Overige onderwerpen

IT 502

Kern van ITenRecht

De Balie (nabij het Leidseplein, Amsterdam), donderdag 13 oktober van 12.00 tot 14.00 uur, zie uitnodiging.

Het afgelopen jaar zijn er heel wat interessante uitspraken gewezen rondom Informatie Technologie en het recht (vaak gevonden in het contractenrecht).

Op donderdag 13 oktober van 12:00 - 14:00 organiseert deLex, uitgever van www.ITenRecht.nl, een jurisprudentiebijeenkomst in De Balie, nabij Leidseplein Amsterdam.

Tijdens deze bijeenkomst zullen drie ervaren sprekers (prof. Eric Tjong Tjin Tai, Polo van der Putt en Wouter Seinen) belangrijke en actuele jurisprudentie de revue laten passeren, waarbij zowel aansprakelijkheid van internet dienstverleners, IT-contractenrecht en privacy aan bod komen. In slechts 2 uur bent u volledig op de hoogte over de actuele ontwikkelingen in de rechtspraak. Uitspraken die onder meer aan de orde komen zijn L’Oreal/eBay, inzake IT-contracten: Melkrobots, Ordina/Econocom, Fleetlogic/OTS, en Pink & Nelson/Outdare. Ook privacy-aspecten waaronder deze komen aan de orde.

Kosten
Deelname € 195,- per persoon (excl. BTW).
Sponsors van onze communities krijgen 10% korting.

Hier aanmelden

IT 496

Werkwijzen digitaal loket

In verband met de problemen met de veiligheidscertificaten van Diginotar is het Digitale Loket Rechtspraak gesloten. Daarmee zijn het Digitaal Loket Bestuursrecht en de verschillende roljournalen buiten gebruik.

Lees meer hier.

IT 469

Registratie zegt niets

Hof Leeuwarden 12 juli 2007 LJN BR5585 (verzoekster tegen Stichting Inschrijving Op Naam)

Geen recht op verwijdering persoonsgegevens uit huisartsenregister (ION). Het enkele feit dat met de registratie duidelijk kan worden bij welke huisarts zij als patiënt staat ingeschreven, zegt over haar geestelijke of lichamelijke gezondheid niets, ook niet als de persoon van die arts bij deze beoordeling wordt betrokken. Dat betekent dat artikel 16 juncto 21 Wbp toepassing mist.

6.  Het hof stelt voorop dat de door ION geregistreerde gegevens noch expliciet, noch impliciet betrekking hebben op de gezondheid van [verzoekster]. Het enkele feit dat met de registratie duidelijk kan worden bij welke huisarts zij als patiënt staat ingeschreven, zegt over haar geestelijke of lichamelijke gezondheid niets, ook niet als de persoon van die arts bij deze beoordeling wordt betrokken. Dat betekent dat artikel 16 juncto 21 Wbp toepassing mist.

10.  Aan [verzoekster] moet worden toegegeven dat de registratie - zoals elke registratie van persoonsgegevens - haar persoonlijke levenssfeer raakt. Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre haar recht op bescherming daarvan wordt aangetast, dient echter wel te worden bedacht dat de geregistreerde gegevens slechts toegankelijk zijn voor huisartsen en zorgverzekeraars, en in wezen slechts inzichtelijk maken bij welke huisarts [verzoekster] staat ingeschreven. Niet is aangevoerd dat daar wat betreft de zorgverzekeraars enig bezwaar tegen bestaat; [verzoekster] richt haar pijlen
uitsluitend op het feit dat andere huisartsen dan degene bij wie zij staat ingeschreven, die informatie tot zich kunnen nemen. De gevoeligheid van de gegevens is dus tot dat feit beperkt.

