Onrechtmatige verwerking persoonsgegevens CJIB: geen immateriële schadevergoeding, wel vergoeding wegens termijnoverschrijding
Raad van State 30 juli 2025, IT 4938; ECLI:NL:RVS:2025:3578 (Appellante tegen de minister voor Rechtsbescherming). De minister voor Rechtsbescherming heeft een verzoek van [appellante] op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) toegewezen voor inzage in gegevens, maar het verzoek om schadevergoeding wegens een foutieve brief van het CJIB afgewezen. Die brief uit juli 2020 over een verlenging van een taakstraf was het gevolg van een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, omdat een uitspraak waarin de taakstraf was vernietigd niet in de systemen was verwerkt. [appellante] voerde aan dat sprake was van een schending van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en dat zij daardoor recht had op schadevergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat, hoewel de gegevens gedurende twee jaar onrechtmatig zijn verwerkt en dit voor [appellante] stress en ongemak heeft veroorzaakt, niet is gebleken van een aantasting in haar eer, goede naam of persoon. Daarom hoefde de minister geen immateriële schadevergoeding toe te kennen. Wel stelde de Afdeling vast dat de totale procedure vier jaar en vijf maanden heeft geduurd, waardoor de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden. Hiervoor is een schadevergoeding van € 500,- toegekend, waarvan € 333,33 ten laste van de Staat en € 166,67 ten laste van de minister komt. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd.