IT 3079

Leverancier heeft opzegbrief niet tijdig ontvangen

SGOA

SGOA Heemstede september 2019, IT 3079; (Leverancier tegen afnemer) Bij brief van 25 juni 2013 heeft Leverancier aan Afnemer een orderbevestiging toegezonden, die Afnemer voor akkoord heeft ondertekend, voor het gebruik en onderhoud van het programma B als onderdeel van het IK systeem voor leerlingen (de “Overeenkomst”). De Overeenkomst heeft een looptijd van één kalenderjaar, welke na afloop van een kalenderjaar telkens automatisch met een jaar wordt verlengd, tenzij een partij van de Overeenkomst bij aangetekend schrijven met een opzegtermijn van 3 maanden (dus vóór 1 oktober van een lopend kalenderjaar) heeft opgezegd. In geschil is of Afnemer op tijd de Overeenkomst heeft opgezegd. Bij het tussenvonnis is bepaald dat Afnemer bewijs moet leveren voor de stelling dat de opzegbrief van 4 september 2017 vóór 1 oktober 2017 is ontvangen door Leverancier.

Er wordt geoordeeld dat Afnemer niet, althans onvoldoende heeft aangetoond om zijn stelling te ondersteunen. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat Leverancier de opzegbrief niet tijdig heeft ontvangen. Hierbij is verder nog van belang dat Afnemer een risico heeft genomen door in plaats van een aangetekende brief een reguliere opzegbrief heeft verstuurd en geen controle mechanisme in te stellen op een ontvangstbevestiging, evenmin te rappelleren toen die ontvangstbevestiging uitbleef. Daar staat wel tegenover dat onbetwist is gelaten dat Leverancier de overeengekomen diensten in 2018 niet heeft geleverd, waarvan Afnemer derhalve in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt. Bovendien gaat het om een relatief geringe overschrijding van de contractueel voorgeschreven opzegtermijn. Op basis van deze omstandigheden wordt geoordeeld dat Afnemer aansprakelijk is voor 50% van de contractueel bedongen jaarvergoeding.

24. Nu [Afnemer] niet, althans onvoldoende andere feiten en omstandigheden heeft gesteld, althans aangetoond, ter onderbouwing van haar stelling dat de opzegbrief [Afnemer] tijdig voor 1 oktober 2017 heeft bereikt is de slotsom dat [Afnemer] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, zodat er in dit geding van moet worden uit gegaan dat [Leverancier] de opzegbrief niet voor 1 oktober 2017 heeft ontvangen. Daaruit volgt dat [Afnemer] de Overeenkomst niet tijdig, te weten met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van drie maanden, tegen het einde van het jaar 2017 heeft opgezegd, zodat de Overeenkomst op grond van het daarin bepaalde automatisch is verlengd tot 1 januari 2019 en tegen die datum eindigt.

33. Op basis van deze omstandigheden, in onderling verband bezien, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2, oordeelt het scheidsgerecht dat [Afnemer] aansprakelijk is voor 50% van de contractueel bedongen jaarvergoeding, zijnde € 8.004,15, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 a BW vanaf 9 februari 2018 tot en met de dag der algehele voldoening.