DOSSIERS
Alle dossiers

Telecomrecht  

IT 5592

HvJ EU: oneerlijke boetebedingen in telecomcontracten mogen niet worden gematigd

HvJ EU 8 okt 2026, IT 5592; ECLI:EU:C:2026:843 (Digi România), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-oneerlijke-boetebedingen-in-telecomcontracten-mogen-niet-worden-gematigd

HvJ EU 8 oktober 2026, IT 5592; ECLI:EU:C:2026:843 (Digi România). Het Hof heeft in twee gevoegde zaken, C-872/24 en C-909/24, prejudiciële vragen beantwoord over de toetsing van boete- en schadevergoedingsbedingen in consumentenovereenkomsten voor mobiele telefonie en internettoegang. In de eerste zaak vorderde telecomaanbieder Digi România betaling van achterstallige facturen, vermeerderd met een contractuele boete van 0,2% per dag betalingsachterstand. In de tweede zaak vorderde Investcapital, na overname van een vordering van Orange România, onder meer een boete van 0,5% per dag en een schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van overeenkomsten met een minimale looptijd van 24 maanden. De Roemeense rechter had de betrokken bedingen oneerlijk verklaard en stelde prejudiciële vragen over de toepassing van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het Hof oordeelt dat boetebedingen in overeenkomsten voor elektronische-communicatiediensten onder deze richtlijn vallen, ook wanneer de nationale sectorspecifieke wetgeving geen maximum voor dergelijke boetes stelt. Wanneer het nationale recht een beding dat een consument verplicht tot betaling van een onevenredig hoge schadevergoeding uitdrukkelijk als oneerlijk aanmerkt, kunnen materieel vergelijkbare bedingen zonder aanvullende toetsing aan artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijk worden verklaard. Die vergelijkbaarheid moet worden vastgesteld in een procedure op tegenspraak, waarin de verkoper zich daartegen kan verweren. Een nationale rechter die een boetebeding oneerlijk verklaart, moet dit beding buiten toepassing laten en mag de boete niet tot een lager bedrag matigen.

IT 5514

HvJ EU: telecomaanbieder ontleent aan Europees wetboek geen zelfstandig recht tot eenzijdige contractswijziging

HvJ EU 10 sep 2026, IT 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-telecomaanbieder-ontleent-aan-europees-wetboek-geen-zelfstandig-recht-tot-eenzijdige-contractswijziging

HvJ EU 10 september 2026, IEF 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 105 lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten geen zelfstandig recht verleent om contractvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Die bepaling vooronderstelt dat een dergelijk wijzigingsrecht reeds uit andere toepasselijke regels voortvloeit en regelt uitsluitend het bijzondere recht van de eindgebruiker om de overeenkomst zonder extra kosten te beëindigen wanneer de aanbieder dat wijzigingsrecht uitoefent. Dat beëindigingsrecht geldt niet wanneer de voorgestelde wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, strikt administratief van aard is en geen negatieve gevolgen heeft, of rechtstreeks door het Unie- of nationale recht wordt opgelegd. Uit de tekst, context en doelstelling van artikel 105 volgt volgens het Hof dat deze bepaling ziet op de bescherming en beëindigingsrechten van eindgebruikers en niet op de rechtsgrondslag voor of voorwaarden van een eenzijdige contractswijziging.

IT 5487

Geen risico op aanmerkelijke marktmacht op glasvezelmarkt KPN en Glaspoort

Overige instanties 10 feb 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-risico-op-aanmerkelijke-marktmacht-op-glasvezelmarkt-kpn-en-glaspoort

CBb 10 februari 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de ACM in haar marktanalyse lokale toegang terecht heeft geconcludeerd dat op markt I, het glasvezelnetwerk van KPN en Glaspoort, geen risico bestaat op aanmerkelijke marktmacht (AMM). Jonaz stelde onder meer dat de ACM het eerdere Toezeggingenbesluit ten onrechte in de plaats had gesteld van een zelfstandige marktanalyse. Het College volgt dit niet. De ACM moest bij haar toekomstgerichte analyse rekening houden met het op het algemene mededingingsrecht gebaseerde Toezeggingenbesluit en mocht de nog actuele informatie en onderzoeksbevindingen die daaraan ten grondslag lagen gebruiken. Het Toezeggingenbesluit fungeerde daarbij niet als rechtvaardiging voor het marktanalysebesluit, maar als relevante feitelijke informatie. Ook heeft de ACM volgens het College voldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van Jonaz, zodat geen sprake is van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek.

