Internet

IT 3148

Kamerstuk: brief internetcriminaliteit van minister Grapperhaus

Op 20 mei heeft minister Grapperhaus aan de voorzitter van de Tweede Kamer de brief internetcriminaliteit gestuurd. Hierin gaat hij in op enkele belangrijke dilemma's bij de aanpak van internetcriminaliteit.

Zo zal ik in deze brief ingaan op de relatie tussen de opsporing en het behouden van het open en vrije karakter van het internet. Dit geldt zowel voor de toegang daartoe als de bewegingsvrijheid er op, inclusief de bescherming van de privacy van gebruikers. Mijn inzet is er ten eerste op gericht om de online anonimiteit van verdachten van strafbare feiten zoveel mogelijk weg te nemen, zonder daarbij het open karakter van het internet aan te tasten.
Ten tweede span ik mij, zowel op nationaal als op Europees en internationaal niveau, in voor het veilig gebruik van een open internet, onder andere door het schoonhouden daarvan, en aan een effectieve preventieve aanpak en opsporing van strafbare feiten. Dit is deels een klassieke opsporingstaak, maar gaat vaak ook in samenwerking met service providers en aanbieders van content, die hier ook een eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. Die verantwoordelijkheid wordt steeds meer genomen, hetgeen ik toejuich. Daar waar dat niet geval is spreek ik hen er op aan en werk ik aan het uitbreiden van de wettelijke instrumenten, waarbij een goede balans moet worden gevonden tussen de belangen van alle betrokken partijen.
Tot slot werk ik in internationaal verband aan het vergroten van de mogelijkheden om grensoverschrijdende opsporing in samenhang met andere landen te versnellen en te vergemakkelijken. Het grootste deel van het internetgebruik is inherent grensoverschrijdend van karakter en dit levert obstakels op voor de opsporing in Nederland, net zoals dat obstakels in andere landen oplevert.

Lees verder op Tweede Kamer.nl.

IT 3140

Is een digitale opslagruimte een gegevensdrager?

Hoge Raad 12 mei 2020, IT 3140; ECLI:NL:HR:2020:799 (Digitale opslagruimte), http://www.itenrecht.nl/artikelen/is-een-digitale-opslagruimte-een-gegevensdrager

HR 12 mei 2020, IT 3140; ECLI:NL:HR:2020:799 (Digitale opslagruimte) Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte “een gegevensdrager, te weten een digitale opslagruimte (Skydrive)” in zijn bezit heeft gehad, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. De vraag die gesteld wordt aan de Hoge Raad is: ‘Is een digitale opslagruimte een gegevensdrager a.b.i. art. 240b Sr?’

Er wordt overwogen dat er, in het geval van digitale opslag door gebruik van een clouddienst, onderscheid moet worden gemaakt tussen de voor de gebruiker beschikbare digitale opslagruimte en de gegevensdrager waarop die opslagruimte zich bevindt. Volgens de wetsgeschiedenis heeft de term 'bezit' a.b.i. art. 240b SR een fysieke connotatie, dus heeft het Hof dit verkeerd beoordeeld door bewezen te verklaren dat verdachte  “een gegevensdrager, (...) te weten een digitale opslagruimte (Skydrive)” in zijn bezit heeft gehad.

Doordat er bewezen is verklaard dat verdachte een latop in bezit had, leidt dit niet tot cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring vervalt, de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, terwijl ook de kwalificatie van het bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. Het beroep wordt verworpen.

IT 3132

Inbreuk door publiceren van sexy foto's uit fotoshoot

Rechtbank 1 mei 2020, IT 3132; ECLI:NL:RBROT:2020:4296 (Boudoir fotoshoot), http://www.itenrecht.nl/artikelen/inbreuk-door-publiceren-van-sexy-foto-s-uit-fotoshoot

Ktr. Rechtbank Rotterdam 1 mei 2020, IEF 19199, IT 3132; ECLI:NL:RBROT:2020:4296 (Boudoir fotoshoot) Gedaagde is bruidsfotograaf en beheert, onder andere, de website. Op 4 september 2017 heeft eiseres deelgenomen aan een in opdracht van eiseres door gedaagde uitgevoerde boudoir fotoshoot, op de website van gedaagde omschreven als ‘een romantische fotoshoot met een sexy randje’. Eiseres stelt dat gedaagde meervoudig inbreuk heeft gemaakt op het portretrecht van eiseres door het verveelvoudigen c.q. publiceren en/of openbaar maken. Gedaagde publiceerde namelijk in totaal 9 in opdracht van eiseres vervaardigde foto’s, zonder nadrukkelijke toestemming van eiseres. Daarnaast maakte gedaagde de foto’s openbaar door middel van plaatsing op de website en/of op social media platforms. Ook stelt ze dat gedaagde aansprakelijk is voor de door eiseres gelden en nog te leiden (immateriële) schade als gevolg van de meervoudige inbreuk op het portretrecht.

