IT 26

Directe, indirecte en gevolgschade: helemaal niet angelsaksisch

Termen die je vaak tegenkomt in IT-contracten zijn directe, indirecte en gevolschade. De soms geopperde gedachte dat het om een nieuwe, van oorsprong Amerikaanse term zou gaan, wordt gelogenstraft door het feit dat men de term al kan aantreffen in jurisprudentie uit de jaren zestig en zeventig, aldus prof.dr.mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai in het artikel "Directe schade in het contractenrecht", eerder gepubliceerd in Maandblad voor Vermogensrecht: MvV 2007/11, p. 226-231.

"Een term die men in de contractuele praktijk regelmatig ontmoet is ‘directe schade’. Een toelichting ontbreekt echter veelal: men lijkt te veronderstellen dat de betekenis van deze term bekend is. Zij wordt vaak gebruikt in exoneratiebedingen, in het bijzonder in de ICT-branche. Er wordt dan een onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte schade. Vaak wordt voor directe schade een aansprakelijkheidslimiet overeengekomen en wordt voor indirecte schade algeheel geëxonereerd. Ook de term ‘gevolgschade’ wordt wel gebruikt in onderscheid van en afgezet tegen directe schade. Een enkele keer ontmoet men een exoneratie voor zowel indirecte als gevolgschade. De soms geopperde gedachte dat het om een nieuwe, van oorsprong Amerikaanse term zou gaan, wordt gelogenstraft door het feit dat men de term al kan aantreffen in jurisprudentie uit de jaren zestig en zeventig.

[...]

Indien geen nadere invulling wordt gegeven aan het paar directe/indirecte schade dient dit mijns inziens als niet meer dan een verwijzing naar de toerekenbaarheid te worden opgevat, die dus niets toevoegt aan het vereiste van art. 6:98 BW."

Lees het artikel hier.

IT 76

Europese Commissie consulteert markt voor evaluatie E-commerce Richtlijn

De E-commerce Richtlijn (Richtlijn 2000/31/EC) is alweer 10 jaar oud. De hoogste tijd voor het opmaken van de balans. Die balans valt toch wel wat tegen. Volgens de Europese Commissie is namelijk gebleken dat in de afgelopen 10 jaar e-commerce nog geen 2% van de Europese retailhandel vertegenwoordigt. De Europese Commissie wil onderzoeken wat de oorzaken zijn van deze toch nog beperkte rol van e-commerce in het Europese handelsverkeer. De Europese Commissie heeft hiertoe een consultatieronde geopend om te horen wat de ervaringen en gedachten van de relevante marktpartijen zijn

Met dank aan Ernst-Jan van de Pas, Dirkzwager advocaten.

Iedereen die een belang heeft bij e-commerce wordt uitgenodigd om mee te denken en hun ervaringen te delen op een aantal onderwerpen, zoals over het ontwikkelingsniveau van diensten in de informatiemaatschappij, contractuele beperkingen inzake internationale (cross-border) online verkopen, het beslechten van online geschillen. Hiervoor is een vragenlijst beschikbaar gesteld die uiterlijk 15 oktober a.s. ingestuurd dient te zijn. Daarna zal de Europese Commissie de ingestuurde input bestuderen.

Meer informatie over dit onderwerp, inclusief een link naar de betreffende vragenlijst, treft u aan op de website van de Europese Commissie.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/08/12/europese-commissie-consulteert-markt-voor-evaluatie-e-commerce-richtlijn/

IT 25

Geen uitgebreide documentatie voor inrichting standaard software

Rechtbank 's-Hertogenbosch, 11 augustus 2010 (nog niet gepubliceerd), zaaknummer/ rolnummer 192206/09-967, Qurius Nederland B.V. tegen CPH Chemicals B.V. (met dank aan Marianne Korpershoek, Louwers IP/Technology Advocaten), CPH en Qurius komen overeen dat Qurius standaard Microsoft software zal leveren en inrichten. Daarbij wordt tevens overeengekomen dat Qurius projectdocumentatie dient op te leveren van de door Qurius te ontwikkelen onderdelen. CPH vordert een verklaring voor recht dat Qurius gehouden is projectdocumentatie met betrekking tot alle door Qurius voor CPH ontwikkelde software - waarin de door die software geboden functionaliteit en de technische werking van die software gedetailleerd zijn beschreven volgens de daarvoor gebruikelijke standaarden.

De rechter wijst deze verklaring voor recht af met de volgende motivering: "Qurius stelt immers onweersproken dat Navision een product van Microsoft is met veel standaardfuncties, zodat het werk van Qurius (grotendeels) het 'inrichten' (ook genaamd: 'parametriseren') van de standaardfuncties behelst, waarbij Qurius niets meer doet dan aan- of uitvinken van keuzes in de standaardsoftware van Microsoft, op CPH afgestemde layouts en teksten invoeren en verbindingen maken tussen verschillende softwareproducten. Aan het voorgaande verbindt Qurius, evenmin weersproken, de conclusie dat voor dergelijke werkzaamheden (in de branche, naar de rechtbank begrijpt) geen noemenswaardige) documentatie wordt verwacht omdat een bekwaam vakgenoot ook zonder documentatie desgewenst kan zien wat Qurius heeft gedaan en daaraan verder kan werken. Bij deze stand van zaken lag het op de weg van CPH om concreet toe te lichten welke (rnaatwerk)onderdelen nog niet naar behoren door Qurius zijn gedocumenteerd, hetgeen zij heeft nagelaten."

Lees de uitspraak hier

IT 24

Met dank aan Tros Radar......

Het leek allemaal zo mooi. Pretium en CPM ( een aanbieder van callcenter diensten) zijn een mooie samenwerking aangaan. Sinds november 2005 verricht CPM namelijk tegen betaling al haar telemarketingactiviteiten enkel ten behoeve van Pretium. Partijen leggen dat vast in een "Term Sheet voor het sluiten van een definitieve overeenkomst". Totdat TROS Radar met een verborgen camera opnamen maakt tijdens een training van nieuwe telemarketingmedewerkers bij CPM. 

De opnamen leggen pijnlijk bloot dat CPM zich niet aan het callscript houdt door zich zeer onbeschoft en intimiderend uit te laten tegenover potentiële nieuwe klanten en door het verstrekken van onjuiste informatie aan potentiële nieuwe klanten.

Pretium probeert de uitzending nog in kort geding tegen te gaan, maar tevergeefs. CPM wil niet als zelfstandige partij in dat kort geding optreden.