IT 5483

Boete telecomaanbieder wegens gebrekkige beveiliging LI-gegevens verlaagd tot € 1,66 miljoen

Rechtbank Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken), https://www.itenrecht.nl/artikelen/boete-telecomaanbieder-wegens-gebrekkige-beveiliging-li-gegevens-verlaagd-tot-1-66-miljoen

Rb. Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken). In deze zaak staat centraal of de staatssecretaris terecht vijf bestuurlijke boetes van ieder € 450.000 heeft opgelegd aan [aanbieder 1] wegens overtreding van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt). [aanbieder 1] is aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) onderzocht tussen oktober 2021 en december 2022 of zij voldoende maatregelen had getroffen om gegevens voor bevoegd aftappen door het Openbaar Ministerie, de AIVD en de MIVD te beschermen tegen kennisneming door onbevoegden. Het gaat om zogenoemde lawful interception-gegevens (LI-gegevens). De staatssecretaris stelde tekortkomingen vast op vijf onderdelen: het beveiligingsplan, uitbesteding, personeel, fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging van geautomatiseerde informatiesystemen. Daarvoor legde hij op grond van de Telecommunicatiewet in totaal € 2.250.000 aan boetes op. [aanbieder 1] bestrijdt onder meer de vaststelling van verschillende overtredingen, de invulling van de normen uit het Bbgt en de evenredigheid van de boetes. 

IT 5477

HRIF.EU geen belanghebbende bij overnameverbod Solvinity; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen

Rechtbank Rotterdam 25 aug 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hrif-eu-geen-belanghebbende-bij-overnameverbod-solvinity-verzoek-om-voorlopige-voorziening-afgewezen

Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris). De voorzieningenrechter wijst het verzoek van Stichting Human Rights in Finance.EU (HRIF.EU) om een voorlopige voorziening af. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat had Kyndryl Holdings Inc. en gelieerde entiteiten op grond van artikel 14a.4 lid 1 Telecommunicatiewet verboden overwegende zeggenschap te verkrijgen in Solvinity Group B.V., omdat deze verkrijging volgens hem tot een bedreiging van het publieke belang kon leiden. Solvinity en haar aandeelhouder maakten tegen dit besluit bezwaar. Ook HRIF.EU maakte bezwaar, met het doel te worden toegelaten tot die bezwaarprocedure. Bij besluit van 25 augustus 2026 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU niet-ontvankelijk, omdat de stichting geen belanghebbende is. HRIF.EU stelde daartegen beroep in en verzocht de voorzieningenrechter onder meer om haar als deelnemer toe te laten tot de inhoudelijke hoorzitting in de bezwaarprocedure van Solvinity en haar aandeelhouder.

IT 5478

Taakstraf naast tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd met artikel 9 lid 4 Sr

Hoge Raad 18 aug 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie), https://www.itenrecht.nl/artikelen/taakstraf-naast-tien-maanden-onvoorwaardelijke-gevangenisstraf-in-strijd-met-artikel-9-lid-4-sr

HR 18 augustus 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie). De Hoge Raad oordeelt in deze economische strafzaak over de strafoplegging aan een verdachte die onder meer was veroordeeld voor witwassen, het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer in strijd met de Telecommunicatiewet. Het gerechtshof Amsterdam legde een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Het derde cassatiemiddel klaagde dat daarmee een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen was opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 4 Sr kan naast een gevangenisstraf een taakstraf worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. De overige cassatieklachten konden volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging leiden en zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO afgedaan.

IT 5473

Vodafone-commercial over maximale internetsnelheid niet misleidend

Overige instanties 4 aug 2026, IT 5473; 2026/00337 (klacht tegen Vodafone), https://www.itenrecht.nl/artikelen/vodafone-commercial-over-maximale-internetsnelheid-niet-misleidend

SGR 4 augustus 2026, RB 4118; IT 5473; 2026/00337 (klacht tegen Vodafone). In deze zaak gaat het om een televisiecommercial van Vodafone voor haar Unlimited-abonnementen. In de commercial wordt onder meer gezongen over “maximale snelheid” en “sneller dan snel”, terwijl in beeld staat: “Tot 1 Gbit/s bij alle Unlimited abonnementen.” Klager vindt de uiting misleidend omdat het netwerk van Vodafone volgens een speedtest van Ookla trager is dan dat van andere aanbieders en hij zelf in de praktijk een veel lagere snelheid ervaart. Vodafone voert aan dat de commercial duidelijk maakt dat alle Unlimited-abonnementen toegang geven tot de maximale technisch beschikbare snelheid zonder een abonnementsafhankelijke snelheidsbeperking. De daadwerkelijke snelheid kan volgens Vodafone variëren door onder meer locatie, dekking, netwerkdrukte en de omstandigheden binnen- of buitenshuis. 

