IT 3666

Incidenteel overnemen gegevens databank niet onrechtmatig

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 augustus 2021, IEF 20205, IT 3666; ECLI:NL:GHSHE:2021:2701 (Appellant tegen geïntimeerden) Appellant en geïntimeerde 2 hebben samen een webshop voor de verkoop van startmotoren en dynamo's gehad. Beide waren 50% aandeelhouder. Onderdeel van deze webshop is een databank met onderdeelnummers, maten en een omschrijving waarin tevens is opgenomen met welke motoren / motortypes de startmotor of dynamo compatibel is. Na beëindiging van de samenwerking is geïntimeerde 2 op soortgelijke wijze bij geïntimeerde 3 gaan werken. De databank is een-op-een overgenomen. Appellant stelt dat geïntimeerden onrechtmatig jegens appellant handelen nu zij gebruik maken van de databank die appellant toekomt. Hij beweert dat door het systematisch verzamelen en ordenen van gegevens de databank bescherming toekomt op grond van de Databankenwet en dat appellant, als rechtsopvolger van de bv, is aan te merken als producent van de databank. Het hof is van oordeel dat hier niet genoeg bewijs voor is geleverd. Daarnaast kan een enkele keer raadplegen niet worden gezien als hergebruik. De grieven falen.

3.5.11. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] het bewijs niet heeft geleverd voor zijn stelling dat [geïntimeerde 3] – via beschikbaarstelling door [geïntimeerde 2] – de databank van [besloten vennootschap] één-op-één of althans voor een in kwalitatief of kwantitatief substantieel deel heeft overgenomen om deze te gebruiken voor haar eigen webshop, en aldus te hergebruiken in de zin van de Databankenwet. Het incidenteel overnemen door [geïntimeerde 3] van gegevens door raadpleging van de webshop van [besloten vennootschap] (die voor eenieder toegankelijk is) zoals wellicht in enkele gevallen is gebeurd – en wat gelet op de stellingen van partijen kennelijk niet ongebruikelijk is in de branche – kan bovendien niet worden gezien als hergebruik (van niet-substantiële delen) dat in strijd is met de normale exploitatie van de databank van [besloten vennootschap] of dat ongerechtvaardigde schade toebrengt aan de rechtmatige belangen van [appellant] . Kortom, van onrechtmatig handelen door het beschikbaar stellen door [geïntimeerde 2] van de databank van [besloten vennootschap] aan [geïntimeerde 3] , of anderszins van een inbreuk op de databankrechten van [appellant] , is niet gebleken. Daarmee falen de grieven V en VI.