De uitzending van TROS Radar is in ieder geval het einde van een mooie samenwerking. Pretium ontbindt direct daarop de eerder genoemde Termsheet, wegens wanprestatie. Pijnlijk voor CPM, want die werkt uitsluitend voor Pretium. De beëindiging heeft voor haar dus vergaande consequenties.

CPM betwist de ontbinding, en besluit daarop zelf te ontbinden. Het resulteert in een rechtzaak. Wie heeft er nu gelijk?

CPM trekt voorlopig aan het langste eind. De rechter overweegt dat er geen sprake is van een handelwijze, die de onmiddellijke ontbinding met genoemde verstrekkende gevolgen voor CPM rechtvaardigt, mede gezien de verstrekkende gevolgen hiervan voor CPM:
"Het valt niet in te zien waarom hetgeen in de uitzending van TROS Radar te zien was zodanig anders/ernstiger was, dat het een onmiddellijke ontbinding rechtvaardigde, zonder daaraan voorafgaand de gebruikelijke terugkoppeling te geven. Dit was wellicht anders geweest indien Pretium reeds eerder zou hebben aangegeven dat, indien CPM op deze wijze zou blijven doorgaan, dit de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg zou hebben, maar van een dergelijke mededeling is niet gebleken. Het handelen van de medewerkers van CPM rechtvaardigde de ontbinding dan ook niet. Een en ander temeer daar de gevolgen van de ontbinding voor CPM zeer verstrekkend waren." 

De rechter stelt ook vast dat de handelwijze direct verzuim oplevert, omdat vaststaat "dat die tekortkoming niet meer te herstellen was, zodat juiste nakoming van de overeenkomst blijvend onmogelijk was. Immers, het kort geding was al geweest zodat CPM Pretium daarbij niet meer kon bijstaan, en het handelen van de medewerkers van CPM kon niet meer worden teruggedraaid, terwijl sommige potentiële klanten al door die handelwijze benadeeld waren en daarmee Pretium DM benadeeld was." Dit lijkt haaks te staan op voornoemde redenering dat "dit was wellicht anders geweest indien Pretium reeds eerder zou hebben aangegeven dat, indien CPM op deze wijze zou blijven doorgaan, dit de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg zou hebben, maar van een dergelijke mededeling is niet gebleken." 

De visie over verzuim is discutabel. De tekortkoming is nog wel te herstellen, alleen de schade van Pretium als gevolg van die tekortkoming is definitief geleden. Dus alleen voor die schade is dan geen verzuim vereist. Beargumenteerd kan worden dat voor de ontbinding wel verzuim vereist was, en had de rechter het op die grond reeds kunnen laten afketsen.

Lees hier de uitspraak.

IT 23

Pyrrhus overwinning VVD

Deze overwinning van de VVD heeft alleen niks met de verkiezingen te maken. Het betreft een mislukte automatisering, die ziet op de levering van onder meer vvd.net. De rechtbank Rotterdam komt in een uitgebreid vonnis tot de conclusie dat de leverancier tekort is geschoten in die levering.

De vraag is wat deze overwinning de VVD brengt (nee, geen flauw bruggetje naar de verkiezingen). In de contractuele voorwaarden is afstand gedaan van ongedaanmakingsverplichtingen, en de aansprakelijkheid voor schade is aanzienlijk beperkt. De rechtbank overweegt dat deze bepalingen in de gegeven omstandigheden niet onredelijk zijn. De zaak wordt uiteindelijk verwezen naar een schadestaat procedure. Lees hier het uitgebreide vonnis.

IT 66

Meer duidelijkheid op komst over beschermingsomvang software

Het auteursrecht beschermt de concrete uitwerking van een idee, maar het abstracte (achterliggende) idee zelf blijft onbeschermd. Software – dat naar zijn aard mede uit abstracte ideëen bestaat – wordt in beginsel door het auteursrecht beschermd. Onlangs is de Engelse zaak SAS Institute v. World Programming gewezen die juist over dit onderscheid abstract/concreet bij de bescherming van software gaat. Deze zaak leidt waarschijnlijk tot vragen aan het Hof van Justitie en daarmee waarschijnlijk tot ook meer duidelijkheid over de beschermingsomvang van software (ook in Nederland.

Met dank aan Mark Jansen, Dirkzwager advocaten.

Software Europees beschermd dankzij Softwarerichtlijn

Het auteursrecht is nationaal recht en verschilt daarmee per land. Tegelijk is het zo dat in de Europese Unie steeds meer wetgeving geharmoniseerd wordt. De regels over de bescherming van software zijn in 1991 door middel van de Softwarerichtlijn geharmoniseerd (die richtlijn is onlangs min of meer ongewijzigd hernieuwd vastgesteld).

Volgens de softwarerichtlijn wordt in beginsel alle software beschermd die oorspronkelijk is. Daarvoor mag slechts worden getoest of de software “een eigen schepping van de maker is” (artikel 1 lid 3 Softwarerichtlijn). Niet-oorspronkelijke software wordt dus niet beschermd. Een programmeur die software van anderen overneemt, kan dus daarvoor geen bescherming inroepen.

Onderscheid tussen abstrace (vrije) idee en concrete (beschermde) uitwerking van dat idee

De richtlijn bepaalt verder, heel ruim, dat van de software de “uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook” wordt beschermd. Het gaat om de concrete uitwerking in programmeertaal (en objectcode) en niet om de achterliggende “ideeën en beginselen” die aan het programma en de interfaces (*) daarvan ten grondslag liggen. Die zijn namelijk niet zijn beschermd, aldus de richtlijn.

Dit onderscheid tussen de uitdrukkingswijze enerzijds en de ideeën en beginselen anderzijds lijkt wellicht eenvoudig, maar dat is het lang niet altijd, juist omdat software naar zijn aard een wat abstract type werk is.

Engelse casus: aanbieden concurrerende software die een scripttaal in bestanden marktleider correct kan inlezen en uitvoeren

Illustratief is hetgeen speelt in de Engelse procedure (met dank aan het Engelse blog IPKat voor de leesbare samenvatting). SAS Institute heeft software ontwikkeld waarmee statistische analyses uitgevoerd kunnen worden. In dit programma kunnen gebruikers eigen kleine programma’s schrijven in een door SAS daarvoor uitgevonden programmeertaal. Die functionaliteit is kennelijk erg populair, want veel gebruikers hebben eigen programma’s geschreven die werken in de software van SAS.

