Gepubliceerd op donderdag 3 september 2026
IT 5488
Gerechtshof Amsterdam ||
28 jul 2026,
Gerechtshof Amsterdam 28 jul 2026,, IT 5488; ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 ([appellant] tegen [geïntimeerden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beide-buren-moeten-camera-verwijderen-wegens-ongerechtvaardigde-privacy-inbreuk

Beide buren moeten camera verwijderen wegens ongerechtvaardigde privacy-inbreuk

Hof Amsterdam 28 juli 2026, IT 5488; ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 ([appellant] tegen [geïntimeerden]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding dat zowel de camera van [appellant] als die van [geïntimeerden] een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Uitgangspunt is dat het bewoners in beginsel vrijstaat een camera te plaatsen ter bescherming van hun woning, perceel of eigendommen, maar dat deze vrijheid wordt begrensd door de privacy van anderen. Een camera mag daarom in beginsel niet tevens het perceel, de woning of de persoon van een ander in beeld brengen of kunnen brengen. Een dergelijke privacy-inbreuk is in beginsel onrechtmatig, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat; daarvoor moeten de ernst van de inbreuk en de belangen die met het cameratoezicht worden gediend tegen elkaar worden afgewogen. Bij de camera van [appellant] acht het hof voldoende aannemelijk dat deze, mede door de beweegbaarheid en bedieningsmogelijkheden, het perceel van [geïntimeerden] in beeld brengt of kan brengen. Het door [appellant] gestelde belang bij bescherming van haar perceel, eigendommen en katten rechtvaardigt deze inbreuk niet, omdat zij onvoldoende heeft toegelicht waarom de camera op één hoog moet hangen en niet op een minder privacy-inbreukmakende plaats kan worden bevestigd. Het bevel om haar camera te verwijderen en het verbod om camera’s zo te plaatsen dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel of de woning van [geïntimeerden], blijven daarom in stand.

Ook ten aanzien van de camera van [geïntimeerden] acht het hof voldoende aannemelijk dat sprake is van een privacy-inbreuk. Hoewel niet aannemelijk is geworden dat daarmee in de woning of op het perceel van [appellant] kan worden gekeken, hebben [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd dat hun camera uitsluitend hun eigen auto’s in beeld brengt. Volgens het hof is voldoende aannemelijk dat ook de openbare weg en stoep voor de woning van [appellant] worden gefilmd en daardoor onder meer zichtbaar is wanneer zij haar woning of auto in- en uitgaat. De belangen van [geïntimeerden] bij bescherming van hun auto’s en bij het kunnen weerleggen van verklaringen van [appellant] zijn onvoldoende om deze inbreuk te rechtvaardigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis in reconventie en veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk hun camera aan de voorzijde van de woning te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 1.000. Zij moeten bovendien € 715 aan proceskosten in reconventie in eerste aanleg betalen. Omdat partijen in hoger beroep over en weer in het gelijk zijn gesteld, draagt ieder zijn eigen proceskosten in hoger beroep.

6.7.

Grief III komt op tegen de afwijzing in reconventie van de vordering van [appellant] tot verwijdering en het verwijderd houden van de camera van [geïntimeerden] De grief is erop gericht dat het hof deze vordering alsnog zal toewijzen, omdat de camera onrechtmatig inbreuk maakt op de privacy van [appellant] . Deze vordering is naar haar aard spoedeisend. Het hof merkt deze tegenvordering niet als rauwelijks ingesteld aan. Dat geldt te minder omdat [geïntimeerden] (in hoger beroep) niet hebben gesteld dat zij door het instellen van die tegenvordering in enig (proces)belang zijn geschaad.

6.8.

Ook bij deze beoordeling dient het hof eerst de vraag te beantwoorden of [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de camera van [geïntimeerden] inbreuk maakt of kan maken op haar privacy. Dat is zo, naar het oordeel van het hof. De camera is gericht op de openbare weg en schuin aan de voorgevel gemonteerd, in de richting van de woning van [appellant] . Deze camera kan in drie richtingen worden gericht. Hoewel het onmogelijk lijkt om met deze camera in de woning of op het perceel van [appellant] te kijken, zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd, hebben zij onvoldoende toegelicht dat het blikveld van hun camera zodanig beperkt is afgesteld dat alleen hun beide auto’s in beeld zijn. Het had op hun weg gelegen om dit nader te onderbouwen, omdat enkel zij de mogelijkheid hebben om te laten zien wat hun camera in beeld brengt. Het hof acht het bovendien onaannemelijk dat hun camera alleen die auto’s in beeld brengt, omdat [geïntimeerden] zelf hebben gesteld dat de camera hen helpt bepaalde situaties met [appellant] te voorkomen en verklaringen van haar te ontkrachten. Daarbij hebben zij kennelijk niet uitsluitend het oog op gevallen waarin hun auto’s betrokken zijn. Wat hiervan ook zij, als dergelijke gevallen in beeld kunnen worden gebracht, ziet hun camera meer dan hun beide auto’s. Op grond van deze omstandigheden is voldoende aannemelijk geworden dat de camera van [geïntimeerden] ook de openbare weg en stoep voor de woning van [appellant] in beeld brengt en dat op die beelden onder andere zichtbaar is dat [appellant] haar woning of auto in- en uitgaat. Het hof is daarom vooralsnog van oordeel dat de camera van [geïntimeerden] inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] en daarom in beginsel een onrechtmatige daad van [geïntimeerden] oplevert.

6.9.

De volgende vraag is ook hier of de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond het onrechtmatige karakter aan die inbreuk ontneemt. [geïntimeerden] hebben gesteld dat de camera bedoeld is om hun auto’s te beschermen (tegen beschadiging door [appellant] ). Daarvoor is het niet nodig dat zij méér dan die auto’s in beeld brengen, wat zij – naar hof aanneemt (zie hiervoor) – wel doen. Verder hebben zij gesteld belang te hebben bij hun camera om valse verklaringen van [appellant] te weerleggen. Dit belang hebben zij echter onvoldoende onderbouwd. Het hof is daarom voorlopig van oordeel dat zich geen rechtvaardigingsgrond voordoet die aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] het onrechtmatige karakter kan ontnemen.

6.10.

Het voorgaande acht het hof voldoende om de vordering tot verwijdering en het verwijderd houden van de camera toe te wijzen, op straffe van een dwangsom. Grief III slaagt dus.