IT 3294

Beschuldigingen van doodsbedreiging zijn onrechtmatig

Vzr. Rechtbank Rotterdam 9 september 2020, IEF 19535, IT 3294; ECLI:NL:RBROT:2020:9018 (Beschuldigingen doodsbedreiging) Onrechtmatige uiting. Rectificatie. Kort geding. Eiser werkt als docent bij een school in Rotterdam. Gedaagde is of was voorzitter van de medezeggenschapsraad. Gedaagde heeft uitlatingen gedaan op Facebook waarin zij eiser ervan beschuldigt dat hij haar tijdens een MR-vergadering met de dood heeft bedreigd, door te zeggen “ik ga je hoofd scheuren”. Van deze vergadering is een geluidsopname. De door gedaagde gestelde bedreiging door eiser is mede gelet op de ter zitting beluisterde geluidsopname niet aannemelijk geworden. De uitlatingen van gedaagde waarin zij eiser direct of indirect van bedreiging beschuldigt zijn daarom onrechtmatig. Het verbod om deze uitlatingen te doen wordt toegewezen. Gedaagde moet een rectificatie op zijn Facebookpagina plaatsen en verzenden aan de school.

4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] met de gewraakte uitlating [gedaagde] met de dood heeft bedreigd. Uit de opname volgt dat [eiser] in ieder geval niet heeft gezegd dat hij een handeling gaat verrichten met het hoofd van [gedaagde] . Hij zegt immers “dan kun je wel je hoofd”. Ook als [eiser] vervolgens het woord scheuren heeft gebruikt – wat de voorzieningenrechter overigens niet heeft gehoord – valt niet in te zien dat die uitlating redelijkerwijs als een bedreiging kan worden opgevat. Desgevraagd heeft [gedaagde] ook verklaard dat zij niet weet wat “ik ga je hoofd scheuren” betekent. Voorts heeft de voorzieningenrechter aan de hand van de geluidsopname geconstateerd dat [eiser] – anders dan [gedaagde] heeft verklaard – ook niet heeft geschreeuwd. In de context waarin [eiser] [gedaagde] meerdere keren heeft verzocht om haar zin af te maken, lijkt de uitleg van [eiser] dat [gedaagde] haar hoofd schudde en dat hij daar wat van zei, veel meer aannemelijk.

4.6. Aangezien de beschuldiging onvoldoende steun vindt in de feiten, kunnen de uitlatingen waarin [gedaagde] [eiser] direct of indirect van bedreiging beschuldigt als onrechtmatig worden aangemerkt. Dit geldt temeer aangezien [gedaagde] deze uitlating – ook na de herhaalde sommatie – nog heeft herhaald. Na de sommatie, waarin de beschuldiging werd weersproken, had het minst genomen op haar weg gelegen om nader onderzoek te doen naar de beschuldiging, zeker nu er een geluidsopname van de vergadering beschikbaar was. Dat [gedaagde] volgens haar verklaring de uitlating van [eiser] als zeer bedreigend heeft ervaren, maakt dat niet anders.