IT 5456

Leveranciersverbod Huawei en ZTE in kritieke onderdelen mobiel netwerk Odido rechtmatig

Overige instanties 19 feb 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken), https://www.itenrecht.nl/artikelen/leveranciersverbod-huawei-en-zte-in-kritieke-onderdelen-mobiel-netwerk-odido-rechtmatig

CBb 19 februari 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de rechtmatigheid van een aan Odido opgelegde maatregel op grond van de Telecommunicatiewet en het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie (Bvit). Naar aanleiding van waarschuwingen van de AIVD en MIVD over toenemende digitale spionage en een interdepartementale risicoanalyse naar de kwetsbaarheid van mobiele netwerken had de minister Odido verplicht om in aangewezen kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk geen apparatuur van Huawei en ZTE meer te gebruiken en de reeds aanwezige apparatuur binnen de gestelde termijn te vervangen. Odido bestreed zowel de wettelijke grondslag van deze leveranciersmaatregel als de verbindendheid van het Bvit. Volgens haar bood de Telecommunicatiewet onvoldoende basis voor een zo verstrekkend leveranciersverbod en was de regeling onder meer onverenigbaar met de Europese Telecomcode, het vrije verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daarnaast stelde Odido dat de concrete maatregel onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onevenredig inbreuk maakte op haar eigendomsrecht en dat zij aanspraak had op nadeelcompensatie wegens de kosten van de vervanging van de apparatuur. 

IT 5447

Beperking van frequentiegebruik tot digitale televisie verenigbaar met dienstenneutraliteit

HvJ EU 16 jul 2026, IT 5447; ECLI:EU:C:2026:601 (Elettronica Industriale II), https://www.itenrecht.nl/artikelen/beperking-van-frequentiegebruik-tot-digitale-televisie-verenigbaar-met-dienstenneutraliteit

HvJ EU 16 juli 2026, IT 5447; ECLI:EU:C:2026:601 (Elettronica Industriale II). Elettronica Industriale beschikte sinds 28 juni 2012 over gebruiksrechten voor radiofrequenties voor digitale terrestrische televisie (DTT). In 2016 verzocht zij de Italiaanse autoriteiten om herziening van de aan deze gebruiksrechten verbonden beperkingen, zodat de betrokken frequenties ook voor andere elektronische communicatiediensten konden worden gebruikt. Het verzoek werd afgewezen omdat het geldende nationale frequentietoewijzingsplan de frequentieband 470-790 MHz primair voor omroepdiensten reserveerde. Nadat Elettronica Industriale tegen die afwijzing was opgekomen, vroeg de Consiglio di Stato het Hof van Justitie in wezen of het beginsel van dienstenneutraliteit uit artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG zich ertegen verzet dat een houder van frequentiegebruiksrechten op grond van een nationaal frequentieplan wordt verplicht die frequenties uitsluitend voor DTT te gebruiken. 

IT 5392

HvJ EU: dynamische streamingdienst valt onder begrip digitale dienst

HvJ EU 9 jul 2026, IT 5392; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-dynamische-streamingdienst-valt-onder-begrip-digitale-dienst

HvJ EU 9 juli 2026, IT 5392; RB 4066; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation). In deze zaak biedt Sky Österreich een streamingdienst aan waarmee consumenten via een link of applicatie toegang krijgen tot programma’s die op een server zijn opgeslagen. De programma’s kunnen live of on demand worden bekeken en, afhankelijk van de beschikbare licenties, worden gedownload en offline worden bekeken. Een download kan slechts eenmaal worden bekeken en moet binnen 48 uur vanaf het begin van het afspelen volledig zijn bekeken. Bij het online afsluiten van een abonnement moet de consument instemmen met een beding waarin hij ermee akkoord gaat dat Sky Österreich vóór het verstrijken van de herroepingstermijn van veertien dagen met de uitvoering van de overeenkomst begint en erkent dat hij daardoor zijn herroepingsrecht verliest. De Oostenrijkse consumentenorganisatie Verein für Konsumenteninformation (VKI) stelt dat deze informatie ontoereikend is, omdat het streamingabonnement een digitale dienst vormt en het herroepingsrecht pas vervalt wanneer die dienst volledig is geleverd. Sky Österreich stelt daarentegen dat zij digitale inhoud levert, zodat het herroepingsrecht volgens haar is uitgesloten zodra de uitvoering van de overeenkomst een aanvang neemt. Nadat VKI in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, vraagt het Oberste Gerichtshof het Hof van Justitie in wezen of een dergelijke streamingdienst moet worden aangemerkt als de levering van digitale inhoud in de zin van artikel 2, punt 11, en artikel 16, eerste alinea, onder m, Richtlijn 2011/83.