11.  De in het licht van al het voorgaande te maken belangenafweging kan naar het oordeel van het hof niet de conclusie dragen dat de fundamentele rechten en vrijheden van [verzoekster] in de weg staan aan de registratie van haar persoonsgegevens in de database. Dat betekent dat die gegevens niet geacht kunnen worden in strijd met een wettelijk voorschrift te zijn verwerkt. Het in artikel 36 Wbp geregelde recht om verwijdering van die gegevens te verzoeken, komt [verzoekster] dan ook niet toe. De bestreden beschikking zal reeds om die reden worden bekrachtigd. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

12.  Teneinde aan de bezwaren van [verzoekster] tegemoet te komen, zijn zowel de historische gegevens (definitief) als de persoonsgegevens door ION uit het bestand verwijderd, en voert ION nadien periodiek een handmatige controle uit. Daardoor kan alleen nog sprake zijn van door haar nietgewenste registratie van de persoonlijke gegevens van [verzoekster] gedurende maximaal drie maanden. Indien ION maatregelen zou moeten nemen om uit te sluiten dat gedurende een dergelijke, korte periode een andere dan [verzoekster]s eigen huisarts zou kunnen zien wie haar huisarts is, dan zou (naar ten pleidooie onbestreden is gebleven) een investering noodzakelijk zijn van tussen de € 50.000,= en € 100.000,=. Sinds de invoering van de registratie is [verzoekster] de enige die om een dergelijke verstrekkende aanpassing van het systeem heeft verzocht. Een belangenafweging zou ook om die reden in de weg staan aan honorering van het verzoek.

IT 463

Elektronische marktplaatsen niet meer neutraal

M. Driessen 'Elektronische marktplaatsen niet meer neutraal', FD 11 augustus 2011

Met dank aan Marjolein Driessen, Legaltree.

Uitspraak van Europese Hof van Justitie is verrassend en heeft verstrekkende consequenties, misschien zelfs voor Google

Elektronische marktplaatsen zoals eBay kunnen vanaf nu aansprakelijk worden gesteld als op hun platforms inbreuk makende artikelen door derden worden aangeboden en verkocht. Ze zijn dus naast de commerciële aanbieders zelf ook aansprakelijk. Dat heeft de hoogste rechter, het Europese Hof van Justitie, onlangs geoordeeld in een procedure die door cosmeticaproducent L’Oréal werd aangespannen tegen veilingsite eBay. Een verrassende uitspraak [IEF 9932 en 9961].

De talloze elektronische marktplaatsen— zoals de bekende eBay, Marktplaats en Speurders.nl, maar ook minder bekende als Woonwinkelplaats.nl, Kindermarkt. nu en Marktkrantje.nl — werden tot voor kort slechts gezien als neutrale tussenpersonen. In deze functie slaan ze — op verzoek van afnemers—content zoals advertenties op en geven die weer op hun site en kunnen ze een beroep doen op uitsluiting van aansprakelijkheid op basis van de Europese ‘E-commerce Richtlijn’.

Alleen in sommige gevallen is aansprakelijkheid niet uitgesloten. Namelijk als (1) de tussenpersoon weet dat de opgeslagen content onwettig is en bijvoorbeeld merkinbreuk oplevert en hij die content niet prompt verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt, en/of (2) als die tussenpersoon een actievere rol vervult dan het slechts automatisch en ongewijzigd plaatsen van de opgeslagen content op de site.

Van elektronische marktplaatsen werd daarom altijd aangenomen dat ze neutraal waren en dus uitgesloten van aansprakelijkheid.

Op 12 juli oordeelde het Europese Hof van Justitie echter anders: elektronische marktplaatsen kúnnen aansprakelijk zijn voor de verkoop van inbreuk makende producten via hun website. Een elektronische marktplaats neemt volgens het hof géén neutrale positie in tussen de verkopers en (potentiële) kopers als hij de verkoopaanbiedingen die worden gedaan via de website optimaliseert of bevordert. EBay lijkt dat te doen.

