DOSSIERS
Alle dossiers

Overige onderwerpen  

IT 5324

Illegaal online kansspelaanbod onrechtmatig jegens TOTO

Rechtbank Den Haag 17 jun 2026,, IT 5324; ECLI:NL:RBDHA:2026:16277 ((TOTO tegen DECC c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/illegaal-online-kansspelaanbod-onrechtmatig-jegens-toto

Rb. Den Haag 17 juni 2026, IT 5324; RB 4034; ECLI:NL:RBDHA:2026:16277 (TOTO tegen DECC c.s.). De rechtbank Den Haag oordeelt in een geschil tussen TOTO en meerdere gedaagden over het online aanbieden van kansspelen via Lala.bet. TOTO stelt dat zonder vergunning van de Kansspelautoriteit online kansspelen zijn aangeboden aan Nederlandse spelers, terwijl zij zelf als vergunninghoudende aanbieder actief is op de gereguleerde Nederlandse kansspelmarkt. De rechtbank acht de vorderingen tegen [gedaagde sub 4], SkyGrow en [gedaagde sub 6] op dit punt toewijsbaar. Zij worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die TOTO als gevolg van het illegale kansspelaanbod heeft geleden, nader op te maken bij staat. Ook worden zij veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van het aanbieden of faciliteren van online kansspelen zonder Nederlandse vergunning, op straffe van een dwangsom. De schade wordt in deze procedure nog niet begroot, omdat de omvang daarvan en de precieze financiële gevolgen in een afzonderlijke schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld.

IT 5334

HvJ EU: gezamenlijke overheidscontrole volstaat voor kwalificatie als overheidsonderneming onder open data-richtlijn

HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-gezamenlijke-overheidscontrole-volstaat-voor-kwalificatie-als-overheidsonderneming-onder-open-data-richtlijn

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů). In deze prejudiciële procedure tussen Vodovody a kanalizace Přerov a.s. en de Tsjechische Úřad pro ochranu osobních údajů staat de vraag centraal wanneer een onderneming als "overheidsonderneming" in de zin van de richtlijn inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie moet worden aangemerkt. Meer in het bijzonder verduidelijkt het Hof van Justitie of meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen en of daarvoor vereist is dat zij onderling afstemmen of gemeenschappelijke belangen nastreven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek om inzage in de vergadernotulen van de bestuursorganen van Vodovody a kanalizace Přerov, een Tsjechische vennootschap die actief is op het gebied van drinkwatervoorziening en waterzuivering. De onderneming is vrijwel volledig in handen van verschillende Tsjechische steden en gemeenten, maar geen van deze aandeelhouders bezit zelfstandig een meerderheidsbelang. Nadat de onderneming het informatieverzoek had afgewezen omdat zij zichzelf niet als "overheidsonderneming" beschouwde, oordeelde de Tsjechische toezichthouder dat zij het verzoek alsnog overeenkomstig de nationale informatievrijheidswet moest behandelen. De verwijzende rechter vraagt vervolgens het Hof hoe het begrip "overheidsonderneming" uit artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2019/1024 moet worden uitgelegd. Voordat het Hof de inhoudelijke vragen beantwoordt, gaat het eerst in op zijn bevoegdheid. Hoewel het hoofdgeding betrekking heeft op een verzoek om toegang tot documenten en niet op het hergebruik van overheidsinformatie als zodanig, stelt het Hof vast dat de Tsjechische wetgever de definitie van "overheidsonderneming" uit de richtlijn rechtstreeks en zonder voorbehoud heeft overgenomen in de nationale wetgeving en daarmee de personele werkingssfeer van de nationale informatiewet heeft afgestemd op die van de richtlijn. In lijn met de Dzodzi‑rechtspraak benadrukt het Hof dat de Unie er belang bij heeft dat dergelijke naar Unierecht overgenomen begrippen uniform worden uitgelegd. Daardoor bestaat een duidelijk belang bij een uniforme uitleg van het Unierecht en is het Hof bevoegd de prejudiciële vragen te beantwoorden. Het Hof leidt uit de tekst van artikel 2, punt 3, van de richtlijn af dat het begrip "overheidsonderneming" niet beperkt is tot ondernemingen waarop één openbaar lichaam een overheersende invloed kan uitoefenen. De bepaling spreekt uitdrukkelijk over "de openbare lichamen" in meervoud. Dat sluit aan bij de definitie van overheidsonderneming in Richtlijn 2014/25, waarop de open data‑richtlijn is gebaseerd en die eveneens uitgaat van aanbestedende diensten in meervoud.

