IT 2932

Inbreuk op KNPV-merk. Uitingen op Facebook niet onrechtmatig

Rechtbank Gelderland 1 november 2019, IEF 18801, IT 2932; ECLI:NL:RBGEL:2019:4905 (KNPV tegen gedaagde) Kort geding. De KNPV (Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging) is opgericht als sportbond op het gebied van politiehondensport. Gedaagde was tot voor kort actief lid van KNPV. Zij is thans geschorst. Op 24 september 2007 heeft KNPV in zwart/wit een teken bij het BBIE onder registratienummer 0830527 ingeschreven voor waren en/of diensten in klasse 35 (beheer van commerciële zaken; administratieve diensten; publiciteit en reclame), (hierna: het KNPV-teken). Op 24 januari 2019 heeft gedaagde bij het EUIPO een teken in de kleuren blauw/goud gedeponeerd voor diensten in klasse 35 (reclame, marketing en promotionele diensten) (hierna: het Uniemerk). Tegen dit depot is KNPV een nietigheidsprocedure bij EUIPO gestart. Gedaagde heeft het Uniemerk gedurende enige tijd als profielfoto op haar Facebookaccount gebruikt. Gedaagde stemt op de zitting in met de merkenrechtelijke vorderingen van eiser zodat deze worden toegewezen. De uitlatingen van gedaagde in brieven en op Facebook zijn niet onrechtmatig jegens eiser. KNPV heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om vast te stellen dat de grens van wat in het maatschappelijk verkeer toelaatbaar is door gedaagde is overschreden. Voor de begroting van de proceskosten ex artikel 1019h Rv wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken.

4.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. [Gedaagde] heeft volgens KNPV in brieven en op Facebook beschuldigingen geuit jegens diverse leden van KNPV, alle afdelingsbesturen, het hoofdbestuur en de beschermheer over interne belangenverstrengelingen, ongelijke stemrechten, het gebrek aan voorlichting over stroombandgebruik bij honden en het gedogen van dierenmishandelingen. Voorop wordt gesteld dat KNPV vordert [Gedaagde] te bevelen om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van het in voor derden toegankelijke media direct of indirect verspreiden van negatieve en/of onjuiste berichten over KNPV. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt echter dat [Gedaagde] haar brieven steeds aan de afdelingsbesturen en/of het hoofdbestuur van KNPV heeft gericht; niet is gebleken dat [Gedaagde] de brieven aan een breder publiek heeft gestuurd c.q. de brieven voor derden toegankelijk zijn. KNPV stelt weliswaar dat de genoemde uitlatingen (ook) zijn gedaan jegens leden van KNPV, maar dit heeft zij niet met stukken gestaafd. De door [Gedaagde] gedane uitlatingen in brieven, gericht aan afdelingsbesturen en/of het hoofdbestuur van KNPV, kunnen om die reden al onbesproken blijven. Voorts is de aankondiging van [Gedaagde] in haar brieven, dat zij externe maatregelen zal treffen en contact op zal nemen met diverse derden, niet zonder meer onrechtmatig jegens KNPV, mede gelet op het feit dat niet is gebleken dat [Gedaagde] , afgezien van de hierna te bespreken facebookberichten, daadwerkelijk de publiciteit heeft opgezocht.

4.5.
Met betrekking tot de door [Gedaagde] gedane uitlatingen op Facebook wordt als volgt overwogen. KNPV stelt weliswaar dat [Gedaagde] in haar berichten op Facebook negatieve en/of onjuiste mededelingen over KNPV doet, maar dit maakt nog niet zonder meer dat [Gedaagde] onrechtmatig jegens KNPV handelt. Van belang is in dit verband allereerst dat [Gedaagde] op de mondelinge behandeling ieder van de door KNPV gestelde beschuldigingen tot op zekere hoogte heeft kunnen substantiëren. In het beperkte bestek van dit kort geding kan niet tot op de bodem worden uitgezocht of de door [Gedaagde] gedane uitlatingen (al dan niet voor een deel) ook kloppen, maar zij heeft van elk van de uitlatingen die KNPV negatief en/of onjuist acht een met stukken onderbouwde toelichting gegeven. Daarnaast is de toonzetting en het taalgebruik dat door [Gedaagde] op Facebook wordt gebezigd niet van dien aard dat gezegd kan worden dat haar uitlatingen al om die reden onrechtmatig jegens KNPV zijn. Hoewel te begrijpen valt dat de uitlatingen van [Gedaagde] KNPV niet welgevallig zijn, heeft KNPV onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om vast te kunnen stellen dat de grens van wat in het maatschappelijk verkeer toelaatbaar is in het onderhavige geval door [Gedaagde] is overschreden. De vorderingen onder IV. en V. zullen daarom worden afgewezen.