Telecomrecht

IT 3723

Prejudiciële vragen over mededingingsrecht SEO-houder

HvJ EU 3 mei 2021, IT 3723; (Nokia Technologies), http://www.itenrecht.nl/artikelen/prejudici-le-vragen-over-mededingingsrecht-seo-houder

Landgericht Düsseldorf (Duitsland) 3 mei 2021, IEF 20351, IT 3723, IEFbe 3326; C-182/21 (Nokia Technologies) Via Minbuza. Verzoekster (Nokia Technologies) heeft een Europees octrooi voor een verzendmethode van gegevens in een telecommunicatiesysteem. Nokia Corporation heeft ETSI in kennis gesteld van de aanmelding van het litigieuze octrooi. Zij heeft verklaard dat zij deze als essentieel voor de LTE-standaard beschouwt en een FRAND-verklaring afgegeven. In verweersters voertuigen zijn onder andere TCU’s (Telematics Control Units) ingebouwd waarmee de voertuigen (Connected Cars), met name via het LTE-netwerk, verbinding kunnen maken met het internet. Nokia vordert staking van de inbreuk op het litigieus octrooi. Volgens verweerster volgt uit artikel 102 VWEU en ook uit de afgegeven FRANDverklaring, dat een SEO-houder aan elke licentieverzoeker die bereid is een licentie te nemen een eigen onbeperkte licentie moet aanbieden voor alle octrooirechtelijk relevante vormen van gebruik van dit SEO. De verwijzende rechter overweegt dat artikel 102 VWEU ruimte laat voor verschillende uitleggingen die voor een ervaren jurist redelijkerwijs in gelijke mate mogelijk zijn, en dat de voor het oordeel relevante vragen nog niet door het Hof zijn uitgelegd, en vooral niet afdoend zijn beantwoord in het arrest Huawei/ZTE. 

IT 3648

Prejudiciële vraag over de uitleg van verordening nr. 531/2012

HvJ EU 2 sep 2021, IT 3648; ECLI:EU:C:2021:675 (Vodafone tegen Duitsland), http://www.itenrecht.nl/artikelen/prejudici-le-vraag-over-de-uitleg-van-verordening-nr-531-2012

HvJ EU 2 september 2021, IT 3648; IEFbe 3273; ECLI:EU:C:2021:675 (Vodafone tegen Duitsland) Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de verordening nummer 531/2012. Deze gaat over roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie. In artikel 3 staat onder andere dat telecombedrijven diensten moeten aanbieden zonder discriminatie. Vodafone is actief in deze branche en stelt haar klanten voor om bij het basistarief gratis „zero-rating”-tariefopties te nemen. De algemene contractvoorwaarden bepalen dat deze tariefopties alleen geldig zijn op het nationale grondgebied.  Daarop heeft het Verwaltungsgericht Köln het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing te nemen over de vraag of dit verenigbaar is met Unierecht. Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 3 van verordening 2015/2120 aldus moet worden uitgelegd dat een beperking van het roaminggebruik wegens de activering van een „zero-rating”-tariefoptie onverenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit lid 3 van dat artikel.

IT 3486

HvJ EU: mobiel satellietsysteem niet onverenigbaar met Unierecht

HvJ EU 15 apr 2021, IT 3486; ECLI:EU:C:2021:273 (Eutelsat tegen ARCEP), http://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-mobiel-satellietsysteem-niet-onverenigbaar-met-unierecht

HvJ EU 15 april 2021, IT 3486, ECLI:EU:C:2021:273 (Eutelsat tegen ARCEP) Antwoord op verzoek om prejudiciële beslissing. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eutelsat en ARCEP, de Franse regelgevende instantie voor elektronische communicatie en posterijen, inzake het besluit van laatstgenoemde om aan Inmarsat gebruiksrechten voor complementaire grondcomponenten van mobiele satellietsystemen te verlenen. Inmarsat wilde deze gaan inzetten voor hun systeem dat connectiviteitsdiensten aan de luchtvaart verleend. Eutelsat heeft hierop een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de hoogste Franse bestuursrechter op grond van met name schending van het Unierecht. Het Hof verklaart o.a. dat de datatransmissiecapaciteit van een „mobiel satellietsysteem” niet noodzakelijkerwijs hoofdzakelijk op de satellietcomponent van een dergelijk systeem als degene in kwestie hoeft te berusten.