De gedaagde, World Programming, zag een gat in de markt en ontwikkelde eigen software die de in de programmeertaal van SAS geschreven programma’s kon uitvoeren. Ze schreef deze software geheel zelfstandig en dus ook zonder gebruik te maken van bijvoorbeeld de broncodes van SAS.

SAS begon daarop een procedure tegen World Programming. In deze procedure stelde zij dat World Programming, door software te maken die programma’s geschreven in haar programmeertaal correct kan inlezen en uitvoeren, inbreuk maakte op haar auteursrechten op zowel de handleidingen van haar software (waarin de functies van deze programmeertaal werden beschreven) als op de auteursrechten op die software zelf.

Vragen aan het Hof van Justitie vereist

De Engelse rechter gaat uitvoerig op deze kwestie in en schetst veel van de juridisch relevante achtergronden. De eindconclusie is echter dat hij niet zeker weet hoe de softwarerichtlijn nu geïnterpreteerd moet worden en daarmee hoe deze kwestie nu beslecht moet worden. Hij concludeert dat er vragen gesteld moeten gaan worden aan het Europese Hof van Justitie over de uitleg van de softwarerichtlijn.

Beide partijen krijgen nu de kans om suggesties in te dienen voor de vragen die gesteld moeten worden en voor de formulering daarvan. Welke vragen precies zullen worden gaan gesteld is daarmee nog niet geheel zeker. Uit de conclusies van de Engelse rechter kan echter al wel worden afgeleid dat deze vragen vermoedelijk in ieder geval zullen zien op:

  • de vraag of een programmeertaal als zodanig auteursrechtelijk beschermd is en zo ja, in welke mate dan;
  • de vraag of zogenaamde interfaces (*) vrijelijk mogen worden gekopieerd wanneer dit kan zonder daarvoor de objectcode van het betreffende programma te moeten decompileren;
  • de vraag in hoeverre het auteursrecht bescherming geeft tegen het kopieren van de funties van een programma, althans tegen het aanbieden van een concurrerend computerprogramma met equivalente functionaliteit;
  • de vraag in hoeverre het recht dat de maker van een computerprogramma toekomt op grond van de softwarerichtlijn, net zo moet worden uitgelegd als het reproductierecht in een latere Europese richtlijn over bepaalde aspecten van het auteursrecht in de informatiemaatschappij;
  • de vraag hoe ver het recht strekt van een rechtmatige gebruiker van software om het “programma te observeren, te bestuderen en uit te testen , ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen” (artikel 5 lid 3 Softwarerichtlijn).

Wachten op de antwoorden van het Europese Hof

Het is te hopen dat deze vragen inderdaad aan het Europese Hof van Justitie worden voorgelegd (dat gebeurt bijvoorbeeld niet indien de zaak alsnog geschikt wordt). Het zou immers de eerste keer zijn dat Hof duidelijkheid geeft over de mate waarin software door het auteursrecht beschermd wordt.

Wij zullen u op deze kennispagina informeren wanneer de vragen aan het Hof van Justitie definitief zijn geformuleerd en (uiteraard) wanneer deze vragen door het Hof van Justitie zijn beantwoord.

(*) De softwarerichtlijn definieert “interfaces” als de onderdelen van het programma die koppeling en interactie tussen componenten van een systeem verzekeren.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op http://dirkzwagerieit.nl/2010/08/04/meer-duidelijkheid-op-komst-over-beschermingsomvang-software/ 

IT 21

De nieuwe ARBIT gepubliceerd

De Algemene rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT), opvolger van de oude BiZa-modellen, zijn net gepubliceerd in de Staatscourant (met dank aan Tycho de Graaf, NautaDutilh). Lees de voorwaarden hier.

IT 18

Onderbouwing dat software is gekopieerd onvoldoende

Gerechtshof Arnhem, 4 mei 2010, LJN: BM6275, Think Legal B.V. tegen Digistart2001 B.V. Eerder verschenen op IEForum. Digistart stelt dat de software van Think Legal inbreuk maakt omdat het dezelfde functionaliteit en maker heeft als van haar eigen software. Vordering afgewezen.

Zie r.o. 5.6:

"5.6 Ten overvloede overweegt het hof dat, zelfs als de auteursrechten op Jurisource®Identity en Jurisource®Identity Strafrecht op Digistart zouden zijn overgegaan, er nog steeds onvoldoende gronden zijn voor de conclusie dat de door Think Legal aangeboden software, een door haar als Jurisource®Anonimiseren aangeduide applicatie, een inbreuk op die rechten zou vormen. Digistart heeft niet duidelijk gemaakt waarin die inbreuk zou bestaan. Ter gelegenheid van de pleidooien is zij uitgenodigd dit punt toe te lichten en heeft zij verklaard dat de door Think Legal aangeboden software een anonimiseringsapplicatie is en dat zij door Carp ontwikkeld is en dat die beide omstandigheden naar haar mening een inbreuk op haar rechten met zich brengen. Daarmee kan het hof zich niet verenigen. Deze twee omstandigheden zijn onvoldoende om Jurisource®Anonimiseren te kwalificeren als een openbaarmaking of verveelvoudiging, dan wel als een opvragen of hergebruiken van Jurisource®Identity. Dat geldt te meer nu een van Carp afkomstige notitie in het geding is gebracht waarin Carp verklaart dat de destijds voor Jurisource®Identity gebruikte programmacode niet is hergebruikt voor Jurisource®Anonimiseren, dat ook de onderliggende technieken volledig verschillend zijn en er geen direct verband tussen beide is. "

Lees de uitspraak hier.

IT 17

Exit-assistentie: eerst helpen, dan over geld praten

Vzr. Rechtbank Amsterdam, 9 januari 2009, KG ZA 09-25 SP/EB, Telfort B.V. tegen XB Managed Services B.V. Eerder verschenen op IEForum (met dank aan Thomas Conijn, De Brauw Blackstone Wetbroek), maar dan met de nadruk op de databankrechtelijke aspecten. XB Managed Services wordt veroordeeld om bij einde contract de gevraagde exit-assistentie te verlenen. Of Telfort XB Managed Services daarvoor dient te betalen valt buiten het bestek van de procedure.

