IT 2787

BKR-registratie dient te worden verwijderd gelet op bijzondere omstandigheden

Vzr. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 april 2019, IT 2787; ECLI:RBZWB:2019:1336 (X tegen Hoist Finance AB) Privacy. AVG. Eisers staan geregistreerd in het Centraal Kredietinformatiesysteem van het BKR. Zij vorderen dat deze registratie wordt verwijderd op grond van artikel 17 en 21 jo. 6 AVG. Hoist is van mening dat eisers niet ontvankelijk zijn op grond van art. 35 UAVG. Het feit dat een speciale rechtsgang openstaat, betekent niet dat een zaak met spoedeisend belang niet voor de voorzieningenrechter kan komen. Bij een dergelijke registratie komt het aan op belangenafweging. Een dergelijke registratie moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gezien de bijzondere omstandigheden is daar in dit geval niet aan voldaan. Deze omstandigheden zijn o.a. het afbetaald hebben van de schuld, het hebben van een vaste baan en stabiele financiële situatie, en het feit dat de registratie toch op relatief korte termijn zou komen te vervallen. De vorderingen van X worden dus toegewezen, Hoist wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.4. De voorzieningenrechter is onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 december 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3815) van oordeel dat het feit dat artikel 35 UAVG voor de betrokkene die bezwaar heeft tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens een speciale rechtsgang biedt om daartegen op te komen, niet wegneemt dat een verwerking die strijdig is met de AVG een onrechtmatig handelen tegenover de betrokkenen oplevert en dat in spoedeisende zaken bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening bij voorraad kan worden gevorderd tot het staken of ongedaanmaken van dit beweerde onrechtmatig handelen. [eisers] c.s. hebben in verband met de spoedeisendheid aangevoerd dat zij niet tot januari 2020 (einde registratietermijn) met de koop van de woning kunnen wachten, nu de broers en zussen van [eisers] , mede-erfgenamen, zo spoedig mogelijk verdeling van de onverdeelde boedel wensen en zij niet bereid zijn [eisers] c.s. tot januari 2020 als huurders de woning te laten betrekken. Gelet op het vorenstaande zijn [eisers] c.s. ontvankelijk in hun vordering en is van spoedeisend belang voldoende gebleken.

3.8. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene ( [eisers] ) niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

3.9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat de in geding zijnde registraties juist zijn en overweegt voorts dat in het onderhavige geval de volgende bijzondere omstandigheden van belang zijn. In de periode tussen 2006 en 2015 hebben [eisers] c.s. niet steeds aan hun betalingsverplichtingen voldaan en is de lening opgeëist, waarbij de voorzieningenrechter de oorzaak daarvan in het midden laat. [eisers] c.s. hebben echter in 2015 de volledige opgeëiste som betaald. Verder is van belang dat [eisers] thans een vaste baan heeft en is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisers] c.s. voorts voldoende met stukken hebben onderbouwd dat zij in een financieel stabiele situatie verkeren en al enige jaren, sinds 2015, tijdig voldoen aan al hun verplichtingen. Dat de belangen van maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied worden geschaad is op grond hiervan onvoldoende aannemelijk. Daarbij neemt de voorzieningenrechter tevens in aanmerking dat de registratie hoe dan ook op afzienbare termijn zou komen te vervallen. Voldoende aannemelijk is voorts geworden dat de coderingen een beletsel vormen voor de aanschaf van de woning. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar producties 23 t/m 28 bij dagvaarding. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat [eisers] c.s. onder overlegging van allerhande stukken hun belang bij verhuizing naar de woning van zijn ouders hebben uiteengezet. Dit belang weegt, tevens in aanmerking nemende hetgeen hiervoor overwogen, afgezet tegen de belangen van registratie, zodanig zwaar dat de belangenafweging in het voordeel van [eisers] c.s. uitvalt. In het midden kan daarmee blijven of de nieuwe woning absoluut noodzakelijk is voor het welzijn van de kinderen van [eisers] c.s. 
Het voorgaande leidt er toe dat de vordering van [eisers] c.s. zal worden toegewezen als na te melden. Aan de achterliggende principiële discussie tussen partijen met betrekking tot de grondrechten komt de voorzieningenrechter niet toe. Voor deze discussie is een kort gedingprocedure ook niet het juiste forum. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu Hoist heeft aangegeven aan een eventuele veroordeling vrijwillig te zullen voldoen.