Auteursrecht

IT 3883

Toegang tot BitTorrent-indexeringswebsites moet worden geblokkeerd

Rechtbank Rotterdam 24 mrt 2022, IT 3883; ECLI:NL:RBROT:2022:2518 (Brein tegen DFN), http://www.itenrecht.nl/artikelen/toegang-tot-bittorrent-indexeringswebsites-moet-worden-geblokkeerd

Vzr. Rb Rotterdam 24 maart 2022, IEF 20637, IT 3883; ECLI:NL:RBROT:2022:2518 (Brein tegen DFN) DFN is een internet-accessprovider en beheerder van een glasvezelnetwerk. De klanten van DFN maken/maakten gebruik van BitTorrent-indexeringswebsites (hierna: de platforms), waarop torrents worden geüpload. Torrents zijn bestanden die meta-informatie bevatten over zich op de computers van de gebruikers bevindende bestanden, zoals mediabestanden, welke auteursrechtelijk en/of nabuurrechtelijk beschermde werken kunnen zijn. Brein vordert DFN te bevelen de toegang van haar klanten tot de platforms te blokkeren. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu gesteld noch gebleken is dat DFN hiervoor ondraaglijke en/of onredelijke offers moet brengen wordt aangenomen dat de blokkade slechts een marginale en daarmee en aanvaardbare aantasting van haar vrijheid van ondernemerschap is die niet in de weg staat aan het bevelen van een dergelijke blokkade. De toegang tot de platforms moet dus worden geblokkeerd.

IT 3879

HvJ EU Conclusie A-G: filteren verenigbaar met artikel 11 Handvest

HvJ EU 15 jul 2021, IT 3879; ECLI:EU:C:2021:613 (Republiek Polen tegen Europees Parlement), http://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-conclusie-a-g-filteren-verenigbaar-met-artikel-11-handvest

HvJ EU Conclusie A-G 15 juli 2021, IEF 20633, IEFbe 3413, IT 3879; ECLI:EU:C:2021:613 (Republiek Polen tegen Europees Parlement) De zaak gaat over artikel 17 van Richtlijn 2019/790. Polen wil lid 4 sub b en c van dit artikel nietig verklaard hebben en subsidiair het hele artikel. Dit omdat het in strijd zou zijn met de in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) neergelegde rechten op vrijheid van meningsuiting en van informatie die gebruikers van deeldiensten genieten.

IT 3870

Beperking kopiëren privégebruik geldt ook voor cloudcomputing

HvJ EU 24 mrt 2022, IT 3870; ECLI:EU:C:2022:217 (Austro-Mechana tegen Strato), http://www.itenrecht.nl/artikelen/beperking-kopi-ren-priv-gebruik-geldt-ook-voor-cloudcomputing

HvJ EU 24 maart 2022, IEF 20616, IT 3870, IEFbe 3408; ECLI:EU:C:2022:217 (Austro-Mechana tegen Strato) Austro-Mechana vordert dat Strato, een aanbieder van cloudopslagdiensten, vergoeding betaalt die verschuldigd is wanneer de beperking ten aanzien van het kopiëren voor privégebruik toepassing vindt. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen omdat Strato geen opslagmedia overdraagt aan haar klanten, maar hun dienst aanbiedt die bestaat in de terbeschikkingstelling van onlineopslagruimte. Het Oberlandesgericht Wien heeft in hoger beroep het hof de prejudiciële vraag gesteld of de opslag van content in het kader van cloudcomputing onder de in artikel 5 lid 2 onder b van de Auteursrechtrichtlijn bedoelde beperking ten aanzien van het kopiëren voor privégebruik valt [zie IEF 19748].

