IT 3619

Beslissing om geluidsopname niet aan eiser te verstrekken is geen besluit

Rechtbank Overijssel 11 augustus 2021, IT 3619; ECLI:NL:RBOVE:2021:3168 (Eiser tegen GBLT)  Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser inzage verleend in de verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens door GBLT aan derden en heeft verweerder hem medegedeeld dat zijn mailadres is verwijderd. Eiser heeft dit verzoek gedaan na een datalek bij verweerder. Eiser stelt dat niet alle door hem verzochte persoonsgegevens aan hem zijn toegestuurd. Verder zegt hij dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van zijn mailadres voor klantonderzoek. Ten derde is er volgens eiser tijdens de digitale hoorzitting op onrechtmatige wijze een geluidsopname gemaakt. Deze is nadien verwijderd. De rechter vindt het niet ongeloofwaardig, dat verweerder aangeeft dat alle persoonsgegevens aan eiser zijn verstrekt. De rechtbank is verder van mening dat de beslissing om de geluidsopname van het hoorgesprek niet aan eiser te verstrekken niet kan worden aangemerkt als een besluit, zodat ook daarvoor geen mandaat is vereist. Wat betreft het gebruik van zijn mailadres voor klantonderzoek, oordeelt de rechtbank dat verweerder aan zijn verplichtingen heeft voldaan door het mailadres op verzoek van eiser te verwijderen. Het verzoek van eiser wordt ongegrond verklaard. 

9.3.3 De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van verweerder dat GBLT niet méér eiser betreffende persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt dan hij al in het primaire besluit heeft aangegeven niet ongeloofwaardig is. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer persoonsgegevens zijn verstrekt. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 31 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:675). De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Het enkele vermoeden dat mogelijk vaker (of meer) persoonsgegevens aan derden zijn verstrekt, is in dit kader onvoldoende. Eiser heeft verwezen naar een brief van 6 mei 2019 die - net als de brief van 25 juni 2019 - is geadresseerd aan zijn oude woonadres. Verweerder heeft toegelicht dat dit gaat om een hoorverslag, dat dit verslag inderdaad eisers oude adres bevat, maar dat dit verslag enkel per e-mailbericht aan eiser is verstuurd en niet per post. Dit blijkt volgens verweerder ook uit het overzicht van verzonden schriftelijke documenten. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan deze mededelingen van verweerder. Hieruit volgt dat aannemelijk is dat de brief van 6 mei 2019 niet aan derden is toegestuurd en daarom terecht niet is vermeld in het primaire besluit. De beroepsgrond faalt.

10.3.3 Verweerder heeft de verwerking van eisers e-mailadres voor het klantonderzoek door KCM gebaseerd op de grondslag van artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG. Daarom stond daartegen bezwaar open. De rechtbank leidt uit de stukken af dat eiser naar aanleiding van de uitnodiging voor het klantonderzoek bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking van zijn e-mailadres voor dit doel. Verweerder spreekt in zijn correspondentie met eiser en in zijn besluiten niet expliciet over een bezwaar tegen deze verwerking. Desalniettemin heeft verweerder naar aanleiding van dit bezwaar het door KCM gebruikte e-mailadres gewist voor wat betreft het verwerkingsdoel klantonderzoek en de verwerking van het e-mailadres voor dit doel gestaakt. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten op grond van artikel 17, eerste lid, en 21, eerste lid, van de AVG. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat deze verwerking niet onrechtmatig is, doet er - wat er ook van dit standpunt zij - niet aan af dat verweerder voor dit doel het e-mailadres heeft gewist en de verwerking daarvan heeft gestaakt. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.