XB Managed Services leverde Virtual ISP diensten aan Telfort. Bij einde contract beroept Telfort zich op de contractuele exit-regeling die - kort gezegd - voorziet in redelijke medewerking door XB Magaged Services om de continuïteit van de diensten te borgen. De vraag die opkomt is of van XB Managed Services in dat kader gevergd kan worden dat zij bepaalde historische data levert. XB Managed Services is bereid die data te leveren, maar wil dan wel haar kosten vergoed hebben. Zij schat in ongeveer 150 manuur nodig te hebben om de data te kunnen verstrekken. Telfort wil niet betalen. De voorzieningenrechter oordeelt dat XB Managed Services de gevraagde medewerking dient te verlenen en dat de vraag of zij aanspraak kan maken op een vergoeding, buiten het bestek valt van de procedure (r.o. 5.3).

Lees de uitspraak hier.

IT 16

Software onder koopregime

Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, 1 juni 2010, LJN: BM6320,  Hulskamp tegen De Beeldbrigade en Bell tegen Hulskamp (Met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten). Misschien nu al de uitspraak van het jaar. Het Gerechtshof past het kooprecht toe op standaardsoftware.

Het Gerechtshof oordeelt dat de software weliswaar geen zaak is, maar toch onderworpen is aan het kooprecht. Hierdoor geldt de korte verjaringstermijn van 2 jaar:

"4.6 Het programma ImageSan is vastgelegd op een of meerdere gegevensdragers. Het in deze zaak gestelde gebrek houdt geen verband met deze gegevensdragers, maar met de werking van de daarop vastgelegde software. Anders dan een gegevensdrager, kan die software op zichzelf niet worden aangemerkt als een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object en is dan ook geen zaak in de zin van artikel 3:2 BW. Niettemin leidt het feit dat ImageSan standaardsoftware is, die als een pakket kan worden aangeschaft (hier voor ruim € 46.000) en waarmee het recht op het vrije en duurzame gebruik van de software wordt verkregen met de omstandigheid dat het in deze zaak gaat om de kwaliteit van die software en niet om de auteursrechtelijke dimensie daarvan, het hof tot het oordeel dat, op grond van het bepaalde in art. 7:47 BW, titel 7.1 van toepassing moet worden geacht. Dat de software - voor een bedrag van € 2.200 - door een specialist geïnstalleerd en getest moet worden alvorens in gebruik te worden genomen, doet hier niet aan af, nu dit het karakter van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet wezenlijk anders doet zijn.
4.7 Dit oordeel brengt mee dat ook de verjaringstermijn van twee jaren van artikel 7:23 BW lid 2 van toepassing is [...]"

Lees het arrest hier.

IT 14

ARBIT-voorwaarden voor overheidsopdrachten

De ministerraad heeft per 2 juli 2010 ingestemd met de nieuwe ARBIT-voorwaarden voor IT-overeenkomsten met de overheid. Deze zijn de opvolger van de oude Biza-modellen.

Lees hier het bericht.

Een eerder, uitgebreider bericht over de ARBIT in Binnenlands Bestuur is hier te vinden.

IT 67

Websitehouders mede-verantwoordelijk voor gebruik tracking cookies door advertentienetwerk

Onlangs heeft de artikel 29 Werkgroep een interessante opinie gegeven over de privacyrechtelijke aspecten van het gebruik van zogenaamde tracking cookies bij advertenties op websites. Een van de punten uit de opinie is dat ook websitehouders die dergelijke advertenties (automatisch) laten plaatsen door een externe aanbieder, verantwoordelijk worden gehouden voor dit cookiegebruik van deze derde. Ook op andere punten is de werkgroep zeer streng over cookies.

Met dank aan Mark Jansen, Dirkzwager advocaten.

Tracking cookies

Veel advertenties op websites worden daar niet geplaatst door de exploitant van die website zelf, maar door een advertentienetwerk. Het merendeel van deze advertentienetwerken maakt gebruik van zogenaamde tracking cookies. Dat wil kort samengevat zeggen dat bij het tonen van een advertentie uit het netwerk een cookie op de computer van de bezoeker wordt geplaatst. Op basis van deze cookie kan deze bezoeker eenvoudig worden geidentificeerd wanneer deze andere websites bezoekt waarvoor door hetzelfde advertentienetwerk de advertenties worden verzorgd.

Aanbieders advertentienetwerken verantwoordelijk voor gebruik tracking cookies

De praktijk laat zien dat er enkele hele grote advertentienetwerken zijn die de advertenties op vele websites wereldwijd verzorgen. Het zijn met name deze grote advertentienetwerken die na verloop van tijd een profiel kunnen opbouwen van de bezoekers aan die websites. Dankzij de tracking cookie wordt deze bezoeker namelijk op iedere website waarop hetzelfde netwerk de advertenties verzorgt door de betreffende aanbieder herkend. Door te kijken welke websites een bepaald persoon bezoekt, wordt al snel duidelijk in welke onderwerpen deze persoon is geinteresseerd. Met deze techniek bouwen deze aanbieders dus in korte tijd een uitgebreide verzameling van persoonsgegevens op. Voor deze verwerkingen van persoonsgegevens zijn deze advertentienetwerken verantwoordelijk. Dat betekent dat de verplichtingen uit de privacywetgeving op hen van toepassing zijn.

Websitehouder mede-verantwoordelijk voor gebruik tracking cookies

Niet alleen de aanbieders van deze advertentiediensten zijn echter verantwoordelijk voor deze verwerkingen van persoonsgegevens. Volgens de werkgroep draagt de houder van de website waarop deze reclame verschijnt hiervoor ook een gedeeltelijke verantwoordelijkheid. Hij kiest er immers bewust voor om ruimte op zijn website te reserveren voor advertenties die door een netwerk worden geplaatst.

Het praktische gevolg van deze mede-verantwoordelijkheid is dat deze websitehouder de bezoeker vooraf goed moet informeren dat er gebruik wordt gemaakt van een advertentienetwerk en welke consequenties op het gebied van privacy dit voor hem heeft (zoals het gebruik van tracking cookies door het advertentienetwerk). Die informatie mag volgens de werkgroep niet zijn weggestopt in algemene voorwaarden of privacy statements.

De aanbieder van het advertentienetwerk houdt overigens zijn eigen verantwoordelijkheden om de gebruiker zelfstandig te informeren. Volgens de werkgroep zou het echter logisch zijn wanneer die informatie van het advertentienetwerk te vinden is op de website die gebruik maakt van deze diensten. De websitehouder zou dus ruimte moeten reserveren op zijn website om zo het advertentienetwerk in staat te stellen tegemoet te komen aan zijn informatieverplichtingen.

