11 jun 2026,
Bezwaar tegen AVG-inzagebesluit terecht niet-ontvankelijk, korting op proceskostenvergoeding onterecht
Rb. Zeeland-West-Brabant 11 juni 2026, IT 5624; ECLI:NL:RBZWB:2026:8180 ([eiser] tegen het college van B&W Breda). In deze zaak tussen [eiser] en het college van B&W van Breda staat een AVG-inzageverzoek centraal. [eiser] heeft het college verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Nadat het college het verzoek aanvankelijk niet had ingewilligd vanwege een lopend adresonderzoek, heeft het alsnog inzage verleend. [eiser] maakt bezwaar tegen de door het college gehanteerde aanvraagdatum, omdat deze van belang is voor de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Later voert hij alsnog inhoudelijke bezwaren aan tegen de verstrekte informatie, waaronder de onvolledigheid daarvan en het zwartlakken van gegevens.
De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het oorspronkelijke bezwaar was uitsluitend gericht tegen de gehanteerde aanvraagdatum en niet tegen de inhoud van het inzagebesluit. Bovendien had [eiser] expliciet verklaard dat volledig aan zijn inzageverzoek was voldaan. Hoewel het in beginsel mogelijk is om nieuwe bezwaargronden aan te voeren, geldt dit niet voor gronden die eerder bewust niet zijn aangevoerd of expliciet zijn prijsgegeven. Ook heeft [eiser] geen procesbelang meer bij zijn beroep wegens niet tijdig beslissen, nu het college inmiddels op zijn bezwaar heeft beslist. In een samenhangende procedure beoordeelt de rechtbank of het college terecht een punt op de proceskostenvergoeding heeft ingehouden vanwege vermeend grievende en beledigende uitlatingen van de gemachtigde van [eiser]. Volgens de rechtbank is onvoldoende onderbouwd welke ongepaste uitlatingen tijdens de hoorzitting zijn gedaan. Hoewel het taalgebruik in het bezwaarschrift minder passend is voor een professionele rechtsbijstandverlener, is het niet zodanig grievend of beledigend dat een verlaging van de proceskostenvergoeding gerechtvaardigd is. De rechtbank verklaart dit beroep gegrond en bepaalt dat het college alsnog € 666 aan proceskosten moet vergoeden.
Is het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard?
3.3. Eiser heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 september 2024. Hetgeen eiser heeft aangevoerd was gericht tegen de aanvraagdatum die door het college is gehanteerd bij de toekenning van inzage. De aangevoerde bezwaargrond ziet daarmee niet op de inhoud van het bestreden besluit en zou enkel kunnen leiden tot de vaststelling van de aanspraak op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Hierover is op 31 januari 2025 een apart besluit genomen, waartegen afzonderlijk bezwaar is gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het ingediende bezwaarschrift terecht niet als inhoudelijk bezwaar in de zin van de Awb heeft aangemerkt.
3.4. Het staat een partij weliswaar vrij nieuwe gronden aan te voeren, maar dat geldt niet ten aanzien van gronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust niet aan de orde zijn gesteld dan wel expliciet zijn prijsgegeven.4 Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 18 oktober 2024 eerst expliciet vermeld dat het besluit van 19 september 2024 volledig tegemoetkomt aan de ingediende aanvraag en heeft dus geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd binnen de bezwaartermijn. Hierdoor is het niet mogelijk buiten de bezwaartermijn nog inhoudelijke gronden aan te voeren. Het college heeft het aanvullende bezwaarschrift van 23 maart 2025 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.2 Van een beroepsmatige rechtsbijstandverlener wordt bij het verrichten van proceshandelingen geacht dat deze zich professioneel opstelt. Uitlatingen die (zeer) grievend zijn en (zeer grove) beledigingen inhouden, passen niet bij deze opstelling. Het college baseert het verminderen van de proceskostenvergoeding op het ingediende aanvullende bezwaarschrift van 7 april 2025 en de houding van de gemachtigde tijdens de hoorzitting. De rechtbank heeft het bezwaarschrift en het verslag van de hoorzitting gelezen.
Uit het verweerschrift leidt de rechtbank af dat niet alle uitlatingen van gemachtigde in het verslag van de hoorzitting zijn opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd niet concreet verteld welke beledigende en grievende uitlatingen de gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft gedaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat wat de gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft gezegd, hem niet kan worden tegengeworpen. Hoewel het taalgebruik van de gemachtigde in het bezwaarschrift minder passend is voor een professionele bijstandsverlener, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat zodanig grievend of beledigend dat op grond daarvan de verschuldigde proceskostenvergoeding kan worden verminderd.