Beantwoording van de prejudiciële vragen:

IT 3741

Geen auteursrechtinbreuk op software

Overige instanties 26 sep 2021, IT 3741; (Afnemer tegen Leverancier), http://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-auteursrechtinbreuk-op-software
SGOA

SGOA Haarlem 26 september 2019, IT 3741 (Leverancier tegen Afnemer) Arbitraal kort geding. Leverancier is gespecialiseerd in het verhandelen, ontwikkelen en produceren van softwaresystemen. Afnemer is een onderneming die zich onder meer toelegt op recycling en recovery binnen het kader van afvalverwerking. In 2004 is Telecombedrijf een project gestart bij afnemer voor het gebruik van mobiele boardcomputers in afnemers vrachtwagens ten behoeve van haar afvalverwerkingsprocessen. Leverancier leverde toen al de bijbehorende software. In 2008 trok Telecombedrijf zich terug als hoofdaannemer. Leverancier is vanaf dat moment de boardcomputers gaan leveren aan afnemer. Op voorspraak van afnemer is leverancier in 2009 in Nederland ook leverancier van de zogenaamde BC’s van producent geworden. Afnemer heeft buiten leverancier om BC’s gekocht en deze zonder toestemming geïnstalleerd en gebruikt. Leverancier stelt nu dat sprake is van inbreuk op haar auteursrecht op de door haar vervaardigde software, die afnemer op BC’s heeft geïnstalleerd die zij van een andere partij dan leverancier heeft gekocht. In de prijs van de door afnemer van leverancier in de loop der jaren gekochte boardcomputers en BC’s was echter steeds de licentievergoeding voor het gebruik van de software inbegrepen. Ook waren de licenties niet systeemgebonden. Er is geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat afnemer niet méér BC’s met software heeft dan het aantal licenties dat zij van leverancier heeft afgenomen. Nergens uit blijkt dat afnemer de aldus verkregen rechten niet zou kunnen gebruiken op BC’s die zij niet via leverancier heeft gekocht. Het Scheidsgerecht wijst de vorderingen van leverancier af.

IT 3680

HvJ EU over decompileren van computerprogramma

HvJ EU 6 okt 2021, IT 3680; ECLI:EU:C:2021:811 (Top System SA tegen Belgische Staat)), http://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-over-decompileren-van-computerprogramma

HvJ EU 6 oktober 2021, IEF 20242, IT 3680, IEFbe 3295; ECLI:EU:C:2021:811 (Top System SA tegen Belgische Staat)  Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Top System SA en de Belgische Staat over de decompilatie door Selor, het selectiebureau van de federale overheid (België), van een door Top System ontwikkeld computerprogramma dat deel uitmaakt van een applicatie waarvoor dit selectiebureau een gebruikslicentie heeft. De verwijzende rechter is van oordeel dat hij, om uit te maken of Selor die decompilatie mocht verrichten op grond van artikel 6, § 1, WCP, dient na te gaan of de decompilatie van een computerprogramma of een deel daarvan onder de in artikel 5, onder a) en b), WCP bedoelde handelingen valt.

Beantwoording van de prejudiciële vragen:

IT 3662

Geschil tussen distributeur en producent van televisieserie

Rechtbank Amsterdam 24 aug 2021, IT 3662; ECLI:NL:RBAMS:2021:4452 (Source tegen KVP), http://www.itenrecht.nl/artikelen/geschil-tussen-distributeur-en-producent-van-televisieserie

Rechtbank Amsterdam 24 augustus 2021, IEF 20198, IT 3662; ECLI:NL:RBAMS:2021:4452 (Source tegen KVP) Source is een filmindustriebedrijf dat tevens handelt onder de naam Dutch Dreamworks. Gedaagde is auteur en producent van de Nederlandse televisieserie Keizersvrouwen en bestuurder van KVP. KVP heeft Netflix per brief laten weten dat Source de rechten van deze serie niet bezit. Source vordert KVP te verbieden om Netflix te benaderen en daarbij negatieve uitlatingen over de rechten op Keizersvrouwen te doen. Source zou hierdoor reputatieschade lijden. KVP vordert in reconventie om inbreuk op haar auteursrechten te staken en Source te gebieden Netflix van de daadwerkelijke auteursrechthebbende op de hoogte te stellen. In de distributieovereenkomst tussen de twee partijen staat dat het recht om de serie te exploiteren uitsluitend ziet op de serie als zodanig, het ‘ready made work’. De rest blijft bij de producent. Er is met Netflix gesproken over een remake, die onder de definitie van 'derivative works' valt. De rechtbank oordeelt dat de benadering van KVP naar Netflix niet onrechtmatig is en dat Source de inhoud van de brief uit proportie heeft getrokken. 