IT 5311

Artikel door Gijs van Berkel, Holla Legal & Tax.

AI-verordening: nu al op de schop (de Digitale Omnibus inzake AI en de gevolgen voor fundamentele rechten en vrijheden)

Artikel door Gijs van Berkel. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-2.

De kogel is door de kerk. Terwijl de AI-verordening nog niet volledig in werking is getreden, stemde het Europees Parlement op 16 juni 2026 in met de aanpassingen aan de AI-verordening in het kader van de Digitale Omnibus. De AI-verordening zou volledig in werking treden op 2 augustus 2026, maar nog vóór die datum voert de Europese wetgever de wijzigingen door.

‘Orde in de chaos’; zo lijkt de Digitale Omnibus gepresenteerd te worden. Met dit pakket probeert de Europese Commissie de snel gegroeide hoeveelheid digitale regelgeving binnen de Europese Unie beter op elkaar af te stemmen. Het plan is helder: minder overlappingen, minder inconsistenties en meer ruimte voor innovatie.[1] Voor deze doeleinden liggen er maar liefst twee Omnibus-pakketten: de Digital Omnibus, die onder meer de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’)[2], de Dataverordening[3], de ePrivacy‑richtlijn[4] en de NIS2‑richtlijn[5] aanpast, en een aparte Digital Omnibus on AI, die de AI‑verordening[6] onder handen neemt.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl

IT 5277

Hoog risico onder de AI-verordening: de nieuwe EU-richtlijnen uitgelegd

De Europese Commissie heeft de langverwachte (concept-)richtlijnen gepubliceerd over de classificatie van hoog-risico AI-systemen onder artikel 6 AI-verordening. De richtlijnen zijn formeel niet bindend, maar helpen bedrijven in de praktijk bij de verplichte beoordeling van hun systemen. Centraal staan onder andere de rol van het ‘beoogde doel’, de afbakening van veiligheidscomponenten, de reikwijdte van Annex III en het filtermechanisme van artikel 6 lid 3 AI-verordening. Een week eerder publiceerde de Commissie nog afzonderlijke concept-richtlijnen over de transparantieverplichtingen van artikel 50. Deze bepaling bevat verplichtingen voor aanbieders en gebruikers van bepaalde systemen, waaronder chatbots.

In dit overzichtsartikel volgt een heldere samenvatting van de eerstgenoemde richtlijn, waar nodig aangevuld met commentaar. Tussen haakjes wordt regelmatig verwezen naar de relevante vindplaatsen in de richtlijnen zelf.

Voor het gemak wordt vanaf nu volstaan met de Engelse termen high risk en AI Act.

IT 5260

Rechtbank Den Haag: overheid moet transparant zijn over AI-gebruik bij besluitvorming

Rechtbank Den Haag 10 jul 2025,, IT 5260; ECLI:NL:RBDHA:2025:12290 ([eiser] tegen het COa), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-overheid-moet-transparant-zijn-over-ai-gebruik-bij-besluitvorming

Rb. Den Haag 10 juli 2025, IT 5260; ECLI:NL:RBDHA:2025:12290 ([eiser] tegen het COa). In deze zaak heeft de rechter geoordeeld dat een Handhaving- en Toezichlocatie-plaatsingsbesluit van het COa onvoldoende was gemotiveerd omdat niet transparant was gemaakt of en hoe AI was gebruikt bij de besluitvorming. De rechtbank benadrukt dat bestuursorganen melding moeten maken van het gebruik van algoritmes of AI-tools in besluiten, vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming. Daarnaast verbleef de vreemdeling volgens de rechtbank twee dagen zonder geldige juridische grondslag in de HTL, waardoor sprake was van onrechtmatige vrijheidsbeperking. De beroepen werden gegrond verklaard, het plaatsingsbesluit vernietigd en een schadevergoeding van € 1.425 toegekend. 

IT 5244

Geen recht op netaansluiting bij congestie: TenneT hoeft traject niet te hervatten

Rechtbank Gelderland 29 apr 2026,, IT 5244; ECLI:NL:RBGEL:2026:3358 (Goodman tegen TenneT), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-recht-op-netaansluiting-bij-congestie-tennet-hoeft-traject-niet-te-hervatten

Rb. Gelderland 29 april 2026, IT 5244; ECLI:NL:RBGEL:2026:3358 (Goodman tegen TenneT). In dit kort geding vordert projectontwikkelaar Goodman dat netbeheerder TenneT het aansluittraject voor een elektriciteitsaansluiting hervat en afrondt. Goodman stelt dat zij op basis van een ondertekende offerte, een voorloopopdracht en reeds verrichte betalingen als gecontracteerde afnemer moet worden beschouwd en aanspraak heeft op realisatie van de aansluiting.

