IT 2396

Overeenkomst tot het bouwen van een app terecht ontbonden

Rechtbank Limburg 1 november 2017, IT&R 2396 (Luco Alarm tegen Appcomm). Contractenrecht. Luco Alarm heeft in 2014 bij Appcomm een offerte aangevraagd voor de aanschaf van een mobiele app en een voorschot betaald. Een tweede factuur is verstuurd, maar onbetaald gebleven. Begin 2015 heeft Luco Alarm laten weten af te zien van aanschaf van de app, omdat er nog steeds geen goed werkende app is geproduceerd. Zij eist teruggave van het voorschot. Het blijkt dat Appcomm de opdracht heeft onderschat en onvoldoende op de hoogte was van de inhoud en omvang van de opdracht. Dit komt voor haar rekening nu zij deskundige is op het gebied van het bouwen van apps. Luco Alarm heeft verscheidene malen haar ongenoegen kenbaar gemaakt en aangegeven tegen welke problemen zij aanliep. Uiteindelijk heeft Luco Alarm Appcomm een termijn gesteld. Na afloop van deze termijn was er nog steeds geen goed werkende app. Er is daarom sprake van een onaanvaardbare tijdsoverschrijding en dit levert een aan Appcomm toe te rekenen tekortkoming op.

4.5. De kantonrechter overweegt als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat Appcomm de opdracht heeft onderschat en dat zij bij aanvang daarvan onvoldoende op de hoogte was van de inhoud en omvang daarvan. De kantonrechter is van oordeel dat dit voor rekening en risico van Appcomm als deskundige op het gebied van het bouwen van apps komt. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Appcom zich voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte ervan had moeten vergewissen wat de opdracht exact in zou houden, om hoeveel data het ging, en dat zij zich inspanningen had moeten getroosten om de benodigde informatie te achterhalen. Dit heeft Appcom niet althans in onvoldoende mate gedaan, hetgeen ook wel blijkt uit het feit dat namens Appcomm ter zitting is verklaard de opdracht nu anders te hebben aangepakt.

4.6. Uit de tussen partijen gewisselde e-mails blijkt dat Luco Alarm diverse malen haar ongenoegen kenbaar heeft gemaakt en heeft aangegeven tegen welke problemen zij aanloopt. De offerte dateert van februari 2014 en eind december 2014 was er nog steeds geen sprake van een opgeleverde goed functionerende app. Bij e-mail van 26 december 2014 heeft Luco Alarm aan Appcomm een termijn gesteld en aangegeven dat voor het eind van het jaar een deugdelijk werkende app beschikbaar moest zijn. Dit is echter niet gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom sprake van een onaanvaardbare tijdsoverschrijding en levert dit een aan Appcom toe te rekenen tekortkoming op. Luco Alarm heeft daarom op goede gronden de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

4.7. Appcomm voert weliswaar nog aan dat ontbinding niet mogelijk is omdat er sprake is van schuldeisersverzuim omdat de tweede factuur d.d. 2 juli 2014 onbetaald is gebleven, maar de kantonrechter verwerpt dit verweer. Appcomm vermeldt immers op de factuur dat overeenkomstig de offerte 40% in rekening wordt gebracht, maar dit blijkt geenszins uit de offerte. In de offerte staat enkel vermeld dat een vooruitbetaling van 30% wordt gefactureerd en dat bij projecten die langer dan twee maanden duren tussentijds wordt gefactureerd. Zoals hiervoor reeds is overwogen ligt het risico van het langer duren van de werkzaamheden bij Appcomm en blijkt niet dat bij tussentijdse facturering 40% verschuldigd is. Van schuldeisersverzuim is daarom geen sprake.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen. De daarover gevorderde rente, zoals vermeld in punt 3 van het petitum, wordt afgewezen. De vordering tot betaling van het bedrag van € 2.403,00 wordt eveneens toegewezen. Luco Alarm maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de kantonrechter het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.