Zo heeft eBay AdWords bij Google ingekocht, zoals ‘L’Oréal’, die zij koppelt aan advertenties voor L’Oréal-producten die via haar site worden aangeboden, om zodoende meer bezoekers op zijn websites te genereren. EBay helpt verkopers bovendien desgewenst hun aanbod te optimaliseren, de verkoop te bevorderen en online winkels op te zetten. Daardoor heeft zij kennis van of controle gekregen over de gegevens betreffende die aanbiedingen en lijkt zij een actieve rol in het verkoopproces te vervullen. Of dat inderdaad zo is, is nu aan de Engelse rechter, die de kwestie heeft voorgelegd aan het Europese Hof, om te beoordelen. Ook in het licht van de vorig jaar verschenen arresten van het Europese Hof inzake Google’s Ad- Words is deze uitspraak opmerkelijk.

Google biedt adverteerders tegen betaling AdWords aan, die bijvoorbeeld bestaan uit het merk van een concurrent. Google doet daarbij — op eigen initiatief — suggesties bij de selectie van die AdWords. Meerdere partijen, waaronder het Franse modehuis Louis Vuitton, startten een procedure tegen Google. Als een internetgebruiker op bijvoorbeeld Louis Vuitton zocht, kwam hij onder meer terecht bij gesponsorde links van aanbieders van namaakartikelen. Volgens het hof maakt Google zelf geen merkinbreuk en kan zij niet aansprakelijk worden gesteld. Google zou namelijk wel een neutrale rol spelen. Dat Google suggesties doet die kunnen bestaan uit het merk van de concurrent, en helpt bijde selectie van Ad- Words, verandert daar niets aan. Het is echter de vraag of de rol van Google zo veel neutraler is dan die van eBay.

Hoe kunnen elektronische marktplaatsen trachten te voorkomen dat ze aansprakelijk worden gesteld? Door in de eerste plaats de advertenties van inbreukmakende producten zo snel mogelijk te verwijderen wanneer bekend is geworden dat het om inbreuk gaat. Daarnaast is het raadzaam vooral geen al te actieve rol in te nemen bij het opstellen van de advertenties en het vestigen van de aandacht op deze advertenties, bijvoorbeeld door gebruik te maken van AdWords die bestaan uit —andermans — merknamen.

Bovendien is het opstellen van een protocol voor de handelwijze als er inbreuk wordt gemeld of vermoed, geen overbodige luxe. De grote, bekende marktplaatsen hebben een dergelijk protocol al, maar voor het merendeel van de kleinere spelers is hier nog wel een rol weggelegd.

De consequenties van deze uitspraak van het hof kunnen verstrekkend zijn. Als elektronische marktplaats is het verstandig hierop te anticiperen en maatregelen te nemen die de kans op aansprakelijkheid verminderen.

IT 451

Niet de juiste bedrijfslicentie

Via tweakers: De Chinese overheid heeft twee nagemaakte Apple Stores gesloten, maar kan daar bij drie andere winkels niet toe overgaan, omdat ze geen nagemaakte Apple-producten verkopen. De gesloten winkels hadden niet de juiste bedrijfslicentie.

Zie de foto's hier.

 

IT 446

Verwijst naar universiteit

WIPO Arbitration and Mediation Center. Geschillenbeslechter 30 juni 2011, zaaknr. D2011-0636 (Cooperative Unive U.A. tegen Ashantiplc Ltd en Domain Name Privacy LLC, inzake unive.com)

Domeinnaamrecht. Merkennaamrecht. WIPO geschillenbeslechting. Woord "unive" wordt wijdverbreid gebruikt, vaak als afkorting van universiteit. Uit klacht valt niet af te leiden dat verweerder op de hoogte had moeten zijn van het merk van klager. Klacht heeft geen kwade trouw van verweerder aangetoond. Klager heeft klacht niet onderbouwd en probeert WIPO Panel te misleiden, dus sprake van kwade trouw van klager. Misbruik van procesrecht. Klacht is afgewezen.