Toestemming plaatsen cookie vereist

Een ander opvallend punt is dat de artikel 29 Werkgroep de algemene regels over cookies, zoals deze zullen luiden na de eerstvolgende wijziging , zeer streng interpreteert.

Na de aanstaande wijziging van de cookieregels moet vooraf de toestemming moet worden verkregen van de websitebezoeker voor het plaatsen van een cookie. Dat is althans de tekst van de richtlijn. Die richtlijn moet omgezet worden naar nationaal recht. Dan pas zal blijken of die soep daadwerkelijk zo heet gegeten wordt. Over hoe de Nederlandse regels er ter zake uit zouden moeten komen te zien is op dit moment namelijk nog veel discussie.

De Artikel 29 Werkgroep interrepteert de eis uit de nieuwe richtlijn echter zo dat voor het plaatsen van iedere cookie er duidelijke informatie moet worden gegeven en toestemming moet worden gevraagd. Volgens de werkgroep hoeft geen afzonderlijke toestemming voor zowel het plaatsen al het vervolgens weer uitlezen van het cookie te worden verkregen. Wel moet een eenmaal gegeven toestemming volgens de werkgroep (1) beperkt in tijd zijn, (2) periodiek worden herzien en (3) altijd kunnen worden ingetrokken.

Gebruik van standaardinstellingen browser niet voldoende

Volgens de Artikel 29 Werkgroep mag er daarbij bovendien niet van uit worden gegaan dat wie op basis van zijn computerinstellingen cookies accepteert, daarmee toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van cookies. De meeste computers hebben dit namelijk standaard zo ingesteld. Volgens de Artikel 29 Werkgroep mag hier niet uit worden afgeleid dat de betrokkene daadwerkelijk zijn toestemming voor het plaatsen van die cookies heeft gegeven. Ze geeft hiervoor drie redenen: (1) uit passief handelen kan nooit een actieve toestemming worden afgeleid, (2) toestemming geven via de computerinstellingen is niet zaligmakend nu sommige cookies zich van die instellingen niets aantrekken en (3) algemene toestemming via de computerinstelling kan nooit op alle specifieke geplaatste cookies zien.

Geen advertenties met tracking cookies op websites gericht op kinderen

De werkgroep overweegt verder dat kinderen jonger dan 16 jaar de vereiste toestemming nog niet mogen geven. Deze toestemming moet volgens de wet afkomstig zijn van hun ouders. Dat betekent dat ook de informatievoorziening op de ouders moet zijn gericht.

Mede gezien de kwetsbaarheid van kinderen stelt de werkgroep in het algemeen dat reclame met tracking cookies specifiek gericht op kinderen niet zou moeten plaatsvinden.

Geen tracking cookies op websites over gezondheid, politiek, etc.

Een ander opvallend punt is het volgende. De artikel 29 Werkgroep wijst er op dat het verwerken van zogenaamde “bijzondere persoonsgegevens” alleen is toegestaan met de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Bijzondere persoonsgegevens zijn alle gegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en de persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging (zie ook artikel 16 WBP). Die gevoelige gegevens mogen niet worden verwerkt zonder uitdrukkelijke toestemming. Tot zover niets nieuws.

De conclusie die de werkgroep hieraan in het kader van tracking cookies verbindt is wel opvallend. De aanbieder van advertentiediensten bouwt dankzij de tracking cookies een profiel van de bezoekers op (zie hiervoor). Wanneer deze aanbieder ook websites van bijvoorbeeld medicijnfabrikanten van advertenties voorziet, kan dit betekenen dat in de profielen na verloop van tijd bijzondere persoonsgegevens staan opgenomen. Uit de tracking cookies kan immers blijken dat een bepaalde persoon regelmatig informatie over een bepaalde ziekte of een bepaald medicijn heeft opgezocht.

Die informatie is te kwalificeren als een bijzonder persoonsgegeven. Dit betekent dat alle websites waarbij uit het enkele feit dat iemand die website bezoekt al een bijzonder persoonsgegeven zou kunnen worden afgeleid, dus voortaan alleen nog advertenties met tracking cookies mogen plaatsen wanneer zij hiervoor vooraf de uitdrukkelijke toestemming aan de websitebezoeker vragen. Dit zal vermoedelijk de doodsteek van dergelijke advertenties op dergelijke websites zijn.

Slotopmerking

De artikel 29 Werkgroep heeft een duidelijke visie op het gebruik van tracking cookies gegeven. Deze visie is streng te noemen. De praktijk zal moeten laten zien in hoeverre deze strenge visie, na de wetswijziging, door de nationale privacytoezichthouders daadwerkelijk gehandhaafd zal worden. Bovendien moet niet vergeten worden dat deze visie geschreven is in het kader van wetgeving die nog in werking moet treden (uiterlijk 25 mei 2011). Mogelijk dat zich in de tussentijd nog nadere ontwikkelingen voordoen.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op http://dirkzwagerieit.nl/2010/07/01/websitehouders-mede-verantwoordelijk-voor-gebruik-tracking-cookies-door-advertentienetwerk/

IT 13

Criteria .eu domeinnaamregistratie te kwader trouw

De uitspraak HvJ 3 juni 2010, zaak C-569/08 (Internetportal und Marketing GmbH/Schlicht) geeft helderheid over de criteria voor de vraag of een domeinnaam onder het .eu TLD te kwader trouw is geregistreerd.

Artikel 21, lid 3, EG-verordening 874/2004 geeft hiervoor vijf criteria die - zegt het Hof - niet limitatief zijn. Voor kwade trouw in de zin van art. 21 lid 3 sub b moet rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden van merkregistratie en domeinnaamdepot. Het Hof verduidelijkt dit:
Wat de omstandigheden betreft waarin de inschrijving van het merk is verkregen, dient de nationale rechter in het bijzonder rekening te houden met:
–        het oogmerk om het merk niet te gebruiken op de markt waarvoor de bescherming is aangevraagd;
–        de presentatie van het merk;
–        het feit dat een groot aantal andere met soortnamen overeenstemmende merken is geregistreerd, en
–        het feit dat het merk is ingeschreven kort vóór het begin van de stapsgewijze registratie van .eu-topniveaudomeinnamen.
Wat de omstandigheden betreft waarin de .eu-topniveaudomeinnaam is geregistreerd, dient de nationale rechter in het bijzonder rekening te houden met:
–        het onrechtmatige gebruik van speciale tekens of leestekens in de zin van artikel 11 van verordening nr. 874/2004 met het oog op de toepassing van de in dat artikel vastgestelde transcriptieregels;
–        de registratie tijdens het eerste deel van de in die verordening vastgestelde stapsgewijze registratie op basis van een merk dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding is verkregen, en
–        het feit dat een groot aantal aanvragen tot registratie van met soortnamen overeenstemmende domeinnamen is ingediend.

IT 11

Tegoedbon impliceert samenwerking

Gerechtshof 's-Gravenhage, 19 januari 2010, HA ZA 071438, Noorderpoortcollege tegen Randstad (met dank aan Polo G. van der Putt , Vondst Advocaten). Tussen PinkRoccade Public B.V., de rechtsvoorganger van Randstad HR & Salarisdiensten enerzijds en het Nooderpoortcollege anderzijds bestond een dienstverleningsovereenkomst voor salarisdiensten.

Daarnaast hadden partijen een overeenkomst gesloten terzake van de module HR connect. Er zijn problemen opgetreden met HR connect en partijen hebben daarop nadere afspraken gemaakt. Kort gezegd kreeg het Noorderpoortcollege een tegoedbon die zij kon inwisselen tegen een nieuw te ontwikkelen connector. Mocht Randstad er niet in slagen de connector binnen 2 jaar te leveren, dan kon het Noorderpoortcollege aanspraak maken op een geldelijke compensatie. Het Noorderpoortcollege kiest nog tijdens de periode van 2 jaar voor de connector van een derde partij en beëindigt de dienstverleningsovereenkomst met Randstad. Randstad heeft vervolgens haar nieuwe connector niet binnen de periode van 2 jaar aangeboden. Na afloop van de periode van 2 jaar maakt het Noorderpoortcollege aanspraak op betaling van de compensatie wegens het niet tijdig aanbieden van de connector. Het Gerechtshof wijst de vordering van het Noorderpoortcollege af:

"7. [...] Een tegoedbon heeft immers in beginsel alleen waarde jegens de partij die de tegoedbon heeft verstrekt, en impliceert als voorwaarde voor het verzilveren ervan een voortzetting van de handelsrelatie. Het hof is van oordeel dat het Noorderpoortcollege dit redelijkerwijs had moeten begrijpen.

[...]

10. Het vervallen van de tegoedbon bracht naar het oordeel van het hof tevens mee dat het in de overeenkomst vermelde (voorwaardelijke) recht van het Noorderpoortcollege om, indien de ontwikkeling van de interface van Randstad geen doorgang zou vinden, van Randstad twee jaar na het sluiten van de overeenkomst het bedrag van € 42.500,- terug te krijgen, eveneens was komen te vervallen. [...]"

Lees het arrest hier.

 

en advertentie brein hier

IT 10

Nieuwe Europese groepsvrijstelling: distributeur mag internet gebruiken

Met ingang van 1 juni 2010 gelden de nieuwe groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten, Verordening (EG) Nr. 330/2010, en bijbehorende Richtsnoeren. De nieuwe groepsvrijstelling is niet wezenlijk anders dan de oude groepsvrijstelling. Nieuw is onder meer dat voor de toepasselijkheid van de vrijstelling ook het marktaandeel van de afnemer van belang is. De bagatelbepaling voor overeenkomsten tussen concurrenten is vervallen. In de richtsnoeren laat de Commissie zich nog explicieter uit over internetverkoop.

Internetverkoop blijft een vorm van passieve verkoop die in beginsel niet mag worden verboden. De distributeur mag ook niet worden verboden om zijn website in een buitenlandse taal aan te bieden (randnummer 52 Richtsnoeren):

"Internet is een machtig instrument om een groter aantal en een grotere verscheidenheid aan klanten te bereiken dan met de meer traditionele verkoopmethoden; daarom worden bepaalde beperkingen op het gebruik van internet behandeld als (weder)verkoopbeperkingen. In principe moet elke distributeur het recht hebben om internet te gebruiken voor de verkoop van producten. Over het algemeen geldt, dat wanneer een distributeur een website gebruikt om producten te verkopen, dit wordt beschouwd als een vorm van passieve verkoop, omdat het een redelijke manier is om klanten in staat te stellen de distributeur te bereiken. Het gebruik van een website kan effecten hebben die verder reiken dan het eigen gebied van de distributeur of de eigen klantenkring; die effecten vloeien evenwel voort uit de technologie die gemakkelijke universele toegankelijkheid mogelijk maakt. Wanneer een klant de website van een distributeur bezoekt en die distributeur benadert en wanneer dat contact tot een verkoop met inbegrip van levering leidt, wordt dit als passieve verkoop beschouwd. Hetzelfde geldt wanneer een klant ervoor kiest om (automatisch) op de hoogte te worden gehouden door de distributeur en dit tot een verkoop leidt. De mogelijkheid om tussen talen te kiezen op de website of voor de communicatie, wordt op zich beschouwd als deel uitmakend van de passieve verkoop. Zo beschouwt de Commissie de volgende voorbeelden als hardcore beperkingen ten aanzien van passieve verkoop omdat deze beperkingen de toegang van de distributeur tot een groter aantal en een grotere verscheidenheid aan klanten kunnen belemmeren: 

a) de bepaling dat de (exclusieve) distributeur moet verhinderen dat in een ander (exclusief) gebied gevestigde klanten zijn website bezoeken of dat hij klanten via een automatische procedure op zijn website moet doorsturen naar de websites van de producent of van andere (exclusieve) distributeurs. Dit sluit niet uit dat wordt overeengekomen dat op de website van de distributeur ook een aantal links naar de websites van andere distributeurs en/of de leverancier wordt aangeboden;

b) de bepaling dat de (exclusieve) distributeur transacties van klanten via internet moet afbreken zodra uit de creditcardgegevens blijkt dat hun adres niet binnen het (exclusieve) gebied van de distributeur valt; 

