IT 2840

Opname in EVR proportioneel, strafrechtelijke gegevens staan voldoende vast

Hof Amsterdam 20 augustus 2019, IEF 18638, IT 2840; ECLI:NL:GHAMS:2019:3074 (X tegen Ansvar) Kort geding. Opname in Extern Verwijzingsregister (EVR) voor vijf jaar. Belangenafweging art. 6 lid 1 sub f AVG. Appelant is eigenaar van een Mercedes-Benz en heeft de Mercedes ten behoeve van de verzekering laten taxeren. De auto verkeert in goede staat en er zijn geen gebreken of schades waargenomen. Er doet zich een aanrijding met een Volkswagen voor, waarbij aannemelijk is dat appellant opzettelijk in het Vragenformulier en het aanrijdingsformulier schade heeft vermeld, die niet (geheel) door de aanrijding van de Volkswagen met de Mercedes kan zijn veroorzaakt. De te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens staan in voldoende mate vast. Aannemelijk is dan ook dat de bodemrechter de opname van appellant in het EVR proportioneel zal achten.

3.4.
Uit de hiervoor genoemde rapporten van CED en uit het - in opdracht van [appellant] opgestelde - rapport van Dekra volgt dat de lezing van [appellant] van de aanrijding van de Volkswagen met de Mercedes en de daardoor veroorzaakte schade aan de Mercedes niet aannemelijk is, ook indien wordt uitgegaan van zijn, door Ansvar betwiste, stelling dat de Volkswagen hoger stond dan de Mercedes. [appellant] heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de forse schade van een aanzienlijke lengte aan de linkerzijde van de Mercedes, namelijk vanaf het linker voorportier tot en met de linker bumperzone, gezien de geringe schade aan de Volkswagen. De snelheid waarmee de Volkswagen manoeuvreerde, de hoogte van de schade en hetgeen er (mogelijk) met de spiegel is gebeurd, kunnen hierin geen verandering brengen. [appellant] heeft bovendien geen deskundigenrapport overgelegd dat zijn lezing onderbouwt, terwijl de wel door hem overgelegde (getuigen)verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om de conclusies in de deskundigenrapporten van CED en Dekra te weerleggen. Aannemelijk is daarom dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [appellant] opzettelijk in het Vragenformulier en het aanrijdingsformulier schade heeft vermeld, die niet (geheel) door de aanrijding van de Volkswagen met de Mercedes kan zijn veroorzaakt. Daarmee is sprake van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van art. 350 Sv - kunnen dragen. Aannemelijk is dan ook dat de bodemrechter zal oordelen dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat [appellant] weliswaar stelt dat nader onderzoek dient plaats te vinden en getuigenbewijs aanbiedt, waarvoor overigens in dit kort geding geen plaats is, maar nalaat (voldoende) toe te lichten welk nader onderzoek nog zou kunnen plaatsvinden en wat de getuigen zouden kunnen verklaren, dat tot een andere conclusie dan die van CED en Dekra zou kunnen leiden. Zijn betoog dat hij geen belang had om fraude te plegen, omdat hij allrisk is verzekerd, kan hierin geen verandering brengen. Voorts kan zijn beroep op het taxatierapport van 7 december 2016, waarin is vermeld dat geen schades aan de Mercedes zijn waargenomen, hem niet baten. Dit sluit immers niet uit dat de Mercedes na deze taxatie en voor de onderhavige aanrijding schade heeft opgelopen.

3.5.
Het hof acht voorts aannemelijk dat de bodemrechter de opname van [appellant] in het EVR proportioneel zal achten. Omdat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan (zie rov. 3.4), zijn de belangen van [appellant] van onvoldoende gewicht, gezien de ernst van deze gegevens, om waarschijnlijk te achten dat de belangenafweging overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG in het voordeel van [appellant] zal uitvallen. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de registratie van vijf jaar hem “onevenredig hard treft” weliswaar gesteld dat de schade aan de Mercedes “relatief gering” (€ 2.165,90) is, het schadeverleden van [appellant] beperkt is, en de aanrijding van de Volkswagen met de Mercedes in elk geval een (klein) deel van de geclaimde schade heeft veroorzaakt, maar deze omstandigheden wegen niet zwaarder dan de noodzaak van registratie wegens het daarmee te dienen doel van het voorkomen van (nieuwe) fraude, temeer omdat [appellant] bij zijn onjuiste lezing is gebleven.