The record shows that “unive” is a term in widespread use both as a truncation of ‘university’ and with other meanings. Furthermore, it is clear to the Panel that, while the term can refer to the Complainant’s trademark, the overwhelming search association of the term “unive” is to subject matter relating to universities. Moreover, the Panel finds that there is nothing in the Complaint (including annexes) to indicate that (i) the Respondent was or should have been aware of the Complainant or its mark when it registered the disputed domain name, (ii) the Respondent ever used the disputed domain name for any insurance-related matter or directed its contents to Internet users in The Netherlands, or (iii) the Respondent targeted the Complainant or its trademark in any way at any time.

The Complaint contains no allegation of facts from which bad faith on the part of the Respondent could reasonably be inferred, and absolutely no evidence of such. The Complainant effectively asserts that any person who uses the term “unive” in any way is ipso facto acting in bad faith, solely by virtue of the Complainant’s trademark. The Complainant does not describe or provide evidence of the use to which Respondent put the disputed domain name other than a screenshot of the website associated with the disputed domain name, which incidentally supports the Respondent’s contention that it uses the term in connection with its association with universities. The Complainant merely asserts that the Respondent’s use is “commercial”.

Lees de gehele uitspraak hier (link / pdf)

IT 448

Kamervragen Rijks ICT-dashboard geven hoop op verbetering

In navolging van IT 447 en met dank aan Michaël van Leeuwen, ICTRecht

Het in mei gelanceerde Rijks ICT-dashboard heeft een eerste ronde aan Kamervragen te verwerken gekregen. Minister Piet Hein Donner gaat in op de vragen van Pierre Heijnen (PvdA), die van verschillende kanten werden opgeworpen. Niet alleen schreef ik er op 20 mei een bericht over, ook Binnenlands Bestuur wijdde er later een uitgebreid artikel aan getiteld “Rijk lijkt open over ICT-projecten, maar schijn bedriegt.”

Heijnen stelt interessante vragen, bijvoorbeeld:

Deelt u de mening dat er, omdat de kleuren worden vastgesteld op basis van vergelijking met de laatst afgesproken wijziging van het project, een vertekend beeld kan ontstaan over de mate waarin de voortgang van grote ICT projecten onder controle is? Is dit regime niet wat al te soepel? Zou het niet transparanter zijn om de kleuren te baseren op wat de oorspronkelijke kosten en planning van een project waren?”

Donner geeft hierop het volgende antwoord:

Nee, alle herijkingen op een project sinds de start van het project zijn namelijk met toelichting terug te vinden in het ICT-dashboard. Ik beraad me wel op een aanpassing van het ICT-dashboard waarbij de kleur niet alleen wordt vastgesteld op basis van de afwijking ten opzichte van de laatste herijking, maar waarbij ook alle tussenliggende herijkingen in beschouwing worden genomen.

De wijze waarop het dashboard nu met de herijkingen omgaat kan de volgende situatie opleveren: Er wordt een project opgestart met als beoogde einddatum 31 december 2008 en een budget van 56 miljoen euro. Eind 2008 blijkt de beoogde einddatum toch niet haalbaar te zijn en is er ook wat extra budget nodig: 12 miljoen euro. Enkele herijkingen later staat de beoogde einddatum op 1 juli 2010, wordt er een bedrag van 206 miljoen euro genoemd en is het project, op 22 juli 2011, nog altijd niet afgerond.

Klinkt niet bepaald als een vlekkeloos verlopen project, maar het dashboard besluit er toch een “10″ op te plakken. Ongeloofwaardig? Inderdaad, maar helaas is het geen fictie maar een echt bestaand project bij de Belastingdienst voor het vervangen van de toeslagensystemen. Hoe kunnen de doorlooptijd en kosten van dit project de hoogste score halen als de einddatum die genoemd wordt al ruim een jaar verstreken is en de kosten nog altijd doorlopen?

