Gepubliceerd op dinsdag 19 mei 2026
IT 5271

AI en auteursrecht medio 2026: internationale consensus over output, verdeeldheid over input

In aanloop naar het ALAI Congress 2026 in Den Haag zijn achttien nationale rapporten gepubliceerd over auteursrecht en AI. De rapporten zijn afkomstig uit verschillende rechtsstelsels, waaronder diverse EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Mexico, Argentinië en Zwitserland. Daarnaast organiseerde deLex afgelopen week een online update over AI en auteursrecht met professor Daniel Gervais, waarin de meest recente internationale ontwikkelingen op dit terrein werden besproken.

De rapporten en online update bieden samen een scherp overzicht van de huidige stand van het internationale debat rond AI en auteursrecht. Daarbij valt een duidelijke tweedeling op. Over de outputzijde van generatieve AI bestaat veel consensus, terwijl de opvattingen over de inputzijde juist uiteenlopen. In dit artikel bespreken we deze ontwikkelingen uitgebreider.

Internationale consensus over AI-output

Menselijke creativiteit als gemeenschappelijk uitgangspunt 

Ondanks verschillen tussen de rechtsstelsels komen vrijwel alle landen tot dezelfde conclusie: auteursrecht vereist zichtbare menselijke creatieve keuzes in het eindresultaat. Binnen de Europese Unie geldt daarvoor het criterium van de “eigen intellectuele schepping”, waarbij de vrije en creatieve keuzes van de menselijke auteur zichtbaar moeten zijn in het werk. Als gevolg daarvan draagt het werk bovendien het “persoonlijk stempel” van de maker. Dit criterium is ontwikkeld in arresten als Infopaq, Painer, Cofemel, Brompton Bicycle en recentelijk Mio.

In de Verenigde Staten werd het vereiste van menselijk auteurschap recent definitief bevestigd in Thaler v. Perlmutter, nadat het Amerikaanse Supreme Court op 2 maart 2026 weigerde de zaak nog inhoudelijk te behandelen. Ook in Mexico oordeelde de Suprema Corte begin 2025 dat auteursrecht uitsluitend aan natuurlijke personen toekomt. Italië wijzigde in 2025 zelfs expliciet zijn auteurswet om te verduidelijken dat werken die met behulp van AI zijn gemaakt slechts beschermd zijn indien zij het resultaat vormen van menselijke intellectuele arbeid.

Het voorgaande roept de vraag op of het enkele invoeren van prompts in een machine voldoende kan zijn voor auteursrecht op de uiteindelijke output. In beginsel niet, aldus Daniel Gervais. Ook de Duitse rechter sluit zich hierbij aan. In een uitspraak van het Amtsgericht München van 13 februari 2026 over AI-gegenereerde logo’s werd geoordeeld dat zelfs een prompt van circa 1.700 tekens onvoldoende was om auteursrecht op de gegenereerde logo’s te vestigen. De prompt was dan wel uitgebreid, maar bevatte volgens de rechtbank voornamelijk open en generieke instructies, terwijl de daadwerkelijke vormgeving aan het AI-systeem werd overgelaten. Ook iteratieve aanwijzingen zoals “maak het artistieker” werden aangemerkt als technische verfijningen in plaats van creatieve keuzes. Tot slot volstond evenmin dat output werd geselecteerd uit meerdere gegenereerde voorstellen. De redenering van de rechter is fundamenteel auteursrechtelijk van aard. Auteursrecht beschermt geen inspanning, tijdsbesteding of technische vaardigheid als zodanig, maar creatieve expressie die aan een menselijke auteur kan worden toegeschreven.

De spanning tussen Painer en Mio

Er is desondanks wel enige frictie, althans in de EU. In Painer oordeelde het Hof van Justitie namelijk dat zelfs binnen sterk beperkte creatieve omstandigheden nog steeds sprake kan zijn van auteursrechtelijk relevante creatieve keuzes. Op het eerste gezicht lijkt dat ruimte te laten voor auteurschap bij (intensieve) bewerking van AI-output. Een gebruiker die langdurig prompt, selecteert, herschrijft en verfijnt, maakt immers aantoonbaar vrije keuzes. Die redenering wordt in verschillende nationale ALAI-rapporten ook uitdrukkelijk genoemd, met name in de Italiaanse, Sloveense en Hongaarse bijdragen.

Toch blijkt uit recente ontwikkelingen dat deze lezing waarschijnlijk te ruim is, gelet op het Mio-arrest uit december 2025. Volgens het Hof moeten de creatieve keuzes en de persoonlijkheid van de auteur zichtbaar zijn in het werk waarvoor bescherming wordt geclaimd. Vrije keuzes zijn op zichzelf dus niet automatisch creatief in auteursrechtelijke zin. Het gaat uiteindelijk niet om het proces als zodanig, maar om de vraag of de menselijke creatieve persoonlijkheid herkenbaar naar voren komt in de uiteindelijke output. Juist daar wringt het bij generatieve AI. De gebruiker bewerkt mogelijk dan wel een door een model gegenereerde tekst of afbeelding, maar de onderliggende expressie, structuur, ritmiek en formulering zijn vaak al grotendeels door het model bepaald. Mio functioneert in zekere zin als correctiemechanisme op een al te letterlijke lezing van Painer.

Bewijslast en transparantie

De opkomst van generatieve AI leidt bovendien tot nieuwe bewijsproblemen. Wanneer een werk geheel of gedeeltelijk met behulp van AI tot stand is gekomen, rijst immers de vraag hoe moet worden vastgesteld welke elementen daadwerkelijk het resultaat zijn van menselijke creatieve keuzes.

Gervais bespreekt in dit verband een interessante benadering van de Duitse rechter, specifiek het Landgericht Frankfurt am Main in zijn uitspraak van 17 december 2025. De rechtbank ontwikkelde daarin een toetsingskader voor AI-gerelateerde auteursrechtclaims. Eerst moet degene die bescherming betwist concrete aanwijzingen aandragen dat sprake is van AI-output. Vervolgens rust op de rechthebbende de verplichting om nader uiteen te zetten hoe het werk tot stand is gekomen en welke elementen herkenbaar voortkomen uit menselijke creatieve activiteit.

Ook buiten de rechterlijke context ontstaan vergelijkbare mechanismen. In Hongarije vereist de collectieve beheersorganisatie Artisjus bijvoorbeeld dat makers desgevraagd verklaren dat het gebruik van generatieve AI hun eigen creatieve intellectuele activiteit niet heeft verdrongen.

Meer lezen? Sluit kosteloos een proefabonnement af bij AI-Forum voor wekelijkse updates