Contracten

IT 2558

Beunhazen in de IT-wereld moeten worden aangepakt en overeenkomst ontbonden

Rechtbank 11 apr 2018, IT 2558; ECLI:NL:RBMNE:2018:1340 (Webapplicatie overeenkomst), http://www.itenrecht.nl/artikelen/beunhazen-in-de-it-wereld-moeten-worden-aangepakt-en-overeenkomst-ontbonden

Rechtbank Midden-Nederland 11 april 2018, IT&R 2558; ECLI:NL:RBMNE:2018:1340 (Webapplicatie overeenkomst) Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de realisatie van een webapplicatie waarbij gebruikers veilig en vertrouwd met elkaar kunnen communiceren. Eiseres is opdrachtgever en verwijt Gedaagde dat hij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming. Eiseres wenst de ontbinding van de gehele overeenkomst en Gedaagde is het alleen eens met een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, namelijk ten aanzien van de laatste twee fases: de opleveringsfase en de nazorgfase. Geen van de overgelegde e-mailberichten van Eiseres kan als een deugdelijke ingebrekestelling worden aangemerkt. Er was geen verzuim aan de zijde van Gedaagde en dus geen grond voor ontbinding van de gehele overeenkomst. Eiseres was echter wel in verzuim met de betaling van de facturen voor de reeds uitgevoerde werkzaamheden. Gedaagde vordert verder om Eiseres te veroordelen zich te weerhouden van enige laster jegens haar. Gemachtigde van Eiseres is van mening dat beunhazen in de IT-wereld moeten worden aangepakt. Als Eiseres in het algemeen belang een misstand aan de kaak zou willen stellen, moet zij daarbij grenzen in acht nemen. In dit geval heeft zij die overschreden.

In conventie

4.2. Geen van de door [eiseres] overgelegde e-mailberichten die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, kan als een deugdelijke ingebrekestelling van [gedaagde] , zoals hiervoor bedoeld, worden aangemerkt. [eiseres] heeft de prestatie die zij concreet van [gedaagde] verlangde, niet omschreven, behalve dat zij zou presteren, en heeft ook niet vermeld wat de gevolgen bij niet-nakoming zouden zijn. Uit het procesdossier valt geen steun te putten voor haar stelling dat [gedaagde] niet presteerde. De kantonrechter verwijst bijvoorbeeld naar het e-mailbericht van [gedaagde] aan [eiseres] van 14 juni 2017, waaruit blijkt in hoeverre [eiseres] met haar werkzaamheden was gevorderd. Dat betekent dat er geen sprake is van verzuim aan de zijde van [gedaagde] en dus geen grond voor ontbinding van de gehele overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] . Omdat partijen het wel eens zijn over de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, te weten ten aanzien van de opleveringsfase en de nazorgfase, zal de ontbinding van de overeenkomst in zoverre worden toegewezen.

4.3. Nu de overeenkomst in stand is gebleven voor de werkzaamheden die reeds zijn verricht, bestaat er geen grondslag voor de terugbetaling van het bedrag van € 1.210,00, dat [eiseres] voor die werkzaamheden heeft betaald. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.

In reconventie

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat [eiseres] in verzuim is met de betaling van de facturen voor de reeds uitgevoerde werkzaamheden. Ten aanzien van de meerwerkfactuur heeft [eiseres] weliswaar gesteld dat [gedaagde] in strijd met het ontwerp een eigen interpretatie was gaan bouwen, maar [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist: zij is gaan bouwen wat partijen bij de overeenkomst hebben afgesproken. [eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat zij pas na het sluiten van de overeenkomst een gedetailleerde projectbeschrijving bij [gedaagde] heeft aangeleverd. Daarmee is ook de verschuldigdheid van de kosten van dit meerwerk door [eiseres] voldoende komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van € 1.902,72 zal daarom worden toegewezen.

4.8. Ter zitting heeft [gemachtigde 1] ontkend dat de website die hij in zijn e-mailbericht aan [gedaagde] van 15 oktober 2017 had aangekondigd (zie hiervoor onder 2.16), online is of is geweest. Wel heeft hij verklaard dat hij contact heeft gehad met de HR manager van het bedrijf waar [A] , de partner van [gemachtigde 2] , werkt en dat hij ook de Kamer van Koophandel heeft benaderd. Hij is van mening dat beunhazen in de IT-wereld moeten worden aangepakt. De mail van 18 juli 2017 (hiervoor vermeld onder 2.15) had hij gestuurd omdat hij heel kwaad was. Hij had daar verder geen werk van gemaakt en hij zou zich daarvan voortaan onthouden.