De methode die nu wordt gehanteerd voor het toekennen van scores verdient een aanpassing. Er wordt nu in het geheel niet gekeken naar de actuele kosten versus de oorspronkelijk begrote kosten. De herijking zorgt voor een nieuwe pot met geld en daarmee lijkt in het dashboard de oorspronkelijke zak met geld een afgesloten zaak te zijn. Dit terwijl de herijking miljoenen aan extra kosten kan bevatten voor het onderdeel dat met het initieel vastgestelde budget dus niet volledig was afgerond. Maar bij de beoordeling wordt niet gekeken naar de oorspronkelijke schatting, maar naar de laatste bijstelling. Zoals Donner het toelicht: “Daarbij wordt de meest actuele schatting vergeleken met de laatste door de opdrachtgever vastgestelde herijking. Indien er (nog) geen herijkingen zijn, wordt vergeleken met de initiële schatting.”

Wat het Amerikaanse voorbeeld nu juist enige geloofwaardigheid geeft is dat er een flink aantal projecten wordt weergegeven dat helemaal geen “groene” beoordeling of een tien als totaalscore krijgt. Als dat Amerikaanse dashboard dan zo’n grote inspiratiebron was, neem daar dan ook echt een voorbeeld aan bij volgende versies van het Rijks ICT-dashboard en zorg voor échte transparantie. Verplicht de ministeries tot het geven van regelmatige tussentijdse updates over kosten, voortgang en de beoogde einddatum en laat die ook opnemen in het Rijks ICT-dashboard zodat er een actueel overzicht ontstaat. En hanteer een andere scoringssystematiek dan de huidige.

IT 425

Game law, game over

Met dank aan Thomas van Essen, SOLV

In Nederland zijn gewelddadige computergames altijd al een onderwerp van gesprek geweest. Eens in de zoveel tijd doet een politieke partij een oproep om gewelddadige games te verbieden of althans de verkoop ervan aan banden te leggen. Zo ver is het nog niet gekomen.

In California is dit anders. De staat California heeft in 2005 een wet aangenomen die de verkoop en verhuur van gewelddadige videogames aan minderjarigen verbiedt. Sindsdien is deze wet het onderwerp van een lang juridisch gevecht waaraan met de uitspraak van het Supreme Court (het hoogste rechtscollege in de VS) nu een einde lijkt te zijn gekomen. Het Supreme Court acht de wet in strijd met de in het First Amendment neergelegde vrijheid van meningsuiting.

De gewraakte wet heeft, kort gezegd, betrekking op games waarin de speler de mogelijkheid heeft om op mensen gelijkende afbeeldingen te vermoorden, te verminken, van ledematen te ontdoen of seksueel te belagen op een manier die in strijd is met wat in de samenleving als geschikt voor minderjarigen wordt aangemerkt. 

De rechtsvraag die speelt, is of deze wet een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in het First Amendment betekent. Het Supreme Court kijkt daarbij eerst of videogames onder de vrijheid van meningsuiting vallen, oftewel of er sprake is van protected speech. Indien dit inderdaad het geval is, wordt bekeken of er een gegronde reden bestaat om de vrijheid van meningsuiting te beperken, oftewel of er een compelling government interest bestaat.

Protected speech
Over de vraag of videogames onder de bescherming van de First Amendment vallen, bestaat volgens het Supreme Court geen twijfel. Evenals boeken, toneelstukken en films communiceren games ideeën en zelfs sociale boodschappen. De overheid mag hierop geen censuur toepassen.“[A]s a general matter,… government has no power to restrict expression because of its message, its ideas, its subject matter, or its content”. Het Supreme Court geeft daarbij tevens aan dat het basis principe van vrijheid van meningsuiting niet verandert wanneer er een nieuw en ander medium voor communicatie verschijnt. 

Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Het gaat hier om uitingen die obscenity, incitment en fighting words betreffen. Beperking van de vrijheid van meningsuiting is alleen voor wat betreft deze beperkte categorieën toegestaan. Het Supreme Court oordeelt dat het niet mogelijk is om nieuwe categorieën van uprotected speech te creëren door een afweging van belangen toe te passen. In de Verenigde Staten bestaat geen traditie waarin specifiek de toegang tot gewelddadige afbeeldingen voor kinderen wordt beperkt. Zo geeft het Supreme Court aan dat de sprookjes van de gebroeders Grimm het nodige geweld bevatten evenals de Odyssey van Homerus waarin de cycloop Polyphemus zijn oog wordt uitgestoken met een brandende stok.

Tot slot voert Califonia nog aan dat videogames een speciaal probleem vormen omdat ze interactief zijn en de speler zo meedoet aan het geweld en de uitkomst ervan bepaalt. Volgens het Supreme Court wordt dit door de staat California echter niet voldoende aangetoond.

Compelling government interest
Omdat de wet de vrijheid van meningsuiting beperkt, is deze ongeldig tenzij California kan aantonen dat “it is justified by a compelling government interest and is narrowly drawn to serve that interest”. Met andere woorden, er moet een specifiek geïdentificeerd probleem zijn dat een oplossing vereist en waarbij de beperking van de vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk noodzakelijk is voor die oplossing. California slaagt er niet in dit aan te tonen.

Califonia kan geen directe link aantonen tussen gewelddadige videogames en geweld jegens minderjarigen. Volgens California is dit bewijs niet nodig en kan het Supreme Court op basis van psychologische onderzoeken bepalen dat een dergelijke band bestaat. Het Supreme Court verwerpt deze stelling. De psychologische onderzoeken waarop California zich beroept tonen niet aan dat gewelddadige videogames de oorzaak zijn van agressief handelen van minderjarigen. Ze tonen hoogstens aan dat er een correlatie is tussen het blootstellen aan geweld en minuscule effecten in de real-world. Deze effecten zijn klein en verschillen niet van de effecten die worden veroorzaakt door andere media.

Deze conclusie houdt in dat California, om het door haar opgeworpen probleem op te lossen, niet alleen videogames zou moeten verbieden maar bijvoorbeeld ook het uitzenden van cartoons waarin geweld voorkomt aan banden zou moeten leggen. Doordat Califonria dit niet doet, streeft zij niet zozeer een gerechtvaardigd doel na, maar benadeelt ze slechts één specifiek medium.

Tot slot stelt California dat de wet ouders helpt om te garanderen dat zij kunnen bepalen welke games goed zijn voor hun kinderen. Ook dit argument wordt door het Supreme Court gepasseerd. De aanbieders van videogames hebben al een (vrijwillig) systeem ingevoerd waarbij elke videogame in een categorie wordt ingedeeld (bijvoorbeeld EC: early childhood en AO: Adult only – older than 18). Een wet die de verkoop van videogames aan minderjarigen verbiedt, voegt hier niet veel aan toe. Bovendien is de wet te vergaand omdat er ook ouders zijn die het niet erg vinden wanneer hun kind gewelddadige videogames speelt.

Conclusie
Op grond van het bovenstaande komt het Supreme Court tot de conclusie dat de wet die de verkoop van gewelddadige videogames aan minderjarigen verbiedt, een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Overigens was de uitspraak niet unaniem. Twee van de negen rechters waren een andere mening toegedaan. Deze zogenaamde dissenting opinion zijn ook gepubliceerd. Vooral die van Judge Breyer is de moeite waard. Zo verzucht hij dat het toch vreemd is dat een dertienjarige geen magazine mag kopen waarop een naakte vrouw is afgebeeld maar dat hij wel een videogame mag spelen waarin hij dezelfde vrouw vastbindt, martelt en vervolgens vermoordt zolang ze maar niet naakt is. De uitspraak en de dissenting opinions geven zo een mooi inkijkje in de Amerikaanse samenleving.

Lees hier de uitspraak en de concurring en dissenting opinions.