29 jul 2026,
Kopieer citeerwijze ||
[appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht
Afwijzing wijziging identiteitsgegevens in BRP wegens onvoldoende bewijs dat brondocumenten op [appellant] betrekking hebben
RvS 29 juli 2026, IT 5460; ECLI:NL:RVS:2026:4440 ([appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht). [appellant] verzocht het college om zijn in de basisregistratie personen (BRP) geregistreerde voornaam en geslachtsnaam te wijzigen, omdat de identiteit waaronder hij sinds zijn asielprocedure in 1995 stond geregistreerd volgens hem vals was. Die gegevens waren destijds op basis van een verklaring onder ede in de BRP opgenomen en [appellant] had op basis daarvan ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ter onderbouwing van de door hem gestelde Algerijnse identiteit legde hij onder meer verschillende geboorteakten, een Algerijns paspoort, identiteitskaarten en een uittreksel van een huwelijksakte over. Bureau Documenten van de IND achtte de meeste documenten echt, maar kon wegens onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen oordeel geven over de correcte opmaak en afgifte. Daarnaast verschilden twee gezichtsvergelijkende onderzoeken van conclusie: Securitech achtte het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dezelfde persoon, terwijl Bureau Documenten slechts redelijke steun vond voor die hypothese. Het college wees het verzoek af omdat niet voldoende vaststond dat de overgelegde documenten daadwerkelijk betrekking hadden op [appellant]. De rechtbank Limburg liet die afwijzing in stand.
De Afdeling stelt voorop dat de bewijslast bij degene ligt die wijziging van identiteitsgegevens in de BRP verlangt: [appellant] moet aannemelijk maken dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde brondocumenten daadwerkelijk op hem betrekking hebben. Dat de documenten echt zijn, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college betekenis mocht toekennen aan het gezichtsvergelijkende onderzoek van Bureau Documenten, ondanks de sterkere conclusie van Securitech. Het Algerijnse paspoort en de identiteitskaart waren bovendien lang geleden afgegeven en beide gezichtsvergelijkende onderzoeken lieten de mogelijkheid open dat de daarin genoemde persoon iemand anders was dan [appellant]. Daarbij is mede van belang dat de gestelde Algerijnse identiteit vier broers heeft. Een redelijke bewijslastverdeling brengt daarom mee dat [appellant] aanvullend bewijs moet overleggen, bijvoorbeeld recent afgegeven identiteitsdocumenten op de gestelde identiteit of bewijs waarbij zijn broers in het gezichtsvergelijkend onderzoek worden betrokken. Naar de huidige stand van zaken is niet komen vast te staan dat de gegevens op de overgelegde brondocumenten [appellant] betreffen, zodat zij niet als zijn identiteitsgegevens in de BRP kunnen worden verwerkt. Het betoog van het college dat sprake zou zijn van rechtsverwerking of misbruik van recht wegens het lange tijdsverloop wordt verworpen, omdat de wet geen termijn stelt aan een verzoek tot wijziging van BRP-gegevens. Nieuwe documenten die [appellant] pas na de rechtbankuitspraak heeft verkregen, vallen buiten de beoordeling van het voorliggende besluit en kunnen eventueel aan een nieuw wijzigingsverzoek ten grondslag worden gelegd. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.1.4. tot en met 9.1.7. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat een fotovergelijkend onderzoek onder omstandigheden aanvullend bewijs is, niet maakt dat het door het college bij de besluitvorming betrokken gezichtsvergelijkende onderzoek van Bureau Documenten betekenisloos is. Zoals de Afdeling onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 9, heeft overwogen, heeft een aanvrager de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft op hem, waarbij de aanvrager in reactie op een gemotiveerd standpunt dat documenten mogelijk geen betrekking hebben op de aanvrager, zoals nu, aannemelijk moet maken dat hij wel degene is over wie het document gaat. Het paspoort en de identiteitskaart zijn lang geleden afgegeven en de conclusies in beide rapporten laten de mogelijkheid open dat de in de documenten genoemde persoon niet [appellant] is. Een redelijke bewijslastverdeling brengt dan ook mee dat [appellant] meer bewijs moet aanleveren om aannemelijk te maken dat de brondocumenten betrekking hebben op hem, bijvoorbeeld door recent afgegeven identiteitsdocumenten van [naam] te overleggen of door in reactie op het college en de rechtbank zijn gestelde broers in het gezichtsvergelijkend onderzoek te betrekken. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat naar de huidige stand van zaken niet is komen vast te staan dat de op de documenten vermelde gegevens betrekking hebben op [appellant].