4.9. De kantonrechter merkt op dat ook als [eiseres] zou menen dat zij in het algemeen belang een misstand aan de kaak zou willen stellen, zij daarbij grenzen in acht moet nemen. In dit geval heeft zij die overschreden. In de eerste plaats vinden de beschuldigingen van [eiseres] over de door haar gestelde onbekwaamheid van [gedaagde] onvoldoende steun in het procesdossier en in de tweede plaats heeft zij grenzen overschreden door de partner van [gemachtigde 2] en haar werkgever te benaderen. Dit deel van de vordering zal daarom als hierna vermeld worden toegewezen. Ook de gevorderde dwangsom is, als prikkel tot nakoming, toewijsbaar, zij het gemaximeerd.

IT 2555

Deskundigenbericht nodig voor beoordeling complex van automatiseringsovereenkomsten

Hof 3 apr 2018, IT 2555; ECLI:NL:GHARL:2018:3118 (Partners Network c.s. tegen Ctac), http://www.itenrecht.nl/artikelen/deskundigenbericht-nodig-voor-beoordeling-complex-van-automatiseringsovereenkomsten

Hof Arnhem-Leeuwarden Overijssel 3 april 2018, IT&R 2555; ECLI:NL:GHARL:2018:3118 (Partners Network c.s. tegen Ctac) Complex van automatiseringsovereenkomsten waarvan partijen de implementatie-overeenkomst na uitgebreide onderhandelingen uiteindelijk zijn aangegaan op regiebasis. Partners Network c.s. stelt dat Ctac in meerdere opzichten toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoeringen van met name de implementatie-overeenkomst. Ctac zou onder andere de fatale oplevertermijn niet hebben gehaald, het budget hebben overschreden en onterecht de betaling van facturen hebben opgeschort. Ter beoordeling van een en ander oordeelt het hof een deskundigenbericht nodig ter beantwoording van de vragen. Verder wil het hof van de te benoemen deskundige een gemotiveerde opvatting vernemen over de vraag of de facturen in overeenstemming waren met de voortgang en kwaliteit van diverse tussenstanden van het werk.

IT 2554

Oplevering bèta versie extensie hoefde niet klaar te zijn om bij klanten ingezet te worden

Rechtbank 18 apr 2018, IT 2554; (Total Internet Group tegen Shop2Market), http://www.itenrecht.nl/artikelen/oplevering-b-ta-versie-extensie-hoefde-niet-klaar-te-zijn-om-bij-klanten-ingezet-te-worden

Rechtbank Amsterdam 18 april 2018, IT 2554 (Total Internet Group tegen Shop2Market) Contractenrecht. Bèta. Scrum/Agile. TIG ontwikkelt softwarematige extensies. S2M assisteert in het optimaliseren van winst uit online advertentiecampagnes. Met derden heeft ze een softwareproduct ontwikkeld Adcurve om inzicht te krijgen in winstgevendheid van online advertenties. S2M heeft TIG benaderd om een extensie te ontwikkelen voor de koppeling Adcurve met systemen van de webwinkels, volgens Agile project methodiek op basis van scrum. Er is een SLA afgesproken. De API-extensie met afgesproken functionaliteiten is aan S2M opgeleverd. S2M betaalt de facturen niet. S2M voert verweer en betwist dat op haar ter zake (nog) een betalingsverplichting rust, omdat TIG volgens haar geen werkende extensie heeft opgeleverd en dat daarom ook aan de SLA geen uitvoering is gegeven. Uit het Requirements document blijkt, zoals TIG terecht heeft aangevoerd, dat de extensie niet klaar hoefde te zijn om ingezet te kunnen worden bij de klanten van S2M, maar dat het een "bèta versie" zou zijn, die opgeleverd zou worden in een testomgeving. In afwijking an 6:92 BW is bij verzuim direct wettelijke handelsrente alsmede een dadelijk opeisbare boete verschuldigd.  S2M moet aan TIG ruim 22.000 betalen.