c) de bepaling dat de distributeur het aandeel van de internetverkoop in zijn totale verkoop moet beperken. Dit sluit niet uit dat de leverancier, zonder de onlineverkoop van de distributeur te beperken, van de afnemer verlangt dat hij ten minste een bepaalde absolute hoeveelheid producten (in waarde of in volume uitgedrukt) offline verkoopt om een doeltreffende werking van zijn fysieke winkel te waarborgen noch sluit dit uit dat de leverancier waarborgen wil dat de onlineactiviteit van de distributeur binnen zijn distributiemodel past (zie de punten 54 t/m 56). Deze minimumhoeveelheid voor offlineverkoop kan gelijk zijn voor alle afnemers of voor elke afnemer afzonderlijk worden vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals de omvang van de afnemer binnen het netwerk of zijn geografische locatie;

d) de bepaling dat de distributeur voor producten die hij online doorverkoopt een hogere prijs moet betalen dan voor producten die hij offline doorverkoopt. Dit belet niet dat de leverancier met de afnemer een vaste vergoeding overeenkomt (dat wil zeggen geen variabele vergoeding waarbij het bedrag verhoogt naargelang de gerealiseerde offlineomzet, aangezien dit indirect zou neerkomen op dubbele prijsstelling) om de offline- of onlineverkoopinspanningen van deze laatste te steunen."

 

IT 9

Europese pivacytoezichthouders: Opt-in bij monitoren surfgedrag

In een gezamenlijke Opinie geven de Europese privacytoezichthouders (verenigd in de zogeheten Artikel 29-werkgroep) aan hoe de nieuwe EU-regels voor elektronische privacy moeten worden toegepast op ‘online behavioural advertising’.

Met ‘behavioural advertising‘ bedoelen de toezichthouders het voortdurend volgen van individueel surfgedrag over meerdere websites en het gericht adverteren op basis van die informatie. Dit kan mensen voordeel opleveren, maar kan ook nadelige gevolgen hebben voor hun persoonlijke levenssfeer. Het volgen van surfgedrag kan derde partijen namelijk een zeer gedetailleerd beeld geven van het online gedrag van personen. De Europese privacytoezichthouders roepen advertentienetwerken en browserontwikkelaars onder meer op simpele en effectieve mechanismen te ontwikkelen zodat gebruikers ondubbelzinnige toestemming kunnen geven voor online behavioural advertising.

Lees het persbericht op de website van het College bescherming persoonsgegevens. Lees de opinie van de Artikel 29-werkgroep hier.

IT 8

Fenit-exoneratie houdt stand en vertraging IT project feit algemene bekendheid

Rb Amsterdam 7 april 2004, H.02 2480, Masalco tegen PinkRoccade (met dank aan: Polo G. van der Putt , Vondst Advocaten). PrinkRoccade had zich verbonden System21 te installeren bij Masalco. Het project loopt uit de planning en Masalco ontbindt. De rechtbank oordeelt dat de ontbinding geen stand houdt. "Dit te meer nu feit van algemene bekendheid is dat automatiseringsprojecten kunnen uitlopen, en uitlopen ook vaak plaatsvindt." (r.o. 6.5)

En passant honoreert de rechtbank een beroep op het exoneratiebeding uit de Fenitvoorwaarden 1994 (r.o. 6.3):

"6.3
Masalco is een grote onderneming in de zin van art. 6:235 lid 1 BW. Ze betwist niet dat ze voor wat betreft de exoneratiebedingen met de Fenitvoorwaarden vergelijkbare algemene voorwaarden gebruikt. Op het gebied van automatisering beschikt Masalco zelf ook over deskundigheid, te weten over een eigen automatiseringsafdeling (Masalco Automatisering B.V.), zodat zij inhoudelijk ten opzichte van PinkRoccade eniger mate gelijkwaardig is. Uitgangspunt is daarom dat PinkRoccade beroep tegenkomt op de exoneratiebedingen [...].

6.5
Ten aanzien van de nakoming van de mantelovereenkomst geldt het volgende. Masalco stelt dat op PinkRoccade een (resultaat)verplichting rustte, inhoudende dat System21 op 3 april 2001 operationeel zou zijn, hetgeen PinkRoccade gemotiveerd betwist. De vraag is wat partijen, alle omstandigheden van het geval daarbij in aanmerking nemend, daaromtrent over en weer redelijkerwijs mochten verwachten. Daarbij is enerzijds van belang dat in het sub 1.c weergegeven verslag en het sub 1.h vermelde projectcharter is vermeld dat het systeem op 3 april 2001 operationeel diende te zijn en dat Masalco er aan hechtte het project in negen maanden tijd af te ronden. Anderzijds is van belang dat in de overeenkomst, in bijlage 11 van de mantelovereenkomst (weergegeven sub 1.f) en in de Fenitvoorwaarden is vastgelegddat op PinkRoccade een inspanningsverbintenis rust. In het sub 1.b vermelde verslag en het sub 1.e vermelde projectplan is bovendien opgenomen dat de detailplanning afhankelijk is van de beschikbare mensen en middelen en aldus de totale doorlooptijd van het project bepaalt, terwijl in geen van de tot de overeenkomst behorende stukken een ‘harde’ opleverdatum is vermeld. Alles overwegende is de rechtbank daarom van oordeel dat Masalco redelijkerwijs niet heeft kunnen aannemen dat PinkRoccade zich heeft verplicht om uiterlijk op 3 april 2001 een operationeel System21 te leveren. Dit te meer nu feit van algemene bekendheid is dat automatiseringsprojecten kunnen uitlopen, en uitlopen ook vaak plaats vindt. Bovendien was het verloop van het project in grote mate afhankelijk van de betrokkenheid van personeel van Masalco zelf. [...]"

Lees de uitspraak hier.

IT 7

Juridische aspecten Outsourcing

De juridische werkgroep van Platform Outsourcing Nederland (www.platformoutsourcing.nl) heeft een juridische checklist opgesteld voor outsourcingstrajecten. Het document beschrijft de juridische aandachtspunten binnen de sourcing life cycle. Daarnaast bevat het document een overzicht van de belangrijkste contractbepalingen en een hoofdstuk met de valkuilen.

U vindt de publicatie hier.

IT 5

Tussentijdse opzegging mogelijk?

Rb Utrecht 18 juni 2003, HAZA 02-1767, Winwork tegen Capgemini (met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten). Op basis van art. 7:408 lid 2 BW mag een opdrachtgever een overeenkomst van opdracht altijd tussentijds opzeggen, ook als de overenkomst is aangegaan voor bepaalde duur.

