A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG
Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23518; IT 5249; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING). Deze conclusie van A-G Drijber (zitting 24 april 2026) betreft een geschil tussen een ondernemer (eiser) en ING over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de zakelijke bankrelatie beëindigd omdat zij onvoldoende kon uitsluiten dat eisers cashgelden betrokken waren bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een adequate inkoopadministratie en schending van de registratieplicht ex art. 437 Sr. Eiser vorderde verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de geregistreerde gegevens geen strafrechtelijke persoonsgegevens zijn in de zin van art. 10 AVG, de vastgelegde feiten en omstandigheden (grote cashuitgaven zonder verantwoording, het ontbreken van een adequate boekhouding en onvoldoende maatregelen om betrokkenheid bij strafbare feiten uit te sluiten) kunnen geen bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv dragen, en dat de verwerking een gerechtvaardigd doel dient op grond van art. 6 lid 1 onder f AVG (waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, mede gelet op de Wwft-verplichtingen van ING), dat de persoonsgegevens uitsluitend intern toegankelijk zijn, dat eiser niet in zijn toegang tot financiële diensten elders is belemmerd, en dat de aantekening een correcte weergave vormt van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie.