IT 3364

Stichting Broodnodig wekt geen verwarringsgevaar

Vzr. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 november 2020; IEF 19674, IT 3364; ECLI:NL:RBZWB:2020:5888 (X tegen Stichting Broodnodig) Eiseressen staan in Tilburg bekend als ‘De Broodpater’ en zetten zich in voor minvermogenden in Tilburg, door het verstrekken van voedsel. Op 2 juni 2003 hebben eiseressen ten behoeve hiervan de ‘Stichting Broodnodig’ opgericht. Gedaagde was tot 7 februari 2017 bestuurder van de stichting. Tussen eiseressen en gedaagde is discussie ontstaan over het te voeren beleid. Op 18 augustus 2020 heeft gedaagde een nieuwe stichting 'BroodNodig de Broodpater' opgericht en ingeschreven in het handelsregister. Eiseressen vorderen gedaagde te gebieden het gebruik van de handelsnaam te staken en afgifte van de inloggegevens van de website en de Facebookpagina. Geoordeeld wordt dat de handelsnaam 'De Broodpater' niet gebruikt mag worden, maar wel de handelsnaam 'Stichting Broodnodig'. De inloggevens van de website dienen te worden afgegeven, maar eiseressen hebben geen recht op afgifte van de inloggegevens van de Facebookpagina's.

4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagde 1 niet handelt in strijd met de artikelen 3 en 5 van de Handelsnaamwet door de handelsnaam ‘Stichting BroodNodig’ te gebruiken. De naam ‘BroodNodig’ heeft als zodanig geen of weinig onderscheidend vermogen. ‘Broodnodig’ is een Nederlands woord en is een gangbare omschrijving voor ‘iets dat men heel erg nodig heeft’ of iets dat (volgens Van Dale) ‘zo onmisbaar als brood’ is. Het is niet de bedoeling van de Handelsnaamwet dat iemand exclusief een handelsnaam kan claimen als het gaat om een woord dat in het woordenboek staat. Dat zou anders kunnen zijn op grond van bijkomende omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken.

Juist het tegenovergestelde is het geval. Eiseres 1 heeft zelf in artikel 1 van een concept van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen geschreven dat de naam ‘ [eiseres sub 1] ’ niet mag worden gebruikt ter voorkoming van misverstanden; wel zou gedaagde 1 de namen ‘Stichting Broodpater [achternaam] ’ en ‘Stichting Broodnodig’ mogen gebruiken. Hoewel tussen partijen geen overeenstemming is bereikt, kan hieruit wel worden afgeleid dat eiseres 1 in beginsel geen verwarringsgevaar duchtte van een stichting met de naam ‘Stichting BroodNodig’. Het was immers eiseres 1 die het concept van de vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld.

4.6.
Uit de door eiseres 1 overgelegde domeinnaamregistratie blijkt dat de domeinnaam ‘ [naam domein] ’ op 1 januari 2014 is geregistreerd door [eiseres sub 1] (toen nog Stichting Broodnodig). Gedaagde 2 heeft niet aangetoond dat het exclusieve recht op de domeinnaam (inmiddels) bij haar berust. Uit het door haar overgelegde e-mailbericht van 7 oktober 2020 kan dit niet worden afgeleid, nu daarin is vermeld dat de domeinnaam [naam domein] niet in haar account geregistreerd staat. Het moet er daarom voor worden gehouden, dat eiseres 1 exclusief rechthebbende is van de domeinnaam en de website. Dit betekent dat gedaagden de inloggegevens van de website aan eiseres 1 moeten afgeven. In die zin wordt vordering VI toegewezen.

4.7.
Ten aanzien van de Facebookpagina ‘De BroodPater’ hebben gedaagden ter zitting verklaard dat deze Facebookpagina inmiddels op zwart staat. Zij zijn bereid deze pagina op zwart te laten staan en niet meer te gebruiken. Zij betwisten echter dat eiseres 1 rechthebbende is van de Facebookpagina.

Dit verweer slaagt. Afgifte van de inloggegevens kan alleen worden gevorderd als eiseres 1 voldoende aannemelijk heeft gemaakt beheerder te zijn van deze pagina. Dat heeft zij echter niet gedaan. Zij heeft niet gevorderd het beheer van de Facebookpagina aan haar over te dragen of deze pagina te verwijderen. Dit leidt ertoe dat vordering VI wat betreft deze Facebookpagina zal worden afgewezen. Overigens, omdat gedaagden hebben toegezegd de naam ‘De Broodpater’ niet meer te gebruiken mag van hen verwacht worden deze naam ook niet te gebruiken voor deze Facebookpagina.