28 aug 2026,
A-G: ontbrekende stukken bij wijziging zorgmachtiging rechtvaardigen vernietiging en terugwijzing
Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie). In deze Wvggz-zaak was aan betrokkene een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. De officier van justitie verzocht vervolgens om wijziging van die machtiging door insluiting als aanvullende vorm van verplichte zorg toe te voegen. In cassatie klaagt betrokkene eerst dat de zorgmachtiging niet meer kon worden gewijzigd, omdat deze niet binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz genoemde termijn van twee weken ten uitvoer zou zijn gelegd. Volgens de A-G faalt die klacht. Tenuitvoerlegging in de zin van de Wvggz houdt in dat de officier van justitie ervoor zorgt dat de zorgaanbieder met de uitvoering van de machtiging kan beginnen; dit moet worden onderscheiden van de feitelijke uitvoering van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Nu de machtiging op 23 juni 2025 was verleend, op 30 juni 2025 op schrift was gesteld en binnen twee weken aan de zorgaanbieder was verzonden, was zij tijdig ten uitvoer gelegd. Bovendien zou een eventuele overschrijding van die termijn niet leiden tot verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging, omdat dit niet behoort tot de limitatief in art. 6:6 Wvggz genoemde vervalgronden. In dat geval kan wel een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz aan de orde zijn.
Het tweede cassatieonderdeel slaagt volgens de A-G wel. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij een verzoek tot wijziging van een zorgmachtiging ex art. 8:12 lid 5 Wvggz niet alleen de in art. 8:12 lid 3 Wvggz genoemde stukken worden overgelegd, maar ook de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen, zo nodig geactualiseerd voor de aanvullend verzochte vorm van verplichte zorg. Die informatie is nodig om te kunnen beoordelen of aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid is voldaan. In deze zaak ontbraken de onderliggende stukken. De door het OM aangevoerde ICT-problemen in de zomer van 2025 vormen volgens de A-G geen rechtvaardiging om van die vaste regel af te wijken. De rechtbank had de ontbrekende stukken alsnog moeten opvragen of moeten motiveren waarom zij zonder die stukken tot een beslissing kon komen. Dat zij dat niet heeft gedaan, acht de A-G rechtens onjuist. De rechtbank had dit bovendien ambtshalve moeten onderkennen, omdat het fundamentele recht op vrijheid in art. 5 lid 1 onder e EVRM en art. 15 Grondwet in het geding is. De A-G concludeert daarom tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
Uitzondering op vaste rechtspraak van de Hoge Raad vanwege ICT-problemen?
3.21
In het verweerschrift in cassatie wijst de officier van justitie op de omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging de ICT-systemen van het openbaar ministerie waren afgekoppeld van het internet wegens gesignaleerde kwetsbaarheden.
3.22
In het verweerschrift in cassatie vermeldt de officier van justitie hierover, voor zover voor de beoordeling van dit onderdeel van belang, het volgende (met weglating van de voetnoten):
“3.10 Het is algemeen bekend – ook bij de rechtbank – dat op 17 juli 2025 het College van procureurs-generaal zich genoodzaakt zag om de digitale omgeving van het OM los te koppelen van het internet, nadat een kwetsbaarheid was gesignaleerd in het ICT- systeem van het OM. Deze afsluiting heeft grote gevolgen gehad voor de toegankelijkheid van bepaalde systemen voor de medewerkers van het OM, waaronder officiers van justitie.
3.11
In de eerste dagen na de afsluiting is in afstemming met de rechtspraak een tijdelijke oplossing bedacht waarbij stukken fysiek werden ondertekend en ingediend bij de rechtbank. Deze arbeidsintensieve werkwijze bleek vanwege beperkte scancapaciteit en de vakantieperiode uiteindelijk niet houdbaar voor de griffie van de rechtbank. In overleg met de rechtspraak is toen besloten om vanaf 5 augustus 2025 de verzoekschriften als begeleidende mail bij een Zivver-bericht in te dienen. Dat is ook in deze zaak gebeurd. De rechtspraak heeft de Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland op 4 augustus 2025 over deze werkwijze ingelicht, zodat mag worden aangenomen dat (de advocaat in feitelijke instantie van) betrokkene van deze werkwijze en de achtergrond daarvan op de hoogte was.
3.12
In de externe Zivver-omgeving, die speciaal buiten de ICT-omgeving van het OM toegankelijk was gemaakt, was het echter niet mogelijk om stukken te uploaden die enkel beschikbaar waren in de ICT-omgeving van het OM. De ICT-omgeving van het OM was immers losgekoppeld van het internet. Als een gevolg hiervan was het onmogelijk om oudere stukken uit het OM Zorg Informatie Systeem (hierna: OMZIS) - zoals in deze zaak de stukken omtrent de zorgmachtiging van 23 juni 2025 - tegelijk met het verzoekschrift via Zivver te delen met de rechtbank. Het steeds los (per post) nazenden van deze stukken uit OMZIS, was op basis van de werkafspraken met de rechtspraak niet mogelijk, nu de hiervoor beschreven alternatieve werkwijze voor de griffie alleen werkbaar was indien de stukken in één Zivver-bericht zouden worden ontvangen. Hierom is in verschillende zaken besloten om deze stukken middels het hierboven geciteerde tekstblok alsnog aan te bieden bij de rechtbank. Op verzoek zouden deze stukken dan alsnog worden verstrekt.
Overigens heeft de rechtbank de zorgmachtiging van 23 juni 2025 kennelijk zelf opgezocht en toegevoegd aan het dossier. Weliswaar overweegt de rechtbank dat deze zorgmachtiging als bijlage bij het verzoekschrift van 15 augustus 2025 was gevoegd (rov. 1.1). Maar wie de gedingstukken raadpleegt, constateert dat dit niet het geval is geweest. Als gezegd zijn de (nieuwe) stukken die relevant waren voor de beoordeling van het verzoekschrift van 15 augustus 2025 door het OM via Zivver ontvangen en (met het verzoekschrift) doorgestuurd aan de rechtbank.
3.13
Met de hierboven beschreven oplossing heeft het OM op tijdelijke basis gepoogd het hoofd te bieden aan een acute crisissituatie. Een andere indieningswijze, waarbij alle onderliggende stukken direct zouden worden overgelegd, was onder de omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk. Vanzelfsprekend was het niet langer indienen van verzoekschriften geen optie: dit was niet in het belang geweest van de vaak kwetsbare personen die bij Wvggz-procedures zijn betrokken. Deze personen en hun directe omgeving hebben immers juist baat bij de verplichte zorg die via de verzoekschriften wordt verzocht.
Voor zover de bovenstaande gang van zaken niet reeds voldoende duidelijk blijkt uit de gedingstukken of niet heeft te gelden als feit van algemene bekendheid, staat dit er niet aan in de weg dat uw Raad acht slaat op deze feiten. De ICT-storing en de daaromtrent tussen het OM en de rechtspraak gemaakte werkafspraken zijn feiten waarmee de rechtbank rekening kon en moest houden. Dit heeft de rechtbank kennelijk ook gedaan.