IT 3185

Afwijzing verzoek om verwijdering bijzonderhedencodering CKI


Hof Den Haag 16 juni 2020, IT 3185; ECLI:NL:GHDHA:2020:1180 (Appellant tegen ING Bank) Privacyrecht. Appellant verzocht om verwijdering van een bijzonderhedencodering in het Centraal Kredietinformatiesyseem (CKI) van het Bureau Kredietregistratie (BKR), maar de rechtbank wees dit bij beschikking af. Appellant gaat in hoger beroep tegen deze afwijzing. De registratie van een bijzonderhedencode in het CKI vormt een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG. Ingevolge artikel 21 lid 1 AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke bij bezwaar van de betrokkene de verwerking van de persoonsgegevens te staken, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen van de betrokkene. Hierbij moet worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De grieven van appellant dat de noodstand uitsluitend moet worden toegeschreven aan een door ING gemaakte fout, dat ING niet tot bijzonderhedencodering over mocht gaan omdat appellant geen vooraankondiging had ontvangen en dat de codering niet proportioneel en evenredig is, falen. Derhalve wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3.7. Uit de overgelegde rekeningafschriften van de privérekening van [appellant] blijkt dat [appellant] tussen 26 februari 2016 en 1 maart 2016 enkele betalingen heeft verricht, maar ook dat het grootste deel van de op 20 april 2016 ontstane roodstand het gevolg is van betalingen gedaan na 1 maart 2016, derhalve gedurende de periode waarin [appellant] ermee rekening diende te houden dat zijn rekening voor het beslagen bedrag zou worden gedebiteerd. Over betalingen tussen 26 februari en 1 maart 2016 ten laste van zijn zakelijke betaalrekening, heeft [appellant] niets gesteld. Voor zover [appellant] in hoger beroep de stelling heeft betrokken dat hij niet op de hoogte is gesteld van het beslag, gaat het hof daaraan voorbij omdat [appellant] niet heeft toegelicht hoe zich dit verhoudt tot zijn concrete en andersluidende stellingname in eerste aanleg en de daarbij door hem zelf in het geding gebrachte brief van 1 maart 2016 waarin ING hem informeerde over het gelegde beslag. ING heeft op dat laatste ook gewezen en [appellant] is daarop niet meer ingegaan. Dat ING gerechtigd was het bedrag waarvoor beslag was gelegd af te boeken en [appellant] in zijn verhouding tot ING een daardoor ontstane roodstand diende aan te vullen is als zodanig niet (voldoende) betwist. Tegen deze achtergrond kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de roodstand (uitsluitend) het gevolg was van een fout van ING. Dat ING in haar verhouding tot BKR (krachtens het toepasselijke AR) een roodstand als de onderhavige diende registreren is niet (voldoende) weersproken. Voor zover [appellant] in de – zoals door ING was aangevoerd en ter zitting ook is vastgesteld – onterechte veronderstelling verkeerde dat uitsluitend beslag was gelegd voor een proceskostenveroordeling althans hij dit bedrag geheel uit de uitkering voor zodanige kosten van zijn rechtsbijstandsverzekering zou kunnen voldoen, doet dit aan het voorgaande niet af. Die voorstelling van zaken komt geheel voor risico van [appellant] en raakt niet aan zijn verhouding met ING. Voor zover de grief aanvoert dat de roodstand uitsluitend moet worden toegeschreven aan een door ING gemaakte fout bij de verwerking van het beslag, faalt zij derhalve. Voor het overige verwijst het hof naar 3.12 van deze beschikking, waarin een en ander in de te maken belangenafweging zal worden betrokken.

3.9. Voor zover de grief aanvoert dat slechts indien de ontvangst van een schriftelijke vooraankondiging vaststaat tot registratie mag worden overgegaan, faalt zij. Het AR is een overeenkomst tussen de kredietverlener (‘zakelijke klant’) en het BKR waarbij de rekeninghouder/kredietnemer (‘consument’) geen partij is. Art. 25 lid 3 AR verplicht de zakelijke klant “indien zich een achterstand voor dreigt te doen (…) van te voren schriftelijk te waarschuwen dat het niet betalen leidt tot het melden van een achterstand bij BKR”. Lid 4 bepaalt vervolgens dat de zakelijke klant “de verzending van de vooraankondiging kan aantonen door het overleggen van de kopie van het bericht aan de consument dan wel door het overleggen van een print van dat bericht uit zijn computersysteem”. ING heeft met producties 7 en 8 bij het verweerschrift in eerste aanleg genoegzaam – op de in lid 4 van het AR bedoelde wijze – onderbouwd dat zij schriftelijke vooraankondigingen heeft verzonden en heeft daarmee aan de desbetreffende verplichtingen uit het AR voldaan. Gesteld noch gebleken is dat ING een onjuist adres heeft gehanteerd. De grief neemt (kennelijk) tot uitgangspunt dat art. 25 AR aldus moet worden uitgelegd dat bij gebreke van bewijs van (door een consument betwiste) ontvangst van de schriftelijke vooraankondiging niet tot doorgave van de bijzonderhedencodering mag worden overgegaan althans de registratie op verzoek van de consument alsnog dient te worden verwijderd. Feiten of omstandigheden die een zodanige uitleg rechtvaardigen zijn evenwel gesteld noch gebleken. Daargelaten dat de consument geen partij is bij het AR dat haar eigen toepassingsbereik in art. 2 beperkt tot ‘uitsluitend de verhouding tussen het BKR en haar zakelijke klanten’, wijst het vierde lid van art. 25 AR veeleer erop dat de zakelijke klant met de verzending van de vooraankondiging aan haar verplichtingen jegens BKR heeft voldaan. Bij het voorgaande komt nog dat niet in geschil is dat [appellant] in ieder geval door middel van een aan hem op 28 februari 2018 gestuurde bankmail op de hoogte is gesteld dat kredietregistratie zou volgen indien het saldo niet zou worden aangevuld. De ontvangst van die bankmail is niet betwist. Zo [appellant] deze bankmail niet heeft geopend komt dat voor zijn rekening en risico. [appellant] heeft, tenslotte, ook niet aangevoerd dat de termijn tussen deze melding (28 februari 2018) en de registratie (21 maart 2018) voor hem redelijkerwijs te kort was om het (toen nog bestaande) negatieve saldo te voldoen, of althans om (nader) respijt te vragen. Het voorgaande laat onverlet dat de wijze waarop een kredietregistratie is aangekondigd mee kan wegen in de (onder 3.4 bedoelde) belangenafweging. Daarop zal het hof hierna onder 3.12 ingaan.

3.13. Afweging van de hiervoor besproken belangen leidt het hof tot het oordeel dat de registratie van de bijzonderhedencodering niet onevenredig is en dwingende gerechtvaardigde belangen bestaan bij handhaving van de registratie. Feiten die meebrengen dat het belang bij registratie, uit oogpunt van subsidiariteit, op andere wijze afdoende zou kunnen zijn gediend zijn niet aangevoerd. Ook grief 4 faalt derhalve.