Capgemini heeft een medewerker van Winwork ingehuurd voor bepaalde duur. 6 maanden voor einde contract beëindigt Capgemini het contract door middel van opzegging, met een beroep op art. 7:408 lid 2 BW. De rechter steekt daar een stokje voor. Volgens de rechter hebben partijen toepasselijkheid van art. 7:408 lid 2 BW stilzwijgend uitgesloten:

"4.4
De rechtbank overweegt als volgt.
Kern van het tussen partijen gerezen geschil is de vraag of Cap Gemini aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van het feit dat zij de overeenkomst tussentijds heeft opgezegd. Voor de beantwoording van deze vraag heeft op grond van het bepaalde in artikel 7:408 lid 1 BW in verband met artikel 7:400 lid 2 BW als uitgangspunt te gelden dat de opdrachtgever een overeenkomst die voor bepaalde tijd is gesloten kan opzeggen, tenzij iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte. Nu partijen van mening verschillen over de vraag wat zij omtrent de opzegging zijn overeengekomen, komt het hierbij aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5
Ten aanzien van de aanleiding voor en de inhoud van de door de heer Van Holthuijsen te verrichten werkzaamheden is in de overwegingen van de overeenkomst aangegeven dat de rechtsvoorganger van Cap Gemini haar werkorganisatie stuurt in een ingrijpend en stimulerend vernieuwingsproces in welk kader dringend behoefte bestaat aan een betrokken en initiatiefrijk hoofd. Hieruit kan worden afgeleid dat sprake is van een complex proces waarin behoefte is aan specifieke professionele, voorshands mogelijk niet direct vervangbare ondersteuning. Verder heeft Winwork met betrekking tot de tussen partijen overeengekomen vergoeding onweersproken gesteld dat zij uitsluitend in het kader van een contract voor een vaste periode met de rechtsvoorganger van Cap Gemini een uurtarief voor de heer Van Holthijsen heeft afgesproken van € 160, - per uur, terwijl diens uurtarief normaal gesproken aanzienlijk hoger ligt. Voorts heeft de rechtsvoorganger van Cap Gemini met betrekking tot de omvang van de door de heer Van Holthijsen te verrichten werkzaamheden bij brief van
29 maart 2002 aan Winwork geschreven dat de werkzaamheden, met een optie op verlenging, “zullen”doorlopen tot en met 31 december 2002 “. Tenslotte hebben partijen de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, behoudens de in artikel 7 lid 2 van de overeenkomst aangegeven financiële problemen als bedoeld in 1.4, contractueel beperkt tot gevallen van wanprestatie. Genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden de rechtbank tot het oordeel dat partijen een eenzijdige opzeggingsbevoegdheid van Cap Gemini op een andere grond dan hiervoor bedoeld te hebben uitgesloten, zodat Cap Gemini niet bevoegd was de overeenkomst met Winwork tussentijds op de door haar aangevoerde grond op te zeggen en Cap Gemini aansprakelijk is voor de schade die daarvan voor Winwork het gevolg is." 

Lees de uitspraak hier

IT 78

Rechter oordeelt: ook een leek moet zorgen voor verwijdering cache

In een eerdere geanonimiseerde uitspraak in kort geding is eiser veroordeeld om bepaalde artikelen van Internet te verwijderen en verwijderd te houden, in zoverre dat deze artikelen op geen enkele wijze meer via welke zoekopdracht dan ook op het internet zijn terug te vinden (LJN: BM0477). De belangrijkste vraag die in het tweede kort geding aan de orde komt is of deze veroordeling zo moet worden uitgelegd dat deze tevens ziet op eventuele treffers via een zoekmachine, die verwijzen naar een pagina waarvan de inhoud inmiddels is verwijderd (Vzr RB Alkmaar 08-04-2010, LJN: BM6719).

Met dank aan Lot Nelissen, Dirkzwager advocaten.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat het onrechtmatig handelen zoals dat aan de orde is geweest in het eerdere kort geding besloten ligt in de inhoud van de bewuste artikelen. Eiser handelt uitsluitend in strijd met het eerdere vonnis wanneer via een treffer op internet via een zoekmachine daadwerkelijk doorgelinkt wordt naar de inhoud, de content van (een van de) bewuste artikelen. Een treffer die niet langer leidt naar de inhoud van een van de gewraakte artikelen is derhalve onvoldoende voor het verschuldigd zijn van een dwangsom.

Het debat tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of eiser er ook rekening mee had moeten houden dat de inhoud van de gewraakte artikelen zich nog in het zogeheten cache geheugen van zoekmachines kon bevinden waardoor de inhoud van de artikelen toch nog kenbaar was. Gedaagde vindt van wel, helemaal nu een klein onderzoek op Google hem had geleerd dat de verwijdering van dit cache geheugen redelijk eenvoudig door eiser bewerkstelligd had kunnen worden.

Naar aanleiding van eigen onderzoek oordeelt de rechter dat een leek dit inderdaad makkelijk had kunnen doen. Informatie hieromtrent is volgens hem redelijk gemakkelijk te vinden en begrijpelijk geformuleerd. Uit deze informatie volgt, aldus de rechter, dat eiser twee stappen had moeten volgen om ook het cache geheugen te verwijderen. Namelijk het verwijderen van de inhoud van de informatie door de eigenaar van de website, alsmede het verzoek aan Google om de bewuste informatie uit de zoekfuncties te verwijderen.

De rechter merkt op dat eiser niet beide stappen heeft gezet en derhalve niet aan het vonnis heeft voldaan. Eiser heeft wel de verschillende beheerders van de websites en de zoekmachines verzocht om de inhoud van de betreffende artikelen te verwijderen maar zij heeft geen seperaat verzoek aan Google gedaan om ook de cache uit zoekmachines te verwijderen. Eiser had een zware inspanningsverplichting uit hoofde van het vonnis, naar aanleiding waarvan zij zich in ieder geval over deze stappen had moeten voorlichten of nadere informatie over had moeten in winnen. Dat zij dit niet heeft gedaan dient voor haar eigen rekening en risico te blijven. Daar komt nog bij dat zij ook uit een reactie van één van de beheerders had kunnen opmaken wat de procedure is voor het verwijderen van content uit zoekresultaten en cache uit zoekmachines.

De maatstaf lijkt vrij streng te zijn toegepast. Wellicht dat dit te maken heeft met het feit dat de artikelen gingen over vermeend seksueel misbruik van kinderen, welke artikelen zeer schadelijk zijn voor gedaagde.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/06/15/rechter-oordeelt-ook-een-leek-moet-zorgen-voor-verwijdering-cache/