IT 2547

Opdrachtnemer heeft geheimhoudingsplicht, maar hoeft geen verantwoording af te leggen over vernietigde bedrijfsvertrouwelijke gegevens

Hof 20 feb 2018, IT 2547; ECLI:NL:GHARL:2018:1712 (Ylvas tegen Transvision), http://www.itenrecht.nl/artikelen/opdrachtnemer-heeft-geheimhoudingsplicht-maar-hoeft-geen-verantwoording-af-te-leggen-over-vernietigd

Hof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, IEF 17649; IT 2547; ECLI:NL:GHARL:2018:1712 (Ylvas tegen Transvision c..) Geheimhoudingsbeding. Opdrachtnemer heeft geen verplichting om verantwoording af te leggen over wijze van vernietiging van bedrijfsvertrouwelijke informatie van opdrachtgever. Transvision c.s. sommeren de opdrachtnemer om binnen 24 uur de schriftelijke informatie op hun kantoor af te geven en de digitale informatie te vernietigen en daarvan proces-verbaal op te maken. De opdrachtnemer heeft aangevoerd dat hij als reactie op de brief de schriftelijke informatie heeft vernietigd en de digitale informatie heeft verwijderd van zijn gegevensdrager en cloud-opslag. Transvision c.s. stellen dat de opdrachtnemer daardoor de verdenking op zich heeft geladen dat hij bedrijfsvertrouwelijke informatie heeft achtergehouden. De voorzieningenrechter gaat hierin voor een groot deel mee en legt de opdrachtnemer een aantal bevelen op tot afstaan van gegevens en het afleggen van verantwoording daarover, naast een gebod tot naleving van het geheimhoudingsbeding en een verbod om zich in te laten met de Valys-aanbesteding [ECLI:NL:RBGEL:2018:380; ECLI:NL:RBGEL:2017:6488]. Hof: In beginsel is de geheimhouder vrij te bepalen op welke manier hij zijn geheimhoudingsverplichting uitvoert en rust op hem niet een verantwoordingsplicht als door de voorzieningenrechter aangenomen. Het voorgaande wordt niet anders, doordat geheimhouding urgenter werd door de indiensttreding van de opdrachtnemer bij een concurrent. Het is niet zodanig ongebruikelijk dat een opdrachtnemer na beëindiging van de opdracht werkzaamheden gaat verrichten voor een concurrent dat daardoor een verantwoordingsplicht gaat gelden als door Transvision c.s. verdedigd en door de voorzieningenrechter aangenomen. Het Hof gebiedt geheimhoudingsverplichting van de opdrachtnemer.

IT 2540

Vragen aan HvJ EU over plaats van herstel van een op afstand gekocht consumptiegoed

Hof van Jusitie EU 27 dec 2017, IT 2540; (Toolport), http://www.itenrecht.nl/artikelen/vragen-aan-hvj-eu-over-plaats-van-herstel-van-een-op-afstand-gekocht-consumptiegoed
Toolport

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 27 december 2017, IT 2540; RB 3121; IEFbe 2546; C-52/18 (Toolport) Consumentenbescherming. Koop op afstand. Verzoeker heeft op 08.07.2015 telefonisch een partytent van verweerster gekocht. De tent is geleverd op het woonadres van verzoeker. Verzoeker beriep zich in de precontentieuze fase op gebreken die aan de tent zouden kleven. Verweerster wees alle klachten af. Verzoeker heeft enkel opheffing van de wanprestatie ter plaatse gevorderd, zonder de litigieuze waar terug te zenden naar verweerster of dit aan te bieden. Tussen partijen is niet gesproken over de plaats waar nakoming alsnog diende te geschieden. De tussen partijen gesloten overeenkomst bevat hierover geen informatie.

IT 2536

SGOA: Aankondiging de overeenkomst te willen opzeggen is geen rechtsgeldige opzegging

Stichting Geschillenoplossing automatisering , IT 2536; (aankondiging van opzegging), http://www.itenrecht.nl/artikelen/sgoa-aankondiging-de-overeenkomst-te-willen-opzeggen-is-geen-rechtsgeldige-opzegging