IT 3403

Oneerlijke handelspraktijken telecomaanbieder

Rechtbank 5 feb 2021, IT 3403; ECLI:NL:RBROT:2021:780 (Eiseres tegen ACM), http://www.itenrecht.nl/artikelen/oneerlijke-handelspraktijken-telecomaanbieder

Rechtbank Rotterdam 5 februari 2021, IT 3404, RB 3486; ECLI:NL:RBROT:2021:780 (eiseres tegen ACM) In 2017 heeft de ACM onderzoek gedaan naar de naleving van wettelijke informatieplichten die gelden bij het aanbieden van producten en diensten via internet door telecomaanbieders. De ACM heeft naar aanleiding van dit onderzoek 'Uitgangspunten transparante aanbiedingen telecomaanbieders' opgesteld. In dit verband is eiseres verzocht haar website www.vodafone.nl in lijn te brengen met deze uitgangspunten. De website bood namelijk een sim only-abonnement aan met een abonnementsprijs van € 21, waarbij in kleine letters is vermeld 'i.c.m. Ziggo'. De korting gold alleen voor Ziggo-klanten, maar was wel al verwerkt in de prijsvermelding op de webpagina. Op een later moment bood eiseres op haar website een abonnement aan in combinatie met een toestel aan onder vermelding van een maandprijs. Na het klikken op deze aanbieding kwam met op een webpagina waar men een aanvraagproces moest doorlopen.

IT 3315

Identiteitsfraude niet voldoende onderbouwd

Rechtbank 28 okt 2020, IT 3315; ECLI:NL:RBLIM:2020:8299 (T-Mobile tegen gedaagde), http://www.itenrecht.nl/artikelen/identiteitsfraude-niet-voldoende-onderbouwd

Ktr. Rechtbank Limburg 28 oktober 2020, IT 3315; ECLI:NL:RBLIM:2020:8299 (T-Mobile tegen gedaagde) Telecomrecht. T-Mobile vordert betaling van de openstaande facturen en de schade als gevolg van beëindiging van de overeenkomst door gedaagde. Gedaagde stelt dat sprake is van identiteitsfraude en dat zij de overeenkomst niet is aangegaan. Op basis van de door T-Mobile genoemde feiten ten aanzien van de stappen in het bestelproces, is de totstandkoming van de overeenkomst voldoende gewaarborgd. Het is aan gedaagde om tegen deze stellingen voldoende onderbouwd verweer te voeren. Dat heeft zij niet gedaan. Zij geeft aan dat zij haar portemonnee enige tijd kwijt is geweest en dat zij aangifte heeft gedaan bij de gemeente. Gedaagde had de aangifte van vermissing en de gestelde identiteitsfraude echter bij de politie moeten doen. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing van het verweer, wordt van de juistheid van de stellingen van T-Mobile uitgegaan. De vordering van T-Mobile wordt toegewezen.

IT 3307

Schadevergoedingsbeding niet onredelijk bezwarend

Rechtbank 11 sep 2020, IT 3307; ECLI:NL:RBROT:2020:8836 (Direct Pay tegen gedaagde), http://www.itenrecht.nl/artikelen/schadevergoedingsbeding-niet-onredelijk-bezwarend