IT 3133

Oma moet foto’s van sociale media verwijderen

Rechtbank 13 mei 2020, IT 3133; ECLI:NL:RBGEL:2020:2521 ((Foto's kleinkinderen)), http://www.itenrecht.nl/artikelen/oma-moet-foto-s-van-sociale-media-verwijderen

Rechtbank Gelderland 13 mei 2020, IEF 19202, IT 3133; ECLI:NL:RBGEL:2020:2521 (Foto’s kleinkinderen) Eiseres is de dochter van gedaagde. Vanwege een ruzie hebben partijen al ruim een jaar geen contact meer met elkaar. Eiseres heeft drie minderjarige kinderen. Ze heeft samen met haar ex-partner het gezamenlijke ouderlijk gezag over het oudste kind en zij heeft als enige het ouderlijk gezag over de twee jongste kinderen. Het oudste kind heeft een aantal jaren bij zijn grootouders in huis gewoond. Daarna is hij bij zijn vader gaan wonen. De oma plaatste in die tijd – maar ook daarna – foto’s van haar kleinkinderen op Facebook. Eiseres stelt dat zij en haar ex-partner geen toestemming hebben gegeven en sommeerde via een advocaat haar moeder om de geplaatste foto’s van haar kinderen op Facebook te verwijderen. De vraag is dus of oma gehouden is om de foto’s van de kinderen van eiseres van social media te verwijderen.

Op last van een dwangsom is bepaald dat de foto’s van het internet moeten, omdat niet gebleken is dat de vrouw de foto’s slechts gebruikt voor een zuiver persoonlijke activiteit. Verder is het onduidelijk in hoeverre zij haar Facebook-account had afgeschermd voor derden en is onduidelijk of de foto’s via een zoekmachine te vinden zijn. Daarnaast is bij Facebook niet uit te sluiten dat geplaatste foto’s verspreid kunnen worden en in handen van derden kunnen komen. De AVG en Uavg zijn dan ook van toepassing. In de UAVG is bepaald dat voor het plaatsen van foto’s van minderjarigen, die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger(s) is vereist. Daarnaast is overwogen dat oma geen nieuwe afbeeldingen van haar kleinkinderen op social media mag plaatsen zonder toestemming. Haar emotionele band met het oudste kind leidt niet tot een ander oordeel.

IT 3119

Conclusie A-G: geen betrekking op email, telefoonnummer of ip-adres

HvJ EU 2 apr 2020, IT 3119; ECLI:EU:C:2020:261 (Constantin Film Verleih tegen YouTube en Google), http://www.itenrecht.nl/artikelen/conclusie-a-g-geen-betrekking-op-email-telefoonnummer-of-ip-adres

HvJ EU A-G 2 april 2020, IEF 19173, IT 3119, IEFbe 3070; ECLI:EU:C:2020:261 (Constantin Film Verleih tegen YouTube en Google) Constantin Film Verleih is een Duitse onderneming die stelt houdster te zijn van de exclusieve gebruiksrechten van twee films. Zij eist dat het internetplatform YouTube en de moedermaatschappij Google informatie verstrekken over het e-mailadres, het telefoonnummer en het IP-adres van gebruikers die de betrokken films illegaal op YouTube hebben geüpload. Er is twijfel of de verzochte informatie valt onder het begrip “de naam en het adres” in de zin van artikel 8(2)a) van de richtlijn. Enerzijds zouden deze gegevens het enige doeltreffende middel voor de handhaving van intellectuele eigendomsrechten kunnen vormen, anderzijds zijn IP-adressen persoonsgegevens. Het Landgericht Frankfurt am Main heeft de vorderingen afgewezen. Het Oberlandesgericht Frankfurt am Main heeft in hoger beroep YouTube en Google veroordeeld om de e-mailadressen van de betrokken gebruikers te verstrekken en de overige vorderingen afgewezen. Het Bundesgerichtshof vraagt zich af of de geëiste informatie valt onder artikel 8(2)(a) van de Handhavingsrichtlijn en stelt prejudiciële vragen [IEF 18550].

De A-G is van mening dat artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling gehanteerde begrip „namen en adressen” met betrekking tot een gebruiker die bestanden op internet heeft geplaatst die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, geen betrekking heeft op het e-mailadres, het telefoonnummer of het IP-adres dat is benut om deze bestanden online te plaatsen, noch op het IP-adres dat is benut bij de laatste toegang tot de gebruikersaccount.