SGOA arbitraal vonnis, IT 2536(aankondiging van opzegging) Contractenrecht. Afnemer heeft aan leverancier opdracht verleend voor levering van computerservice. Afnemer wilde zich niet vastleggen op een contractsduur en partijen hebben gedebatteerd over opzegtermijn (niet langer dan 2 maanden). Leverancier heeft gesteld verscheidene keren de FENIT-voorwaarden te hebben overhandigd zonder toereikende ontkenning door afnemer, deze zijn van toepassing. Daarin staat een opzegtermijn van drie maanden voor het einde van de betreffende periode. Op 13 november 2015 heeft Afnemer laten weten dat zij wenst te eindigen, geëffectueerd in het eerste kwartaal van 2016. Op 11 januari 2016 is een e-mail gestuurd om op te zeggen. Leverancier beschouwt de e-mail niet als geldige opzegging en rekent nog 3 maanden opzegtermijn ad €3.327,50 per maand. Zowel de melding in november als de e-mail van 11 januari 2016 ziet de arbiter slechts als een aankondiging van opzegging. De arbiter wijst het gevorderde van de leverancier toe.

IT 2527

Licentie verleend voor specifiek de Go App en niet voor iedere 'naar aard en functionaliteit gelijksoortige' app

Rechtbank 21 mrt 2018, IT 2527; ECLI:NL:RBDHA:2018:3285 (Mocreate tegen Samsung), http://www.itenrecht.nl/artikelen/licentie-verleend-voor-specifiek-de-go-app-en-niet-voor-iedere-naar-aard-en-functionaliteit-gelijkso

Rechtbank Den Haag 21 maart 2018, IEF 17595; IT 2527; ECLI:NL:RBDHA:2018:3285 (Mocreate tegen Samsung) Samenwerking. Mocreate heeft de Go App ontwikkeld en ge-rebrand tot Skoep APP. Zij heeft na staken van samenwerking met Samsung, in het nieuws vernomen dat de Upday App zou worden voorgeïnstalleerd op alle nieuwe Samsung toestellen. Uitleg licentieovereenkomst; is sprake van "gelijke" Apps? Er is Mocreate uitsluitend een licentie verleend voor specifiek deze Go App, en niet voor iedere app die naar aard en functionaliteit gelijksoortig is aan de Go App. De Rechtbank verklaart voor recht dat de licentieovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. De vordering tot afgifte van de broncode in reconventie wordt afgewezen, omdat Mocreate inmiddels deze heeft verstrekt.

IT 2519

HR: Het hof heeft een ontbindingsgrond in raamovereenkomst gelezen, zonder het verweer dat het een opzeggingsmogelijkheid was, te beoordelen

Hoge Raad 23 mrt 2018, IT 2519; ECLI:NL:HR:2018:426 (Alert Life Sciences tegen Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis), http://www.itenrecht.nl/artikelen/hr-het-hof-heeft-een-ontbindingsgrond-in-raamovereenkomst-gelezen-zonder-het-verweer-dat-het-een-opz

HR 23 maart 2018, IT ; ECLI:NL:HR:2018:426 (Alert Life Sciences tegen Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis) Contractenrecht. Opdracht m.b.t. digitaliseringsproject zorgprocessen ziekenhuis. Ontbindingsbeding.  Project ondervindt vertraging. Aanpassing overeenkomst. Het Hof ontbond de raamovereenkomst [IT 2111]. Fatale termijn gehandhaafd voor het geval de nieuwe deadline niet gehaald wordt? Beroep op beperkende werking redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) onderzocht? Ontbinding of opzegging raamovereenkomst; grond voor schadevergoeding?

Uit de conclusie AG: Deze zaak betreft in hoofdzaak de vraag of JBZ terecht de tussen haar en Alert c.s. gesloten overeenkomsten heeft ontbonden. In cassatie komt achtereenvolgens aan de orde of en in hoeverre partijen met een latere overeenkomst hebben bedoeld van de oorspronkelijke overeenkomst af te wijken (onderdeel 1), of tussen partijen een fatale termijn is overeengekomen (onderdeel 2), of het hof een beroep van Alert c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid over het hoofd heeft gezien (onderdeel 3) en of er voor JBZ een ontbindingsbevoegdheid bestond en Alert c.s. schadevergoeding verschuldigd zijn (onderdeel 4). De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing; de Hoge Raad volgt.  Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat art. 23.8 van de raamovereenkomst een ontbindingsgrond behelst, zonder het essentiële verweer van Alert c.s. te beoordelen, dat slechts sprake was van een mogelijkheid tot opzegging.