19 nov 2025
Beroep op dwaling en gift faalt bij verdeling nalatenschap, beroep op ChatGPT-jursprudentie
Rb. Noord-Nederland 19 november 2025, IT 5086; ECLI:NL:RBNNE:2025:4814 ([eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen [gedaagde]). Erfgenamen [eiser sub 1] en [gedaagde] hebben samen de nalatenschap van hun ouders verdeeld. [eiser sub 1] vordert vernietiging van de verdeling van een werkplaats uit een nalatenschap, omdat deze volgens haar tegen een te lage waarde is toegedeeld aan haar broer [gedaagde], waardoor zij is benadeeld. Zij stelt te hebben gedwaald over de waarde en beroept zich subsidiair op een gift.
De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels af. De rechtbank verwerpt het beroep op dwaling: artikel 6:228 BW is uitgesloten bij verdelingen (art. 6:199 BW). [eiser sub 1] heeft geen geslaagd beroep gedaan op art. 3:196 BW, omdat zij niet over de waarde van het goed zelf heeft gedwaald, maar over haar invloed op de waardebepaling. Ook werd er verwezen naar rechtspraak die niet bestaat, vermoedelijk van ChatGPT of een vergelijkbare zoekmachine. Er is ook geen sprake van een gift. Maar [gedaagde] erkent de verschuldigdheid van € 30.000. De rechtbank wijst dit bedrag toe, met wettelijke rente vanaf 5 december 2024. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie.
4.5 De rechtbank stelt allereerst vast dat door [eiser sub 1] niet (gemotiveerd) is betwist, en als zodanig ook juist is, dat de afstandsbepalingen in de akte in beginsel het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 3:196 lid 4 BW kunnen dragen. De (in de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ) betrokken stelling dat deze afstandsbepalingen eveneens vernietigbaar zijn wegens dwaling - waaraan de rechtbank bij gelegenheid van de mondelinge behandeling vooralsnog veronderstellende wijs betekenis heeft willen toekennen - vindt geen steun in de in de pleitnota (en hiervoor) genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het arrest van de Hoge Raad dat is gepubliceerd in de NJ 2004/75 betreft een huurzaak en het arrest ook is niet gewezen op 19 december 2003, maar op 5 december 2003. Het arrest is verder ook niet terug te vinden onder ECLI:NL:HR:2003:AL8444. Van meer belang is dat in geen van beide arresten (NJ 2004/75 en ECLI:NL:HR:2003:AL8444) de voorgestane rechtsregel valt aan te treffen. Het arrest dat is gepubliceerd als NJ 1996/273 betreft niet een arrest van de Hoge Raad van 22 december 1995 maar van 8 december 1995: het gaat om een Arubaanse zaak die ziet op de termijn voor het indienen van de memorie van grieven: ook dit arrest heeft geen enkele betekenis voor verdelingskwesties. De rechtbank vermoedt dat de vindplaatsen via ChatGPT of een vergelijkbare zoekmachine zijn opgedoken en zonder controle in de processtukken zijn overgenomen. De door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betoogde strekking van deze diverse arresten komt overigens ook in strijd met het bepaalde in artikel 6:199 BW, waarin de algemene dwalingsregeling ten aanzien van verdelingen nu juist van toepassing wordt uitgesloten, alsook met wèl bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de uitsluiting in artikel 3:199 BW niet beperkt is tot dwaling over waarde (ECLI:NL:HR:2012:BV3103).