Gepubliceerd op maandag 1 juni 2026
IT 5292
Rechtbank Midden-Nederland ||
28 apr 2026
Rechtbank Midden-Nederland 28 apr 2026, IT 5292; ECLI:NL:RBMNE:2026:2289 ([verzoekster] tegen WUB), https://www.itenrecht.nl/artikelen/avg-verzoek-tot-verwijdering-bkr-ivr-en-evr-registraties-strandt-na-bindend-kifid-advies

AVG-verzoek tot verwijdering BKR-, IVR- en EVR-registraties strandt na bindend Kifid-advies

Rb. Midden-Nederland 28 april 2026, IT&R 5292; ECLI:NL:RBMNE:2026:2289 ([verzoekster] tegen WUB). De Rechtbank Midden-Nederland verklaart verzoekster deels niet-ontvankelijk en wijst haar overige verzoeken af in een procedure op grond van artikel 35 UAVG tegen ING Bank N.V., handelend onder de naam West Utrecht Bank. Verzoekster stelde dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig had verwerkt door haar te registreren in het BKR-register, het Intern Verwijzingsregister (IVR), het Extern Verwijzingsregister (EVR) en eventuele interne zwarte lijsten. Ook stelde zij dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig met derden had gedeeld. Zij verzocht onder meer om een verklaring voor recht dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig had verwerkt en gedeeld, verwijdering van alle registraties, een verbod op verdere verwerking of verspreiding, een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en een bevel aan WUB om melding te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. WUB voerde aan dat over de rechtmatigheid van de registraties al was beslist in een procedure bij de Geschillencommissie van het Kifid. Die commissie had op 7 februari 2025 bij bindend advies geoordeeld dat WUB de BKR-registratie niet hoefde te verwijderen en dat de duur van de IVR- en EVR-registraties werd teruggebracht tot zes jaar. Verzoekster had geen vernietiging van dat bindend advies gevorderd en bracht in deze procedure geen nieuwe relevante feiten of stukken naar voren.

De rechtbank oordeelt dat het Kifid-bindend advies weliswaar geen rechterlijk vonnis is, maar tussen partijen niet vrijblijvend is en een vergelijkbare rechtskracht heeft zolang het niet is vernietigd. Daarom kan verzoekster niet opnieuw via een UAVG-verzoek laten beoordelen of de registraties onrechtmatig zijn en moeten worden verwijderd. Zij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot een verklaring voor recht over de gestelde onrechtmatige verwerking en tot verwijdering van de BKR-, IVR- en EVR-registraties. Daarbij neemt de rechtbank mee dat in een eerder kortgedingvonnis al gerede twijfel was ontstaan over de echtheid van door verzoekster ingebrachte stukken en dat het Kifid had geoordeeld dat zij vervalste stukken had overgelegd. WUB mocht op die eerdere oordelen afgaan, zodat de registraties niet als onterecht worden aangemerkt. De overige verzoeken worden afgewezen. WUB heeft vrijwillig een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens die zij als verwerkingsverantwoordelijke heeft geregistreerd, en niet is gebleken dat WUB persoonsgegevens van verzoekster ten onrechte met derden heeft gedeeld, anders dan de verwerkingen in het BKR- en EVR-register waarover al is geoordeeld. Voor een bevel tot verdere verwijdering, een verbod op verwerking of verspreiding, of een melding aan de Autoriteit Persoonsgegevens bestaat daarom geen grond. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van WUB, begroot op € 1.306, en die proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3.

WUB heeft aangevoerd dat de BKR-, IVR- en EVR registraties terecht zijn. [verzoekster] heeft valsheid in geschrifte gepleegd door in het kort geding tot doorhaling van haar BKR-registratie stukken in te dienen die vervalst waren. Deze feiten en omstandigheden zijn aan de orde geweest in een procedure bij de Geschillencommissie van het Kifid, die heeft geleid tot een uitspraak op 7 februari 2025. In deze uitspraak, die als een bindend advies geldt, is beslist dat WUB de BKR-registratie niet hoeft te verwijderen en is de duur van de registratie in de IVR- en EVR-registers terug gebracht tot 6 jaar. De BKR-registratie wordt per 1 mei 2026 automatisch verwijderd en [verzoekster] heeft geen belang gesteld bij voortijdige verwijdering. De duur van de registratie in de IVR- en EVR-registers is in het bindend advies reeds verkort en [verzoekster] heeft geen vernietiging van het bindend advies gevorderd, of gesteld dat het bindend advies gebreken kent. WUB stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2). Los daarvan heeft [verzoekster] in haar verzoekschrift ook niets nieuws naar voren gebracht. WUB heeft geconcludeerd tot afwijzing van de overige verzoeken – omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de registraties niet onterecht zijn en omdat het een verzinsel is dat WUB een laptop van [verzoekster] , via Marktplaats heeft gekocht en haar persoonsgegevens op oneigenlijk wijze zou hebben gebruikt of gedeeld met derden –, maar WUB heeft evenwel een bijlage bij het verweerschrift overgelegd, waaruit volgt welke persoonsgegevens van [verzoekster] zijn geregistreerd.

2.4.

Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt, zal eerst moeten worden beoordeeld of [verzoekster] kan worden ontvangen in haar verzoek. Met WUB is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2).

2.5.

De uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid van 7 februari 2025 heeft te gelden als een bindend advies. Hoewel het formeel geen rechterlijk vonnis is, heeft het wel een vergelijkbare rechtskracht. De uitkomst is niet vrijblijvend en partijen moeten zich aan dit bindende oordeel houden. Niet gebleken is dat [verzoekster] een rechtsmiddel tegen het bindende advies heeft aangewend en, zoals door WUB ook is aangevoerd, zij heeft in deze procedure evenmin om de vernietiging van het bindend advies gevraagd.

2.6.

Uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam, in de kort gedingprocedure uit 2022, volgt dat er gerede twijfel is ontstaan over de echtheid van enkele stukken, die door [verzoekster] in die procedure waren ingebracht, en in de procedure bij het Kifid is geoordeeld dat [verzoekster] vervalste stukken heeft overgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft WUB op deze uitspraken mogen afgaan en zijn de registraties derhalve niet onterecht. Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft WUB ook geuit dat [verzoekster] op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zij geen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Zij heeft in ieder geen nieuwe, relevante informatie verstrekt of stukken ingebracht, die tot een ander oordeel kunnen leiden. De rechtbank volgt [verzoekster] ook niet in de stelling dat het juist WUB is, die haar standpunten niet deugdelijk heeft onderbouwd, Uit de uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid blijkt immers het tegenovergestelde.

2.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat [verzoekster] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2).