IT 3234

Afwijzing verzoek om verwijdering achterstandscodering CKI

Hof Den Haag 8 september 2020, IT 3234; ECLI:NL:GHDHA:2020:1569 (Verzoekster tegen ING Bank) Privacyrecht. Verzoekster verzocht om verwijdering van een achterstandscodering bij het Centraal Kredietinformatiesysteem (CKI) van het Bureau Kredietregistratie (BKR) door ING, maar de rechtbank wees dit bij beschikking af. Verzoekster gaat in hoger beroep tegen deze afwijzing. Partijen zijn het oneens over op welke grond de belangenafweging moet worden gemaakt. De registratie van het CKI vormt een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG. De gegevensverwerking valt onder art. 6 lid 1 onder f AVG en niet tevens onder art. 6 lid 1 onder c AVG. Het recht van bezwaar komt derhalve aan verzoekster toe op grond van art. 21 lid 1 AVG en de belangenafweging dient op grond van deze bepaling te geschieden. Bij de beoordeling van het verwijderingsverzoek moet worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft een juiste belangenafweging gemaakt. De grieven van verzoekster falen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

13.5. Uit de woorden “ten minste een” in de aanhef van artikel 6 lid 1 AVG blijkt dat de verschillende onderdelen daarvan niet elkaar uitsluitende categorieën vormen. Naar het oordeel van het hof levert artikel 6 lid 1 onder f AVG in elk geval een grondslag op voor de gegevensverwerking door het BKR van de gegevens van [verzoekster], gelet op het hiervoor in 13.2 genoemde doel van de kredietregistratie. Dat de gegevensverwerking daarnaast noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die rust op ING als verwerkingsverantwoordelijke – aangenomen dat ING als zodanig kan worden beschouwd – vindt het hof niet aannemelijk. De door ING in dit verband genoemde verplichting is immers de verplichting om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Niet gezegd kan worden dat ING niet aan die deelnemingsverplichting voldoet als zij de gegevens van [verzoekster] niet in het CKI verwerkt. Het hof gaat er dan ook van uit dat nu de gegevensverwerking valt onder artikel 6 lid 1 onder f AVG en niet tevens onder artikel 6 lid 1 onder c AVG, aan [verzoekster] het recht van bezwaar op grond van artikel 21 lid 1 AVG toekomt.

16. Het hof acht de door de rechtbank gemaakte belangenafweging juist en neemt deze over. Met betrekking tot de bezwaren van [verzoekster] overweegt het hof het navolgende.
[verzoekster] is haar verplichtingen uit een ander krediet bij ING inderdaad volledig nagekomen, maar dat geldt niet voor haar verplichtingen uit de in 2007 overeengekomen kredietfaciliteit. Vast staat immers dat daarin achterstanden zijn ontstaan, die ING aanleiding hebben gegeven (en aanleiding hebben mogen geven) tot opzegging van het krediet en opeising van het openstaande saldo, waarna [verzoekster] niet in staat bleek het opgeëiste bedrag tijdig te voldoen. Dat [verzoekster] later het verschuldigde bedrag alsnog heeft afgelost, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij (steeds) ‘volledig’ heeft voldaan aan haar verplichtingen. Wat zij bedoelt met het onderscheid tussen achterstand en overschrijding op de hoofdvordering, is het hof niet duidelijk geworden. Met betrekking tot het krediet bij Defam heeft ING onweersproken erop gewezen dat dit krediet niet is verstrekt aan [verzoekster] maar aan haar echtgenoot.
Ook als zou worden aangenomen dat [verzoekster] financieel betrouwbaar is, hetgeen door ING wordt betwist, brengt dat niet mee dat het gevaar van overkreditering afwezig is en dat ING mag afzien van registratie overeenkomstig het AR, niet alleen ter bescherming van [verzoekster] maar ook met het oog op de beoordeling door andere aanbieders van de risico’s van kredietverlening aan [verzoekster]. Niet valt in te zien waarom dit buiten de doelstelling van het BKR zou vallen.
Of verwijdering van eenmaal terecht aangebrachte coderingen slechts in uitzonderlijke gevallen dient plaats te vinden, kan in het midden blijven. Het gaat er slechts om de belangenafweging uit te voeren in het licht van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zoals overwogen, onderschrijft het hof de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging. Daarbij speelt een rol dat ook in hoger beroep niet is gebleken dat voor de uitvoering van de plannen met de woning van [verzoekster] thans een dringende noodzaak bestaat. Overigens heeft [verzoekster] wel verklaard dat de registratie het onmogelijk maakt om de daarvoor benodigde hypothecaire financiering te verkrijgen, maar ING heeft dit gemotiveerd betwist en ter zitting is gebleken dat [verzoekster] alleen een telefonische afwijzing van Florius heeft gehad en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om die afwijzing in de interne klachtprocedure van Florius te laten herbeoordelen. Over de huidige financiële situatie van [verzoekster] hebben partijen ter zitting gedebatteerd. Daaruit is het hof niet gebleken dat die financiële situatie zodanig is dat handhaving van de registratie onevenredig moet worden geacht. Ter zitting heeft [verzoekster] nog bepleit dat ING de registratie tijdelijk intrekt, zodat [verzoekster] de mogelijkheid heeft de door haar gewenste financiering te krijgen, waarna ING haar wederom zou mogen registreren. Een zodanige tijdelijke onderbreking van de registratie verwerpt het hof, omdat daarmee Florius of een andere kredietaanbieder op het verkeerde been kan worden gezet. Grief 2 slaagt niet.