Gepubliceerd op maandag 31 augustus 2026
IT 5483
Rechtbank Rotterdam ||
8 mei 2026,
Rechtbank Rotterdam 8 mei 2026,, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/boete-telecomaanbieder-wegens-gebrekkige-beveiliging-li-gegevens-verlaagd-tot-1-66-miljoen

Boete telecomaanbieder wegens gebrekkige beveiliging LI-gegevens verlaagd tot € 1,66 miljoen

Rb. Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken). In deze zaak staat centraal of de staatssecretaris terecht vijf bestuurlijke boetes van ieder € 450.000 heeft opgelegd aan [aanbieder 1] wegens overtreding van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt). [aanbieder 1] is aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) onderzocht tussen oktober 2021 en december 2022 of zij voldoende maatregelen had getroffen om gegevens voor bevoegd aftappen door het Openbaar Ministerie, de AIVD en de MIVD te beschermen tegen kennisneming door onbevoegden. Het gaat om zogenoemde lawful interception-gegevens (LI-gegevens). De staatssecretaris stelde tekortkomingen vast op vijf onderdelen: het beveiligingsplan, uitbesteding, personeel, fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging van geautomatiseerde informatiesystemen. Daarvoor legde hij op grond van de Telecommunicatiewet in totaal € 2.250.000 aan boetes op. [aanbieder 1] bestrijdt onder meer de vaststelling van verschillende overtredingen, de invulling van de normen uit het Bbgt en de evenredigheid van de boetes. 

De rechtbank oordeelt dat het Bbgt weliswaar enkele open normen bevat, maar daarnaast voldoende concrete beveiligingseisen stelt. Van [aanbieder 1] mocht onder meer worden verlangd dat zij een actueel beveiligingsplan had en daadwerkelijke risico's voor de fysieke en digitale toegang tot LI-gegevens onderving. De overtredingen met betrekking tot het beveiligingsplan, personeel, fysieke beveiliging en digitale toegangsbeveiliging zijn volgens de rechtbank bewezen. Voor de gestelde overtreding van art. 8 Bbgt over uitbesteding ligt dat anders. De staatssecretaris heeft onvoldoende aangetoond dat de overeenkomsten van [aanbieder 1] met externe leveranciers niet aan de wettelijke eisen voldeden. Het was aan de staatssecretaris om de overeenkomsten als geheel te beoordelen en de overtreding te bewijzen. De boete voor deze tweede groep overtredingen vervalt daarom. Bij de personeelsovertreding acht de rechtbank bovendien van belang dat negen medewerkers wel waren gescreend voordat zij werkzaamheden verrichtten, hoewel [aanbieder 1] niet zelf over de vereiste verklaringen beschikte. Dat maakt de overtreding minder ernstig en leidt tot een verlaging van die boete van € 450.000 naar € 400.000.  De staatssecretaris mocht voor de vier resterende groepen overtredingen afzonderlijke boetes opleggen. De rechtbank acht een bedrag van € 450.000 voor de overtredingen over het beveiligingsplan, de fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging en € 400.000 voor de personeelsovertreding in beginsel passend. De cumulatie is niet onevenredig, omdat de groepen overtredingen afzonderlijk kunnen worden begaan en de tekortkomingen verschillende onderdelen van de beveiliging van LI-gegevens raken. Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek bij de beoordeling van de evenredigheid van de inzet van het boete-instrument. Daarnaast zijn zowel de redelijke termijn van art. 6 EVRM als de termijn van art. 5:51 Awb overschreden. Uiteindelijk stelt de rechtbank de totale boete vast op € 1.662.500. Het beroep is gegrond, het besluit op bezwaar wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen voor zover het de tweede boete en de hoogte van de overige boetes betreft. De staatssecretaris moet daarnaast € 385 aan griffierecht en € 4.800 aan proceskosten aan [aanbieder 1] vergoeden.

24. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek (zie onder 21.2), omdat overtreding 2 niet is bewezen, de beperktere ernst van overtreding 3 en vanwege overschrijding van de redelijke termijn en de termijn van artikel 5:51 van de Awb. Het totale boetebedrag blijft daarom niet in stand. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72a, derde lid, van de Awb nu zelf een beslissing. Zij bepaalt dat het besluit van 21 mei 2024 wordt herroepen voor zover het ziet op de boete voor overtreding 2 en op de hoogte van het boetebedrag voor de overtredingen 1, 3, 4 en 5 en bepaalt dat de door [aanbieder 1] verschuldigde boete in totaal € 1.662.500 bedraagt. 

25. Omdat het beroep gegrond is moet de staatssecretaris het griffierecht aan [aanbieder 1] vergoeden en krijgt [aanbieder 1] ook een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [aanbieder 1] een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. [aanbieder 1] heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een zwaar gewicht heeft, is op de waarde een factor van 1,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.800.