IT 3263

Registratie domeinnaam moet worden overgedragen

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 18 september 2020, IEF 19449, IT 3263; ECLI:NL:RBMNE:2020:3854 ( Eiseres tegen erfgenamen) Gedaagde c.s. zijn de erfgenamen van A. Eiseres had een relatie met A tot diens overlijden in 2020. In 2005 hebben eiseres en A samen een woonhuis gekocht. Sinds 2012 exploiteert eiseres een eenmanszaak op het adres van de woning. De domeinnaam van deze zaak is registreerd bij Mijndomein. Dit hostingbedrijf factureert de kosten van het webhostingpakket vanaf de startdatum in 2012 aan eiseres op het adres van de woning. Dat bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) niet eiseres maar A geregistreerd stond als domeinnaamhouder, maakt niet dat gedaagde c.s. nu recht hebben op het gebruik van de domeinnaam. Van doorslaggevend belang is niet de registratie van de domeinnaam, maar het naar buiten toe treden van de onderneming met de betreffende naam. In reconventie maken volgens gedaagden c.s. de domeinnaam (en handelsnaam) deel uit van de nalatenschap van A. Eiseres voert aan dat A reeds in 2015 de domeinnaam aan haar heeft overgedragen en dat zij sindsdien mede werkzaam is geweest in de onderneming. Gedaagden hebben tegen dit twistpunt hun stellingen niet nader onderbouwd. De registratie van de domeinnaam moet aan eiseres worden overgedragen.

4.3.
Tegenover de stelling van [eiseres] dat [onderneming 1] .nl haar handelsnaam betreft, hebben [gedaagde sub 1] c.s. betoogd dat [eiseres] [onderneming 1] .nl niet als handelsnaam voert, omdat deze niet bij de handelsnaam is vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit is echter niet relevant. Er bestaan geen formaliteiten voor het ontstaan van een handelsnaam. Vereist is enkel dat een onderneming onder de handelsnaam naar buiten treedt. In vaste jurisprudentie wordt aangenomen dat een onderneming die zich bedient van een domeinnaam en deze doorgaans gebruikt om zich aldus tot het publiek te richten, de domeinnaam wordt aangemerkt als het voeren van een handelsnaam. Niet weersproken is dat uit de inhoud van de aan de handelsnaam [onderneming 1] gekoppelde website met de identieke domeinnaam [onderneming 1] .nl volgt dat [eiseres] met het gebruik van de domeinnaam sinds 2012 de diensten van haar onderneming bij het publiek beoogt te promoten. Bovendien heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat zij haar contacten met haar klanten vooral door middel van die website voert. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat [eiseres] de domeinnaam mede als handelsnaam voert.

4.4.
Het enkele feit dat [A] vanaf 2012 bij SIDN geregistreerd stond als domeinnaamhouder maakt niet dat [gedaagde sub 1] c.s. nu recht hebben op het gebruik van de domeinnaam. Van doorslaggevend belang is immers niet de registratie van de domeinnaam, maar het naar buiten toe treden van de onderneming met de betreffende naam, zoals hiervoor overwogen. Dat [eiseres] degene is die sinds 2012 naar buiten treedt met de handelsnaam [onderneming 1] door middel van de domeinnaam [onderneming 1] .nl. staat vast. Uit de correspondentie van Mijndomein blijkt bovendien dat [A] de domeinnaam ten behoeve van [eiseres] heeft laten registreren en aan haar heeft overgedragen. De facturen van Mijndomein werden ook gericht aan [eiseres] . Het aangevoerde door [gedaagde sub 1] c.s. dat [A] de administratie voerde voor de onderneming van [eiseres] en dat [A] de domeinregistratie tot zijn overlijden betaalde, biedt [gedaagde sub 1] c.s. eveneens geen soelaas. Het voeren van de administratie bij een onderneming leidt niet tot het verkrijgen van enige rechten in die onderneming en een derde (nog los van het gegeven dat door [eiseres] is betwist dat zij de facturen niet zelf voldaan heeft) kan immers bevrijdende betalingen verrichten. De rechten van [eiseres] op haar handelsnaam dienen dus door [gedaagde sub 1] c.s. te worden gerespecteerd.

4.7.
[gedaagde sub 1] c.s. vorderen in deze procedure overdracht van de domeinnaam [handels- en domeinnaam] omdat deze volgens hun deel uitmaakt van de nalatenschap van [A] . Voor de behandeling van een zaak in kort geding dient echter een voldoende spoedeisend karakter aanwezig te zijn, waardoor de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter heeft in het onderhavige geval twijfels bij het bestaan van dit benodigde spoedeisende belang, omdat de stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat de domeinnaam een financiële waarde vertegenwoordigt en de ter zitting ingenomen stelling dat deze financiële waarde minder zal worden naarmate de tijd verstrijkt iedere onderbouwing ontbeert. Te meer nu gebleken is dat de domeinnaam nog actief gebruikt wordt voor de exploitatie van een website van een [....] onderneming.

4.8.
Bovendien heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat de domeinnaam deel uitmaakt van de nalatenschap van [A] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat [A] reeds in 2015 de domeinnaam aan haar heeft overgedragen en dat zij sindsdien mede werkzaam is geweest in de onderneming. Tegen deze betwisting hebben [gedaagde sub 1] c.s. hun stellingen niet nader onderbouwd. Dit betekent dat in dit kort geding over de inhoud van de vordering van [gedaagde sub 1] c.s. veel onduidelijkheid bestaat, terwijl voor bewijslevering in deze kort gedingprocedure vanwege haar aard echter geen plaats is. Dit alles leidt tot de slotsom dat de vordering van [gedaagde sub 1] c.s. in deze kort gedingprocedure zal worden afgewezen.