IT 3563

Prejudiciële vragen over satellietboeket-aanbieder

HvJ EU 15 jun 2021, IT 3563; (AKM), http://www.itenrecht.nl/artikelen/prejudici-le-vragen-over-satellietboeket-aanbieder

Oberster Gerichtshof in Oostenrijk 15 juni 2021, IEF 20046, IEFbe 3239, IT 3563; C-290/21 -1 (AKM) Verzoek om een prejudiciële beslissing. Via MinBuza: Verzoekster is een Oostenrijkse maatschappij voor collectieve belangenbehartiging die de uitzendrechten in Oostenrijk in beheer heeft. Verweerster, gevestigd te Luxemburg, biedt tegen betaling gecodeerde programma’s van talrijke Oostenrijkse omroeporganisaties aan. Het aanbod is gebundeld in verschillende pakketten (satellietboeketten) en wordt doorgegeven via satelliet. De verwijzende rechter wenst te vernemen hoe een satellietboeket-aanbieder in rechte moet worden gekwalificeerd. De vraag is met name of op een dergelijke aanbieder in het geval van een grensoverschrijdende uitzending per satelliet met signaalversleuteling het uplink-staatbeginsel van toepassing is, dat wil zeggen of hij op dezelfde wijze moet worden behandeld als de omroeporganisatie.

IT 3555

HvJ EU: MICM

HvJ EU 17 jun 2021, IT 3555; ECLI:EU:C:2021:492 (MICM), http://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-micm

HvJ EU 17 juni 2021, IEF 20033, IEFbe 3236, IT 3555; ECLI:EU:C:2021:492 (MICM) De onderneming Mircom International Content Management & Consulting (M.I.C.M.) Limited (hierna: „Mircom”) heeft bij de ondernemingsrechtbank Antwerpen (België) een verzoek om informatie ingediend tegen Telenet BVBA, een internetprovider. Met dit verzoek wordt beoogd een beslissing te verkrijgen waarbij Telenet wordt gelast om aan de hand van de IP-adressen die een gespecialiseerde onderneming voor Mircom heeft verzameld, de identificatiegegevens van Telenetklanten over te leggen. De internetverbindingen van Telenetklanten zijn gebruikt om via het BitTorrentprotocol films uit de catalogus van Mircom op een peer-to-peernetwerk te delen. Telenet verzet zich tegen het verzoek van Mircom.
De verwijzende rechter heeft het Hof gevraagd of het delen op dit netwerk van onderdelen van een mediabestand met een beschermd werk krachtens het Unierecht een mededeling aan het publiek vormt. Voorts of een houder van intellectuele-eigendomsrechten, zoals Mircom, die deze rechten niet exploiteert, maar schadevergoeding vordert van vermeende inbreukmakers, gebruik kan maken van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin het Unierecht voorziet om de eerbiediging van die rechten te verzekeren, bijvoorbeeld door om informatie te verzoeken. Ten slotte heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht duidelijkheid te verschaffen over de vraag of Mircom de IP-adressen van de klanten op rechtmatige wijze heeft verzameld en of het rechtmatig is om de door Mircom aan Telenet gevraagde gegevens te verstrekken. Zie ook het persbericht van het HvJ EU.

Antwoorden op de prejudiciële vragen: