3 aug 2026,
Aanwijzing Messenger als kernplatformdienst blijft in stand, Marketplace-aanwijzing nietig
Gerecht EU 3 juni 2026, IT 5433; ECLI:EU:T:2026:357 (Meta Platforms tegen de Europese Commissie). In deze zaak verzoekt Meta Platforms om gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 5 september 2023 waarbij zij op grond van artikel 3 van Verordening (EU) 2022/1925, de Digital Markets Act (DMA), als poortwachter is aangewezen. De Commissie merkt onder meer Facebook aan als onlinesocialenetwerkdienst met Messenger als daarvan onderscheiden nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst en Marketplace als afzonderlijke onlinetussenhandelsdienst. Volgens de Commissie vormen Messenger en Marketplace zelfstandige kernplatformdiensten en zijn de kwantitatieve drempels van artikel 3 lid 2 DMA bereikt, zodat wordt vermoed dat deze diensten voor zakelijke gebruikers een belangrijke toegangspoort tot eindgebruikers vormen. Meta bestrijdt de aanwijzing voor Messenger en Marketplace. Ten aanzien van Messenger stelt zij onder meer dat deze dienst slechts een geïntegreerde functionaliteit van Facebook vormt en dat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat Messenger afzonderlijk de gebruikersdrempel bereikt en een belangrijke toegangspoort vormt.
Het Gerecht verwerpt deze bezwaren. Messenger is een zelfstandige nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst die van Facebook kan worden onderscheiden, onder meer omdat Messenger via afzonderlijke applicaties wordt aangeboden, onafhankelijk van het sociale netwerk kan worden gebruikt en Meta specifieke Messenger-instrumenten aanbiedt waarmee ondernemingen met gebruikers kunnen communiceren. Bij het bepalen van het aantal eindgebruikers hoefde de Commissie bovendien niet uitsluitend Messenger-gebruikers mee te tellen die geen Facebook-gebruiker zijn. Meta heeft geen voldoende onderbouwde argumenten aangevoerd die de vermoedens van artikel 3 lid 2 DMA kennelijk ter discussie stellen, zodat de Commissie niet verplicht was op grond van artikel 17 DMA een marktonderzoek te openen. Ook zijn Meta's rechten van verdediging niet geschonden. De aanwijzing van Messenger als zelfstandige kernplatformdienst die een belangrijke toegangspoort vormt, blijft daarom in stand. Voor Marketplace komt het Gerecht echter tot een ander oordeel. Bij de kwalificatie van Marketplace als onlinetussenhandelsdienst in de zin van artikel 2, punt 5, DMA heeft de Commissie een onjuist juridisch tijdskader toegepast. Zij meende daarvoor te kunnen uitgaan van gegevens uit de drie boekjaren voorafgaand aan de aanwijzing, 2020 tot en met 2022. Het Gerecht oordeelt dat de Commissie daarmee het tijdskader voor de kwantitatieve voorwaarde van artikel 3 lid 2, onder c, DMA heeft verward met het tijdstip waarop moet worden beoordeeld of een dienst überhaupt onder een categorie kernplatformdienst van artikel 2 DMA valt. Voor die laatste kwalificatie heeft de Uniewetgever geen retrospectieve beoordeling over drie jaren voorgeschreven. De Commissie had daarom rekening moeten houden met wijzigingen die Meta op 31 juli 2023, vóór het aanwijzingsbesluit, in Marketplace had doorgevoerd en die het aantal advertenties per gebruiker beperkten met het doel professioneel gebruik tegen te gaan. Bovendien voldoet het besluit niet aan de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU: de Commissie analyseert niet concreet waarom Marketplace na die wijzigingen nog voldeed aan de voorwaarde dat zakelijke gebruikers via de dienst goederen of diensten aan consumenten kunnen aanbieden. Dat de Commissie Marketplace in april 2025 inmiddels uit de aanwijzing had verwijderd, ontneemt Meta haar procesbelang bij nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit niet. Het Gerecht verklaart daarom artikel 2, onder f, van het aanwijzingsbesluit nietig voor zover Marketplace daarin als kernplatformdienst is aangewezen, verwerpt het beroep voor het overige en bepaalt dat Meta, de Commissie en de Franse Republiek ieder hun eigen kosten dragen.
270. Gelet op het voorgaande moeten het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel worden aanvaard, voor zover de Commissie het recht onjuist heeft toegepast bij de vaststelling van het toepasselijke tijdskader voor de kwalificatie van Marketplace als onlinetussenhandelsdienst, doordat zij van mening was dat zij enkel rekening hoefde te houden met de informatie van de laatste drie boekjaren voorafgaand aan de aanwijzing, en moet ook het derde onderdeel van het tweede middel worden aanvaard, voor zover de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen met betrekking tot de rechtvaardiging van de kwalificatie van Marketplace als onlinetussenhandelsdienst ondanks de wijzigingen van 31 juli 2023.