IT 2059

Complexiteit en omvang door beide partijen is enorm onderschat, geen tekortkoming IT-leverancier

Vzr. Rechtbank Overijssel 12 mei 2016, IT 2059; ECLI:NL:RBOVE:2016:1682 (ENO zorgverzekeraar tegen VCD)
Contractenrecht. Partijen hebben een mantelovereenkomst 'Cloudias' voor levering IT-platform met bijbehorende diensten. Gedaagde is niet toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door zich niet te houden aan de overeengekomen (fatale) termijnen voor de oplevering van verschillende fasen en onderdelen van een IT-platform. Het project dat partijen zijn aangegaan met als doel de livegang van het platform per 1 januari 2016 is,  gelet op de complexiteit en omvang van de benodigde functionaliteit, door beide partijen enorm onderschat c.q. niet goed aangevlogen. VCD maakt voldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom oplevering van het IT-platform op basis van de herziene mijlpalenplanning medio 2016 niet haalbaar is, dat dit ook geldt voor een opleverdatum van 1 mei 2017 en voorts dat VCD dit – overeenkomstig het bepaalde in artikel 18.5 van de Overeenkomst – terstond aan Eno heeft meegedeeld. Van VCD wordt niet het onmogelijke gevergd om voor 1 mei 2017 te leveren.

4.6. Anders dan Eno betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat VCD voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom oplevering van het IT-platform op basis van de herziene mijlpalenplanning medio 201 niet haalbaar is, dat dit ook geldt voor een opleverdatum van 1 mei 2017 en voorts dat VCD dit – overeenkomstig het bepaalde in artikel 18.5 van de Overeenkomst – terstond aan Eno heeft meegedeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat ook [D] (Eno) in zijn memo van 23 maart 2016 heeft aangegeven dat er bijzonder veel risico’s zijn die zelfs het halen van een latere deadline als 1-1-2018 onzeker maakt. Eno heeft de stellingen van VCD op dit punt onvoldoende weerlegd.

4.7. Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van het voorgaande niet van VCD gevergd worden dat zij het onmogelijke presteert door het platform, wat daaronder ook moet worden verstaan, (alsnog) vóór 1 mei 2017 op te leveren, zodat het gevorderde bevel zal worden afgewezen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat toewijzing van het gevorderde zeer wel mogelijk tot executiegeschillen kan leiden, nu niet duidelijk is aan welke eisen het op te leveren platform moet voldoen. Met VCD is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in het petitum geformuleerde vordering tot levering van “het gecontracteerde IT-platform dat gereed is voor de gebruikersacceptatietesten” onvoldoende is gespecificeerd. In dit verband heeft VCD onweersproken gesteld dat zij niet in staat is om exact aan te geven welke functionaliteit met welke kwaliteit tot op heden is gerealiseerd, omdat zij in dat verband in hoge mate afhankelijk is van het (subjectieve) oordeel van Eno, en voorts dat VCD ten aanzien van de inhoudelijke input op het gebied van zorgverzekeringen in hoge mate afhankelijk is van Eno.