DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op vrijdag 20 maart 2026
IT 5151
||
10 feb 2026
10 feb 2026, IT 5151; ECLI:EU:C:2026:81 (WhatsApp tegen EDPB), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-bindend-edpb-besluit-op-grond-van-art-65-avg-vatbaar-voor-beroep

HvJ EU: bindend EDPB-besluit op grond van art. 65 AVG vatbaar voor beroep

HvJ EU 10 februari 2025, IT 5151, IEFbe 4146; ECLI:EU:C:2026:81 (WhatsApp tegen EDPB, Bondsrepubliek Duitsland). In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie dat een bindend besluit van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) op grond van artikel 65 AVG zelfstandig vatbaar kan zijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Unierechter. Het Hof vernietigt daarmee de eerdere beschikking van het Gerecht, dat het beroep van WhatsApp niet-ontvankelijk had verklaard. De zaak vindt haar oorsprong in een onderzoek van de Ierse toezichthouder naar de naleving door WhatsApp van de transparantie- en informatieverplichtingen uit de AVG. In de samenwerking tussen de Ierse autoriteit als leidende toezichthouder en andere betrokken toezichthouders ontstond onenigheid over onderdelen van het ontwerpbesluit. Daarop werd het geschil voorgelegd aan het EDPB, dat op grond van artikel 65 AVG een bindend besluit nam. Vervolgens stelde de Ierse toezichthouder een definitief besluit vast, waarin onder meer werd geoordeeld dat WhatsApp meerdere bepalingen van de AVG had geschonden en waarin een boete van 225 miljoen euro werd opgelegd. WhatsApp had niet alleen het definitieve Ierse besluit aangevochten bij de nationale rechter, maar ook rechtstreeks bij het Gerecht beroep ingesteld tegen het bindende EDPB-besluit. Het Gerecht verklaarde dat beroep niet-ontvankelijk, omdat het EDPB-besluit slechts een voorbereidende tussenhandeling zou zijn, zonder autonome rechtsgevolgen voor WhatsApp.

Het Hof volgt die redenering niet. Volgens het Hof moet voor de vraag of sprake is van een voor beroep vatbare handeling worden gekeken naar de inhoud, context en rechtsgevolgen van de betrokken handeling. Het bindende besluit van het EDPB legt definitief het standpunt van dat orgaan vast over de punten waarover geschil bestond tussen de toezichthouders en is bindend voor de leidende en betrokken toezichthoudende autoriteiten. Daarmee beoogt het rechtsgevolgen ten aanzien van derden teweeg te brengen en is het dus geen louter voorbereidende maatregel. Daarnaast oordeelt het Hof dat WhatsApp door dat besluit ook rechtstreeks geraakt wordt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Het EDPB-besluit verplichtte de Ierse toezichthouder immers om op bepaalde punten van haar eerdere ontwerp af te wijken, onder meer ten aanzien van de vaststelling van schendingen, de kwalificatie van bepaalde gegevens als persoonsgegevens, de termijn voor naleving en de hoogte van de boetes. Op die punten liet het besluit geen wezenlijke beoordelingsruimte meer over. Het Hof maakt daarbij duidelijk dat het feit dat daarna nog een nationaal definitief besluit moet volgen, niet wegneemt dat het EDPB-besluit zelf een afzonderlijke, bindende Uniehandeling is. Dat daarnaast ook nationale rechtsbescherming openstaat tegen het definitieve besluit van de toezichthouder, sluit een rechtstreeks beroep tegen het EDPB-besluit dus niet uit. De slotsom is dat het beroep van WhatsApp tegen het EDPB-besluit wel ontvankelijk is. Het Hof vernietigt daarom de beschikking van het Gerecht en verwijst de zaak terug, zodat het Gerecht zich alsnog inhoudelijk over de rechtmatigheid van het EDPB-besluit kan uitspreken.

104    In deze context is het van weinig belang dat de reikwijdte van het definitieve besluit zich uitstrekt tot kwesties die niet aan het Comité zijn voorgelegd, namelijk aspecten waartegen geen relevante en gemotiveerde bezwaren zijn ingediend in de zin van artikel 65, lid 1, onder a), AVG, of kwesties die niet onder de bevoegdheid van dat orgaan vallen, zoals met name de vaststelling van het exacte bedrag van de aan een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker op te leggen geldboete, die krachtens artikel 58, lid 2, onder i), en artikel 83 AVG valt onder de bevoegdheid van de aangezochte toezichthoudende autoriteit.

105    Bovendien bestaat er weliswaar een onderlinge samenhang tussen het litigieuze besluit en het definitieve besluit maar dit neemt niet weg dat het om afzonderlijke handelingen gaat en de reikwijdte van het litigieuze besluit duidelijk afgebakend is, zoals blijkt uit de opsomming in punt 30 van dit arrest. Tegen deze achtergrond staat deze onderlinge samenhang niet in de weg aan de vaststelling dat WhatsApp rechtstreeks wordt geraakt door het litigieuze besluit.

106    In het bijzonder leidt het gelijktijdig instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Unierechter – op grond van artikel 263 VWEU – tegen het bindende besluit van het Comité, en bij de nationale rechter – uit hoofde van artikel 78 AVG – tegen het definitieve besluit dat de nationale toezichthoudende autoriteit op basis van dat bindende besluit heeft vastgesteld, weliswaar tot twee parallelle procedures, maar deze situatie brengt niet met zich mee dat de gevolgen van het besluit van het Comité ten aanzien van WhatsApp als indirect moeten worden beschouwd.

107    Ten eerste volgt namelijk uit de rechtspraak van het Hof dat, wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van het besluit van een orgaan van de Unie, de verplichting tot loyale samenwerking meebrengt dat de nationale rechter, om geen beslissing te nemen die tegen het besluit van dat orgaan indruist, de behandeling van de zaak schorst tot de rechterlijke instanties van de Unie een definitieve beslissing op het beroep tot nietigverklaring hebben genomen, tenzij hij van oordeel is dat het in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is om het Hof een prejudiciële vraag over de geldigheid van het besluit van dat orgaan te stellen (zie in die zin arresten van 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 57, en 25 juli 2018, Georgsmarienhütte e.a., C‑135/16, EU:C:2018:582, punt 24).

108    Ten tweede moet er ook op worden gewezen dat het beginsel van een goede rechtsbedeling – wanneer gelijktijdig zaken aanhangig worden gemaakt bij het Gerecht, in het kader van een beroep tot nietigverklaring, en bij het Hof, in het kader van een prejudiciële verwijzing – kan rechtvaardigen dat het Hof, indien het dit gepast acht, gebruikmaakt van artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde de behandeling van de bij hem aanhangige procedure te schorsen ten behoeve van de bij het Gerecht ingestelde procedure (arrest van 25 juli 2018, Georgsmarienhütte e.a., C‑135/16, EU:C:2018:582, punt 25).