23 okt 2026,
A-G: overname klantenbestand failliete energieleverancier leidt niet tot overname bestaande contracten
Conclusie A-G Valk 23 oktober 2026, IT 5516; ECLI:NL:PHR:2026:998 ([eiser] tegen Innova Energie). Advocaat-generaal Valk concludeert dat bij de overname van het klantenbestand van een failliete energieleverancier de bestaande leveringsovereenkomsten en de bijbehorende tarieven en voorwaarden niet automatisch overgaan op de opvolgende leverancier. De conclusie volgt op prejudiciële vragen van de Rechtbank Den Haag over de rechtsverhouding tussen kleinverbruikers en een nieuwe energieleverancier na het faillissement van hun oorspronkelijke leverancier. De zaak betreft een consument die een energiecontract met vaste tarieven had bij SEPA Green Energy, dat in december 2021 failliet ging. Innova Energie nam het klantenbestand van SEPA over op grond van de destijds geldende besluiten ter waarborging van de leveringszekerheid en bracht vervolgens hogere tarieven in rekening. De consument vordert terugbetaling van € 4.414,87 en stelt dat Innova gebonden is aan de oorspronkelijke overeenkomst. Volgens de A-G regelen de besluiten wel de publiekrechtelijke verplichting om de energielevering voort te zetten, maar niet de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen de nieuwe leverancier en de consument. Van automatische contractsoverneming is geen sprake. Ook vormen de besluiten op zichzelf geen grondslag voor het ontstaan van een nieuwe leveringsovereenkomst.
De A-G beschouwt zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW) als de meest aannemelijke grondslag voor de rechtsverhouding. Wanneer de opvolgende leverancier marktconforme tarieven en voorwaarden hanteert, kan op grond van art. 6:201 BW een nieuwe leveringsovereenkomst tot stand komen. Heeft de consument daartegen terechte bezwaren, dan ontstaat volgens de A-G geen overeenkomst, maar blijft de consument wel verplicht een vergoeding te betalen voor de daadwerkelijk geleverde energie, berekend volgens de destijds gebruikelijke prijzen. Verder concludeert de A-G dat geen sprake is van ongevraagde levering in de zin van art. 7:7 lid 2 BW. Ook zijn de consumentenrechtelijke regels over oneerlijke handelspraktijken en precontractuele informatieplichten volgens hem niet van toepassing op de voortzetting van energielevering in het kader van de wettelijke leveringszekerheidsregeling. Deze regeling dient een publiek belang en schakelt de normale marktwerking voor consumenten tijdelijk uit. De A-G benadrukt ten slotte dat de sinds 1 januari 2026 geldende Energiewet en het Energiebesluit op onderdelen een andere regeling kennen, maar niet van toepassing zijn op de faillissementen uit 2021 en de daaropvolgende leveringen. Het is nu aan de Hoge Raad om de prejudiciële vragen te beantwoorden.
Voorstel voor beantwoording van de prejudiciële vragen
6.1 Het voorgaande brengt mee tot het navolgende voorstel tot beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen.Vraag 1
6.2 Bij een overdracht van het klantenbestand in de eerste vensterperiode gaan de bestaande leveringsovereenkomsten noch hun voorwaarden en tarieven over op de overnemende energieleverancier. Niet alleen is niet voldaan aan de vereisten voor contractoverneming (de kleinverbruiker heeft geen medewerking verleend en bovendien is de wil van de overnemende energieleverancier ook niet op contractsoverneming gericht, hiervoor 5.129-5.130), het is ook niet de strekking van de Besluiten dat de levering van energie op de voorwaarden en tegen de tarieven van de gefailleerde energieleverancier wordt voortgezet (hiervoor 5.88-5.114). Ook art. 3:12 en/of 6:248 BW leidt daartoe dan vanzelfsprekend niet.
Vragen 2 en 3
6.3 Stilzwijgende toestemming achteraf in de totstandkoming van een nieuwe energieleveringsovereenkomst door de kleinverbruiker is in theorie mogelijk, maar lijkt onwaarschijnlijk (hiervoor 5.144-5.151). In verband met art. 6:1 BW, de bedoeling van de regelgever van de Besluiten en bij gebreke van een deugdelijke delegatiebepaling bieden ook de Besluiten zelf geen grondslag voor de totstandkoming van een dergelijke nieuwe energieleveringsovereenkomst (hiervoor 5.68-5.70 en 5.117-5.122).
6.4 Ik meen dat vertegenwoordiging (Selbsteintritt) van de kleinverbruiker door de opvolgende energieleverancier als diens zaakwaarnemer (art. 6:201 BW) wél een aannemelijke grondslag voor de totstandkoming van een nieuwe energieleveringsovereenkomst is (hiervoor 5.174-5.201). Heeft de kleinverbruiker echter terechte aanmerking op de voorwaarden of het tarief van de opvolgende energieleverancier, dan is geen energieleveringsovereenkomst tot stand gekomen. De leverancier heeft dan nog wel recht op betaling voor de feitelijk aan de kleinverbruiker geleverde energie (in zoverre is het belang van de kleinverbruiker wel naar behoren door hem behartigd), maar dan volgens de prijzen die ten tijde van de levering gebruikelijk waren (art. 6:200 lid 2 BW).
6.5 Hoewel redelijkheid en billijkheid zozeer kneedbaar zijn dat niet op voorhand ondenkbaar is dat ze zouden kunnen dienen als grondslag voor een betalingsplicht voor de kleinverbruiker, voegen ze mijns inziens niet iets toe aan de hier zozeer gepaste grondslag van zaakwaarneming (5.206-5.207).
6.6 Van ongevraagde levering van energie van de overnemende leverancier aan de consument als bedoeld in art. 7:7 lid 2 BW is geen sprake. De regel van die bepaling ziet niet op een nationale regeling van een ‘openbaredienstverplichting’ respectievelijk maatregelen ter bescherming van afnemers zoals voorzien in de Besluiten. De Besluiten en de daarop gegronde praktijk waarborgt de leveringszekerheid voor kleinverbruikers in de bijzondere situatie van insolventie van een energieleverancier. Die leveringszekerheid is een openbaar belang alsook een gezondheidsbelang van consumenten, dat van de economische belangen van consumenten kan en moet worden onderscheiden.
Vraag 4
6.7 Er bestaat geen aanleiding om voor de beantwoording van de vragen 3 en 4 onderscheid te maken tussen de eerste periode van dertig dagen na de overdracht van de klant aan de overnemende leverancier (binnen welke periode het de klant volgens de Besluiten verboden is over te stappen naar een ander energieleverancier) en de periode daarna. De eventuele gebondenheid van de kleinverbruiker aan een nieuwe energieleveringsovereenkomst respectievelijk zijn betalingsplicht voor feitelijk geleverde energie hebben geen relatie met het wel of niet bestaan van de bedoelde overstapmogelijkheid.
Vragen 5 en 6
6.8 Ook de informatieplichten van art. 6:230m e.v. BW en de specifieke precontractuele informatieplicht van art. 95m lid 1 Elektriciteitswet 1998 en art. 52b Gaswet zien niet op een nationale regeling van de openbaredienstverplichting ter bescherming van de leveringszekerheid van kleinverbruikers en op de praktijk die op die regeling is gegrond. Hetzelfde geldt voor regels met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken van art. 6:193a e.v. BW. Deze regels van consumentenrecht hebben gemeen dat zij ertoe dienen om marktgedrag in goede banen te leiden. Anders gezegd, zij strekken ertoe consumenten bij hun economisch handelen op de interne markt een hoog beschermingsniveau te bieden. In het belang van de leveringszekerheid schakelen de Besluiten de markt ten aanzien van de consument echter juist tijdelijk uit. Daarom kunnen de bedoelde informatieplichten niet van toepassing zijn. Dit volgt mijns inziens ook reeds voldoende duidelijk uit de rechtspraak van Hof van Justitie van de EU met betrekking tot de respectieve regelingen (hiervoor 5.208-5.236).
6.9 Aan vraag 6 wordt dus niet toegekomen.