IT 2846

Teksten overgenomen van concurrerende webshop vormt inbreuk op auteursrechten

Rechtbank Midden-Nederland 31 juli 2019, IEF 18643, IT 2846; ECLI:NL:RBMNE:2019:3649 (Spirituele webshops) Auteursrecht. Inbreuk. Persoonlijkheidsrechten. Eiser verkoopt spirituele sieraden en producten middels een webshop. Gedaagde verkoopt dezelfde producten via haar eigen webshop. Eiser is van mening dat gedaagde de teksten van de website van eiser (te veel) over heeft genomen, en dat zij hiermee inbreuk maakt op haar auteursrechten. Het staat voldoende vast dat de auteursrechten van de teksten bij eiser berusten nu zij een eenmanszaak is, en dit verder niet gemotiveerd is betwist. Ook is er sprake van een werk, nu om de producten zo goed mogelijk aan te prijzen creativiteit is geuit in de teksten, en deze niet louter het product beschrijven. Uit vergelijking van de teksten van eiser en gedaagde blijkt dat deze te zeer overeenkomen. Omdat geen naamsvermelding is toegepast, is hier ook sprake van een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van eiser. Gedaagde moet de inbreuken staken en gestaakt houden, op straffe van de gevorderde dwangsom. Ondanks verweer wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten op grond van 1019h Rv, nu zij meermaals te kennen heeft gegeven dat haar proceshouding niet is beïnvloed door de houding van haar wederpartij.

3.5. De voorzieningenrechter vindt dat [handelsnaam] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij (althans de heer [eiser] ) wél de maker is van de productomschrijvingen. Voor een beroep op artikel 4 Aw is het inderdaad niet voldoende dat op de website van [handelsnaam] “© [handelsnaam] ” staat. Maar de teksten staan op de website van [handelsnaam] en [handelsnaam] is een eenmanszaak. De stelling van [handelsnaam] (althans van de heer [eiser] ) dat hij de teksten geschreven heeft, is daarom aannemelijk en ook genoeg. In ieder geval tegenover de blote betwisting van [gedaagde sub 1] (“ [handelsnaam] legt geen bewijs over”). Ook het argument dat de teksten van anderen zouden zijn, gaat niet op. Dat wordt hierna toegelicht in overwegingen 3.10 en 3.11.

3.7. De voorzieningenrechter vindt dat een deel van de productomschrijvingen van [handelsnaam] wél auteursrechtelijk beschermde werken zijn in de zin van artikel 10 Aw. Dat deel van de teksten van [handelsnaam] is voldoende origineel en hij heeft daarbij voldoende creatieve keuzes gemaakt, zodat die teksten een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Die teksten bevatten inderdaad feitelijke informatie over de producten, maar daarbij zijn creatieve keuzes gemaakt om het product zo goed mogelijk aan te prijzen die verder gaan dan louter een opsomming. De vergelijking met de uitspraak De Roode Roos/ [achternaam] gaat hierdoor niet op. De voorzieningenrechter geeft hieronder een aantal voorbeelden van productomschrijvingen, waaruit de creatieve keuzes voldoende blijken. De voorzieningenrechter heeft alleen de door [handelsnaam] (in haar productie 13) in paars en lichtblauw gearceerde tekstdelen weergegeven. Waarom dat is, staat in overweging 3.13.

3.21. De voorzieningenrechter ziet in wat [gedaagde sub 1] hierover zegt geen aanleiding om haar niet op grond van artikel 1019h Rv in de proceskosten van [handelsnaam] te veroordelen. Op de zitting heeft [gedaagde sub 1] namelijk meerdere malen bevestigd dat haar proceshouding niet anders zou zijn als zij de stukken eerder had ontvangen, met andere woorden: ook dan had zij zich op het standpunt gesteld dat zij geen inbreuk maakt op het auteursrecht en de persoonlijkheidsrechten van [handelsnaam] . Bovendien zijn de stukken niet zodanig laat overgelegd dat [gedaagde sub 1] in het voeren van verweer is geschaad.