IT 1544

De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Overtreding relatiebeding door benadering via LinkedIn

Rechtbank Noord-Holland 24 april 2013, IT 1544 (A tegen B)
Relatiebeding. LinkedIn. B stuurt na einde van arbeidsoverkomst met relatiebeding via LinkedIn een bericht aan zogenaamde "connections", met als onderwerp "nieuwe job". Hij heeft drie relaties/klanten van A aldus benaderd en heeft zich daarbij onheus over A uitgelaten. Bij tussenvonnis (ECLI:NL:RBGRO:2012:3726) werd bepaald dat naar de letter van het relatiebeding geen overtreding aanwezig kan worden geacht, immers hierin een verbod wordt gesteld contact met relaties te maken na het einde van het dienstverband. Terwijl B de litigieuze e-mail via LinkedIn heeft verzonden tijdens de arbeidsovereenkomst. Bij eindvonnis stelt de rechter uiteindelijk dat B het relatiebeding heeft geschonden en aan A een boete is verschuldigd.

2.5. Met [A] is de kantonrechter voorts van oordeel dat er sprake is van meerdere schendingen van het relatiebeding, zodat per overtreding een boete is verbeurd. Door [A] is naar het oordeel van de kantonrechter met juistheid aangegeven dat per relatie een e-mailadres moest worden ingegeven. Het verzenden van een bericht naar meerdere geadresseerden levert evenzovele overtredingen op.
Anders dan door [A] naar voren is gebracht, is de kantonrechter echter met [B] van oordeel dat ingeval van [naam] (hierna: [D]) niet kan worden gesproken van een relatie in de zin van het beding. Tussen partijen staat namelijk vast dat tot 1 juni 2011 door [A] nimmer zaken is gedaan met [D]. [A] heeft aangevoerd dat [D] een zogenaamde 'prospect' is, die was vermeld op de prospectlijst die maandelijks werd besproken. De enkele vermelding op enige prospectlijst acht de kantonrechter echter onvoldoende om ook in dit geval een boete wegens het schenden van het relatiebeding aan te nemen. Door [A] is onvoldoende gesteld om te kunnen beoordelen op welke wijze de prospectlijst werd samengesteld en waarom het enkele feit van vermelding op deze lijst een boete zou rechtvaardigen.

2.7. De kantonrechter ziet een boete als in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst primair als een prikkel tot nakoming. De kantonrechter overweegt voorts dat [B] niets heeft aangevoerd voor zijn stelling dat de boete zou moeten worden gematigd tot nihil. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [B] de maatstaf van art. 6:94 BW heeft miskend. De in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Hieromtrent is door [B] niets naar voren gebracht. Het beroep op matiging moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.