IT 2219

IT-outsourcing project met gezamenlijke stuurgroep eindigt in partieel stilzwijgend beëindigde overeenkomst

Rechtbank Amsterdam 18 januari 2017, IT 2219; ECLI:NL:RBAMS:2017:228 (CGI tegen Staalbankiers) Aanbesteding. IT. Verantwoordelijkheden stuurgroep, opdrachtgever en opdrachtnemer. Staalbankiers heeft een aanbestedingsopdracht gegund aan CGI. Partijen hebben een business process outsourcingovereenkomst getekend. CGI neemt daarmee bepaalde bancaire processen over as-is en ter optimalisering en verbetering van de dienstverlening een ICT-ontwerp maakt. Centric aan de Stuurgroep laten weten dat zij niet van plan is de transitie mogelijk te maken indien Staalbankiers niet wil afzien van een claim wegens “non-performance” in het verleden. Mislukte transitie. Het management van de uitvoering is in handen gelegd van een gezamenlijk overlegorgaan (de Stuurgroep). Partijen gaan er vanuit dat de overeenkomst inmiddels (partieel) is beëindigd. CGI heeft geen BPO-diensten meer verleend, Staalbankiers heeft dat aanvaard en geen betalingen meer verricht. Ergo is (partieel) de overeenkomst met wederzijds goedvinden op enig moment stilzwijgend is beëindigd. De rechtbank wijst de vorderingen af, met uitzondering van de verklaring voor recht dat indien de belastingdienst aan CGI een aanslag oplegt voor btw-afdracht, dat de facturen alsnog worden voldaan.

 

4.11. De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan het volgende voorop. Het management van de uitvoering van de Overeenkomst hebben partijen in handen gelegd van een gezamenlijk overlegorgaan (de Stuurgroep). In de uitvoering dient CGI te handelen als redelijk bekwaam en redelijk handelend IT-deskundige. Dit houdt onder meer in dat zij de Stuurgroep, en daardoor ook Staalbankiers, op een begrijpelijke en overzichtelijke wijze adequaat dient te informeren over de voortgang van de (deel)projecten en daarbij redelijkerwijs ook het belang van de opdrachtgever in het oog houdt met betrekking tot het bereiken van toegezegde mijlpalen en kostenbeheersing van de uit te voeren taken. De rechtbank zal hierna beoordelen of CGI aan haar zorgplicht heeft voldaan, waarbij eerst de periode voor 1 juli 2011 aan bod komt en vervolgens de periode daarna.

De periode tot 1 juli 2011 (validatie van het Transistieplan en de Transitie)
4.16. Het beeld dat aldus naar voren komt is dat de Stuurgroep, geconfronteerd met een situatie waarin de geplande Transitie onmogelijk bleek te zijn, gezamenlijk onvoldoende actie heeft kunnen nemen om de ontstane situatie te veranderen. De Stuurgroep is er niet in geslaagd om het project in de juiste richting te duwen. Aan de ene kant is hierbij van belang dat CGI met name voorstellen heeft gedaan om dekking te krijgen van de voor haar oplopende haar kosten van de Validatie. Aan de andere kant heeft Staalbankiers, via de Stuurgroep op de hoogte van de opgetreden problemen, niet willen of kunnen optreden tegen Centric om meer en betere samenwerking uit die hoek te verzorgen (bijvoorbeeld door de zogenaamde EDEN-deliverables over te dragen zodat CGI gebruik kon maken van deze analysedocumenten over de ins en outs van de IT-infrastructuur die Centric heeft ontwikkeld voor Staalbankiers). CGI heeft daarbij voldoende duidelijk te kennen gegeven welke obstakels, zoals de vervlechting, zij tegenkwam en wat de gevolgen van die obstakels betekenden voor de einddatum van de Transitie (1 juli 2011) en welke eventuele meerkosten dat mee zou brengen. Dat zij niet voldaan heeft aan haar zorgplicht is daarmee niet komen vast te staan. Bij deze stand van zaken is in deze fase niet gebleken van een tekortkoming door CGI, en daarmee kan geen wezenlijke tekortkoming in de zin van artikel 19.2 lid 5 van de Overeenkomst worden vastgesteld. Op deze grond heeft Staalbankiers dus geen ontbinding van de Overeenkomst kunnen baseren.

De periode na 1 juli 2011
4.23. Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank echter af dat zij ervan uitgaan dat de Overeenkomst, ook indien deze (zoals hier het geval) niet rechtsgeldig is ontbonden, inmiddels (in elk geval partieel) is beëindigd. CGI heeft immers al geruime tijd geen uitvoering meer gegeven aan de Overeenkomst door geen BPO diensten meer te verlenen, en Staalbankiers heeft dat aanvaard (en ook geen betalingen meer verricht). Uit de handelwijze van partijen valt dus af te leiden dat de Overeenkomst (in elk geval partieel) met wederzijds goedvinden op enig moment stilzwijgend is beëindigd.