overeenkomstig artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 beschikt over volledige rechtsmacht ten aanzien van de door de Commissie vastgestelde geldboeten. Het Gerecht is dus niet enkel bevoegd om toe te zien op de rechtmatigheid van deze geldboeten, maar mag ook zijn beoordeling in de plaats stellen van die van de Commissie en mag dus de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen wanneer de vraag betreffende de hoogte van de geldboete aan het Gerecht ter beoordeling wordt voorgelegd (zie in die zin arresten van 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie, C‑3/06 P, EU:C:2007:88, punten 61 en 62; 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punten 123 en 124, en 12 januari 2023, Lietuvos geležinkeliai/Commissie, C‑42/21 P, EU:C:2023:12, punten 151 en 152).