IT 600

De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Beheer van het softwareplatform

Vzr. rechtbank 's-Gravenhage 12 juli 2011, LJN BU7217 (Charta Software B.V. tegen Staat der Nederlanden, Infrastructuur/Milieu, met tussenkomst van Q Delft B.V.)

Kort geding, aanbestedingsrecht; aanbesteding van beheer en onderhoud van twee softwareprogramma’s. Vorderingen eiseres afgewezen, aangezien onvoldoende aannemelijk is geworden dat de winnende inschrijving als abnormaal laag of niet-marktconform terzijde had moeten worden gelegd. Anders dan eiseres kennelijk meent, maakt het beheer van het softwareplatform (op basis waarvan de beide softwareprogramma’s ontwikkeld zijn) geen onderdeel uit van de aanbestede opdracht. Eiseres heeft vervolgens ook niet nader concreet gemaakt met welke werkzaamheden in de winnende inschrijving geen rekening is gehouden of waarom het onmogelijk is de opdracht voor de door winnende inschrijver aangeboden prijs uit te voeren.

4.7. Het bovenstaande laat onverlet dat voor de correcte uitvoering van de opdracht, waaronder het beheer en de ontwikkeling van de beide programma's, het noodzakelijk is om gedegen kennis te hebben van het Charta Platform. De aangepaste en/of nieuwe applicatiespecifieke regels dienen immers te functioneren op basis van dat platform. Ook met betrekking tot deze werkzaamheden diende de inschrijver op basis van het bestek, daarin begrepen de door Charta gegeven informatie en de rapporten van SIG, een inschatting te maken. Daarnaast konden inschrijvers gebruik maken van de mogelijkheid tot inzage in de broncodes van de beide programma's.

4.8. Ter zitting heeft Q Delft verklaard dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot inzage in de broncode van het Charta Platform. Zij heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat zij, mede dankzij haar ervaring met vergelijkbare softwaresystemen, in staat is in de in het bestek voorziene (en onder 2.7 bedoelde) inwerkperiode voldoende kennis te nemen van het Charta Platform om de opdracht conform haar inschrijving uit te voeren.

4.9. Hoewel dat wél op haar weg lag, heeft Charta vervolgens niet nader concreet gemaakt met welke werkzaamheden Q Delft in haar inschrijving geen rekening heeft gehouden of waarom het onmogelijk is de opdracht voor de door Q Delft aangeboden prijs uit te voeren. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de beide applicaties thans functioneren en dat, zoals hiervoor is overwogen, het beheer van het platform buiten de opdracht valt.
De stelling van Charta dat betwijfeld moet worden of Q Delft haar inschrijving op de punten performance en beschikbaarheid kan waarmaken, moet als, onvoldoende onderbouwd, worden gepasseerd. Dat Q Delft haar inschrijving niet kan waarmaken en/of dat de continuïteit van PROTIDE en BIVAS gevaar loopt, kan in ieder geval niet zonder meer worden afgeleid uit het prijsverschil of uit de omstandigheid dat Q Delft geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot inzage in de programma's. Een verklaring voor het prijsverschil tussen de aanbiedingen van Charta en Q Delft, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot het beschrijven van de beide systemen in DOORS, kan immers ook zeer wel gelegen zijn in het verschil van inzicht met betrekking tot het beheer van het Charta Platform.

4.10. Ten overvloede geldt dat indien op een later moment zou blijken dat Q Delft een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de werkzaamheden, dit voor haar rekening en risico dient te komen. Vooralsnog is evenwel niet aannemelijk geworden dat dit het geval is.

4.11. Gelet op het voorgaande is dan ook voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat de inschrijving van Q Delft als abnormaal laag of niet-marktconform terzijde had moeten worden gelegd. Dit betekent dat de primaire vordering moet worden afgewezen.