Ktr. Rechtbank Rotterdam 11 september 2020, IT 3307; ECLI:NL:RBROT:2020:8836 (Direct Pay tegen gedaagde) Telecomrecht. Tussen een provider en gedaagde is in 2017 is een sim-only abonnement overeengekomen voor de duur van 24 maanden. Als betaalwijze is overeengekomen dat de maandelijkse facturen per automatische incasso zullen worden voldaan. Ondanks herhaaldelijke aanmaning, lukt het Direct Pay niet de bedragen per automatische incasso te incasseren en heeft gedaagde de bedragen niet zelf overgemaakt. Uiteindelijk ontbindt gedaagde de overeenkomst vroegtijdig wegens emigratie. De vordering is gecedeerd aan Direct Pay. Ook nu gedaagde een machtiging tot automatische incasso had afgegeven, bleef het de verantwoordelijkheid van gedaagde om zorg te dragen voor tijdige en volledige betaling. De vordering tot betaling van de verschuldigde factuurbedragen wordt toegewezen. Daarnaast is niet komen vast te staan dat gedaagde een bewijs van emigratie aan de provider heeft doen toekomen. Direct Pay beroept zich op een beding in de algemene voorwaarden op grond waarvan gedaagde een gematigde schadevergoeding dient te voldoen voor de resterende abonnementstermijnen. Dit beding is in lijn met de aanbevelingen uit het rapport Ambtshalve toetsing II/III en derhalve niet onredelijk bezwarend. De vordering tot betaling van de schadevergoeding wordt toegewezen.

IT 3289

Schadevergoeding wegens voortijdige ontbinding telefoonabonnement

Rechtbank 7 okt 2020, IT 3289; ECLI:NL:RBLIM:2020:7685 (T-Mobile tegen gedaagde), http://www.itenrecht.nl/artikelen/schadevergoeding-wegens-voortijdige-ontbinding-telefoonabonnement

Ktr. Rechtbank Limburg 7 oktober 2020, IT 3289; ECLI:NL:RBLIM:2020:7685 (T-Mobile tegen gedaagde) Telecommunicatierecht. De stellingen van T-Mobile komen er kortgezegd op neer dat sprake is van een overeenkomst die bestaat uit een goederenkredietovereenkomst en een overeenkomst ter zake van het verstrekken van telecommunicatiediensten. De overeenkomsten (met een looptijd van 24 maanden) zijn in augustus 2018 ingegaan en per februari 2019 beëindigd. T-Mobile vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van een bedrag aan openstaande facturen vóór ontbinding, afbetaling van het goederenkrediet en schadevergoeding wegens vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst. De vordering wordt toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten worden echter afgewezen, omdat onduidelijk is met ingang van welke datum gedaagde in verzuim is.

IT 3287

Geen beroep mogelijk op artikel 5.8 lid 2 Tw (oud)

Hof 12 mei 2020, IT 3287; ECLI:NL:GHDHA:2020:1926 (Stichting Maasdelta Groep tegen KPN), http://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-beroep-mogelijk-op-artikel-5-8-lid-2-tw-oud

Hof Den Haag 12 mei 2020, IT 3287; ECLI:NL:GHDHA:2020:1926 (Stichting Maasdelta Groep tegen KPN) Telecomrecht. Maasdelta en de gemeente Maassluis hebben een mantelovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat Maasdelta een nieuwe school zou realiseren. Op de grond waarop de school moest worden gerealiseerd stond een verdeelkast van KPN. Tussen KPN en Maasdelta kwam een overeenkomst tot stand op grond waarvan KPN de verdeelkast zou verplaatsen. Maasdelta weigert de factuur van KPN te betalen en beroept zich daarbij op artikel 5.8 lid 2 Tw (oud). In eerste aanleg is Maasdelta veroordeeld tot betaling van de facturen. In het midden kan blijven of artikel 5.8 lid 2 Tw (oud) alleen van toepassing is bij woningbouw (en niet bij de oprichting van een schoolgebouw). Maasdelta komt om twee redenen geen beroep toe op dit artikel. Ten eerste was Maasdelta op het moment van het sluiten van de overeenkomst niet jegens de gemeente ‘gehouden’ om de grond te leveren als bedoeld in artikel 5.8 lid 2 Tw (oud). Daarnaast was de oprichting van het schoolgebouw niet ‘voldoende bepaalbaar’ als bedoeld in deze bepaling. De overeenkomst is derhalve niet tot stand gekomen onder een onjuiste voorstelling van zaken. Het beroep op dwaling faalt. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.