IT 2285

Kentekenparkeren wederom niet in strijd met Wbp of EVRM

Hof Amsterdam 16 mei 2017, IT 2285; ECLI:NL:GHAMS:2017:1796 (Kentekenparkeren Amsterdam) Zie eerder IT 2149 en IT 2011. Privacy. Hoger beroep kort geding. Het hof bekrachtigt het vonnis van rechtbank Amsterdam dat het parkeervergunningstelsel geen schending van de privacy is. Volgens het hof is er geen strijd met de Awr, de Wbp of het EVRM. Ook hier wordt het oordeel van het Hof van 7 januari 2016 gevolgd. Dat appellant ervoor kiest om zijn kenteken niet in te voeren vanwege privacyoverwegingen is zijn eigen vrije keuze. Dat hij telkens in bezwaar moet komen tegen de naheffingsbeschikking, maakt niet dat de Gemeente haar parkeerbeleid dient aan te passen. Hof oordeelt tevens dat er onvoldoende spoedeisend belang is en de zaak  zich ook verder niet leent voor een voorziening.

3.1 [appellant] vordert kort samengevat primair een gebod tot het staken van de inning van parkeerbelasting met gebruikmaking van de methodiek van kentekenparkeren. Subsidiair vordert hij dat hem naast het kentekenparkeren een mogelijkheid wordt geboden om zonder het invoeren van een kenteken (anoniem) de verschuldigde parkeerbelasting te kunnen voldoen. Meer subsidiair vordert hij een wijziging van de teksten op de parkeerautomaten zodanig dat kentekenparkeren niet verplicht is en dat voor handhaving een zichtbaar parkeerbewijs achter de voorruit volstaat. Aan zijn vorderingen legt [appellant] ten grondslag dat het systeem van kentekenparkeren in strijd is met de wetgeving met betrekking tot parkeerbelasting en overigens dat het kentekenparkeren een onrechtmatige inbreuk vormt op zijn privacy.
    3.2 De Gemeente heeft verweer gevoerd en, kort samengevat, het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening betwist en overigens bestreden dat er op onrechtmatige wijze inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [appellant] .
    3.3 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. [appellant] heeft een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, nu hij enkele keren per week kan worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag gebaseerd op het natrekken van zijn kenteken. Niettemin komt de gevraagde voorziening niet voor toewijzing in aanmerking nu er geen grond bestaat aan te nemen dat het door de Gemeente gehanteerde systeem van kentekenparkeren zich niet verdraagt met de artikel 20 Awr of andere belastingwetgeving. Evenmin vormt dit verplichte systeem een inbreuk op artikel 8 EVRM of de Wet Bescherming Persoonsgegevens, zoals reeds is geoordeeld in een uitspraak van dit hof van 7 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:146). Dat [appellant] ervoor kiest om zijn kenteken niet in te voeren vanwege privacyoverwegingen is zijn eigen vrije keuze, maar hij heeft rechtens hiertoe geen goede grond. De enkele omstandigheid dat [appellant] als gevolg van zijn keuze steeds in bezwaar (en beroep) moet komen tegen de naheffingsbeschikking, is voor hem vervelend, maar maakt niet dat de Gemeente haar parkeerbeleid dient aan te passen. Van detournement de pouvoir is geen sprake. Ook het elektronisch betalen van een parkeerheffing levert geen onrechtmatige inbreuk op. Aldus de voorzieningenrechter. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.
    3.4.1 Het hof stelt het volgende voorop. Het al dan niet toewijzen van de gevraagde voorziening is mede afhankelijk van de vraag of van eiser kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht. Voorts is van belang of naar voorlopig oordeel de gevraagde voorzieningen in overeenstemming zijn met de redelijkerwijs te verwachten uitkomst van een bodemprocedure. Tevens speelt de omstandigheid een rol of een rechtsvraag aan de orde is waarop het antwoord niet evident is, zodat deze zich niet leent voor een beantwoording in kort geding.
    3.4.2 Het hof overweegt verder dat vast staat dat het systeem van kentekenparkeren als bovenomschreven per 1 juli 2013 is ingevoerd. [appellant] is als voorzitter van de Stichting Privacy First, getuige een brief van de burgemeester van Amsterdam van 18 november 2013, van dit beleid sedertdien op de hoogte. Voorts blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2015 (zaaknummer AMS 14/1512) dat [appellant] reeds op 14 oktober 2013 - na het invoeren van een onjuist kenteken van het door hem geparkeerde voertuig - persoonlijk met de gevolgen van het niet naleven van de voorschriften met betrekking tot het kentekenparkeren is geconfronteerd in de vorm van een aan hem opgelegde naheffingsaanslag . Onder deze omstandigheden, mede gezien het tijdsverloop tussen de invoering van het kentekenparkeren en het instellen van de onderhavige vordering, valt niet in te zien waarom van [appellant] niet kan worden gevergd de onderhavige rechtsvraag in een bodemprocedure aan de orde te stellen. De enkele stelling dat hij elke week kan worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag, omdat hij wel de verschuldigde parkeerbelasting betaalt maar ervan afziet het juiste kenteken van de door hem geparkeerde auto in te voeren, tegen welke naheffingsaanslag hij slechts op kan komen in een bezwaarprocedure, is tegen die achtergrond, mede in aanmerking genomen dat die naheffingsaanslag, indien de verschuldigde parkeerbelasting is betaald, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nummer 15/03528 (ECLI:NL:HR:2016:316) vernietigd wordt, onvoldoende om na al die tijd niettemin (nog) een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening te kunnen aannemen, mede gelet op de verstrekkende aard van de gevraagde voorzieningen.
    3.4.3 Daarnaast geldt nog het volgende. [appellant] grondt zijn primaire en subsidiaire vorderingen op de stelling dat de Gemeente op deze wijze parkeerbelasting heft in strijd met de geldende belastingwetgeving en voorts in strijd handelt met artikel 8 en 18 EVRM en de Wet bescherming persoonsgegevens. Immers het moeten opgeven van een kenteken om rechtsgeldig parkeerbelasting op aangifte te kunnen voldoen vormt volgens hem een inbreuk op de privacy waarvoor geen wettelijke basis bestaat, terwijl er voorts geen sprake is van een maatschappelijke noodzaak en evenmin voldaan wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, als door voornoemde verdragsartikelen vereist.
Met zijn betoog stelt [appellant] daarmee een aantal te onderscheiden maar evenzogoed samenhangende rechtsvragen aan de orde, die zonder nader onderzoek zich niet eenvoudig voor beantwoording lenen, terwijl die beantwoording wel van belang is te achten voor het antwoord op de vraag of de door [appellant] gevraagde voorzieningen zich op enigerlei wijze voor toewijzing lenen. Dat klemt te meer nu de voorzieningenrechter niet ten onrechte heeft gewezen op de uitspraak van dit hof van 7 januari 2016 waarin een groot aantal van deze rechtsvragen reeds door een bodemrechter zijn beoordeeld. Tegen die achtergrond ligt het niet voor de hand om bij wege van voorziening dezelfde rechtsvragen, zonder dat nieuwe omstandigheden zijn opgebracht, opnieuw te beoordelen. Kortom, het hof acht de zaak niet geschikt om in kort geding te worden beslist (art. 256 Rv).
    3.5 De slotsom is dat grieven zich niet voor verdere bespreking lenen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, zij het met verbetering van gronden. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.