IT 5230

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

Gerechtshof Amsterdam 14 apr 2026,, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/schade-na-crypto-investeringen-niet-aangetoond

Hof Amsterdam 14 april 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, omdat appellanten, na het tussenarrest van 3 juni 2025, onvoldoende hebben aangetoond dat zij als gevolg van de eerder aangenomen tekortkoming van geïntimeerde schade hebben geleden en hoe groot die schade dan zou zijn. Het hof had hun opgedragen om per appellant inzichtelijk te maken wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd als die na eind oktober 2018 elders ter belegging waren ondergebracht, vergeleken met wat zij daadwerkelijk van geïntimeerde hebben ontvangen, uitgaande van de tegenwaarde in euro op de data van inleg en uitkering en met 1 oktober 2020 als peildatum. Volgens het hof hebben appellanten die instructies niet gevolgd: hun berekeningen voor onder meer [appellant 11] en [appellant 1] sluiten niet aan bij de feitelijke, in ethereum verrichte uitkeringen in december 2020 en januari 2021, en voor andere appellanten ontbreekt zelfs inzicht in de berekeningsmethode.

IT 5227

Rb. Oost-Brabant zet een streep door ChatGPT-analyse als bewijs in een civiele procedure

Rechtbank Oost-Brabant 8 apr 2026,, IT 5227; ECLI:NLRBOBR:2026:2232 ((AIH tegen UMS)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-oost-brabant-zet-een-streep-door-chatgpt-analyse-als-bewijs-in-een-civiele-procedure

Rb. Oost-Brabant 8 april 2026, IT 5227; ECLI:NLRBOBR:2026:2232 (AIH tegen UMS). De rechtbank Oost-Brabant heeft zich in een betalingsgeschil expliciet uitgesproken over de rol van ChatGPT als onderbouwing van juridische stellingen. In de procedure beriep gedaagde UMS zich in belangrijke mate op een door ChatGPT gegenereerde analyse om te betogen dat een door eiseres AIH opgesteld businessplan inhoudelijk tekortschiet en betaling daarom mocht worden opgeschort. De rechtbank kent aan deze analyse echter geen waarde toe. Doorslaggevend is dat de totstandkoming van de ChatGPT-output onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Zo kon de gebruikte prompt niet worden gereconstrueerd en was onduidelijk welke instellingen zijn gebruikt. Daarnaast bleek dat ChatGPT niet was gevoed met de definitieve versie van het businessplan, maar met een eerdere conceptversie zonder bijlagen. Ook was niet uitgesloten dat processtukken in de input waren verwerkt, terwijl de output wel stellige juridische conclusies bevatte over de rechtmatigheid van opschorting en betalingsweigering.

IT 5202

Rb. Amsterdam: ING niet aansprakelijk voor schade na factuurfraude

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026,, IT 5202; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-ing-niet-aansprakelijk-voor-schade-na-factuurfraude

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23467; IT 5202; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING). De rechtbank wijst de vordering van International Media Distribution (Luxembourg) (IMD) tegen ING Bank N.V. af. IMD was in oktober 2019 slachtoffer geworden van factuurfraude: zij ontving een ogenschijnlijk van haar vaste zakenpartner ART afkomstige factuur en daarna een herziene factuur met een ander rekeningnummer, waarna zij op 28 oktober 2019 een bedrag van € 418.553 overmaakte naar een bij ING aangehouden rekening. Later bleek dat deze rekening niet aan ART toebehoorde, maar aan Fountainebleau Invest B.V. Kort na ontvangst werd het bedrag in meerdere transacties doorgestort naar buitenlandse rekeningen. IMD stelde dat ING haar bijzondere zorgplicht had geschonden doordat de bank, ondanks signalen van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, niet tijdig had ingegrepen. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank IMD opgedragen te bewijzen dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op die rekening. Het aanvankelijk ook opgedragen bewijs dat verhaal op Fountainebleau en gelieerde personen vruchteloos was geweest, hoefde uiteindelijk niet meer te worden geleverd, omdat ING dat punt later niet langer betwistte. De rechtbank verwerpt vervolgens IMD’s betoog dat zij zou moeten terugkomen op het in het tussenvonnis gehanteerde juridische uitgangspunt, waaronder IMD’s stelling dat relevante wetenschap mede uit de werking van geautomatiseerde transactiemonitoringssystemen van ING zou moeten worden afgeleid.