IT 3110

Domeinnamen digitale nalatenschap zijn geen gezamenlijk eigendom

Rechtbank 20 mrt 2020, IT 3110; ECLI:NL:RBNHO:2020:2054 (Digitale Nazorg tegen 4 Bis Innovations), http://www.itenrecht.nl/artikelen/domeinnamen-digitale-nalatenschap-zijn-geen-gezamenlijk-eigendom

Vzr. Rechtbank Noord-Holland 20 maart 2020, IT 3110; ECLI:NL:RBNHO:2020:2054 (Digitale Nazorg tegen 4 Bis Innovations) Kort geding. Digitale Nazorg houdt zich bezig met het beheren en afwikkelen van de digitale nalatenschap van mensen die zijn overleden of die verwachten binnen enige tijd te overlijden. Bis Innovations is een softwareontwikkelaar die tevens hostingdiensten verleent. Digitale Nazorg vordert samengevat - dat 4 Bis Innovations wordt veroordeeld om de domeinnamen digitalenazorg.nl, digitalevoorzorg.nl en i-finish.nl binnen 24 uur na betekening van het vonnis op naam van Digitale Nazorg te stellen. Verweerder 4 Bis Innovations wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. 4 Bis Innovations, of derde DEH, is geen mede-eigenaar van of rechthebbende op de domeinnamen digitalenazorg.nl en digitalevoorzorg.nl. De omstandigheid dat Digitale Nazorg met DEH heeft afgesproken om haar diensten te laten lopen via de website van i-Finish, maakt nog niet dat daarmee de domeinnamen digitalevoorzorg.nl en digitalenazorg.nl zijn ingebracht in het samenwerkingsverband en gezamenlijk eigendom zijn geworden van Digitale Nazorg en DEH. Verder moet Digitale Nazorg toegang krijgen tot de e-mailaccounts en websitefunctionaliteiten gekoppeld aan de domeinnaam i-finish.nl.

IT 3103

Raadslid hoeft uitlatingen niet te rectificeren

Rechtbank 9 apr 2020, IT 3103; ECLI:NL:RBROT:2020:3186 (Marcan tegen Tak), http://www.itenrecht.nl/artikelen/raadslid-hoeft-uitlatingen-niet-te-rectificeren

Vzr. Rechtbank Rotterdam 9 april 2020, IEF 19136, IT 3103; ECLI:NL:RBROT:2020:3186 (Marcan tegen Tak) Marcan drijft een onderneming die in Rotterdam onroerend goed verhuurt aan exploitanten van winkels, cafés en restaurants. Tak is lid van de gemeenteraad in Rotterdam. Hij houdt zich onder meer bezig met de onderwerpen horeca en toerisme. Tak had in verschillende (sociale) media het vastgoedbedrijf uitgemaakt voor ‘boevenclub’ en gesteld dat zij haar huurders ‘uitkneep’. Ook heeft hij het vastgoedbedrijf als ‘egoïstisch’ bestempeld. Tak doelt daarbij op de manier waarop het vastgoedbedrijf zich volgens hem tegenover haar huurders gedraagt. Marcan wilde dat de uitspraken zouden worden gerectificeerd en was daarvoor naar de rechter gestapt. Er is geoordeeld dat hier sprake is van een botsing tussen twee fundamentele rechten. Enerzijds het recht op de vrijheid van meningsuiting van het raadslid en anderzijds het recht op eer en goede naam van het vastgoedbedrijf. In dit specifieke geval is geoordeeld dat het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder weegt. De vorderingen van het vastgoedbedrijf om de uitlatingen te rectificeren zijn dan ook afgewezen.

IT 3088

EU-verlies is verrekenbaar met pokerwinsten in derde landen

Rechtbank 19 feb 2020, IT 3088; ECLI:NL:RBNHO:2020:1321 (Eiser tegen Belastingdienst), http://www.itenrecht.nl/artikelen/eu-verlies-is-verrekenbaar-met-pokerwinsten-in-derde-landen

Rechtbank Noord-Holland 19 februari 2020, IT 3088 ;ECLI:NL:RBNHO:2020:1321 (Eiser tegen Belastingdienst) Eiser woont sinds juni 2016 in Nederland. Eiser doet aangifte kansspelbelasting over juni en juli 2016 in verband met zijn pokerwinsten op internet. Volgens Eiser is de verschuldigde belasting nihil. In geschil is of terecht een naheffingsaanslag is opgelegd van € 5892. Een deel van de betreffende websites is onderdeel van de A-groep, waarvan het hoofdkantoor - buiten de EU - op het eiland Man is gevestigd. Volgens eiser zijn de houders van het spel twee - binnen de EU - op Malta gevestigde dochtervennootschappen. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk maakt dat de Maltese tak houder is van de internetpokerspelen, maar hij mag zijn negatieve saldo bij EU-aanbieders wel verrekenen met het positieve saldo bij in derde landen gevestigde aanbieders. Eiser mag binnen één tijdvak niet de voor hem gunstige elementen van beide regelingen - art. 56 VWEU en de Wet KSB – combineren. Eiser kan aldus in juni 2016 een verlies van € 537 verrekenen. Het beroep van X is deels gegrond.