Gepubliceerd op maandag 9 maart 2026
IT 5127
Rechtbank Overijssel ||
25 feb 2026
Rechtbank Overijssel 25 feb 2026, IT 5127; ECLI:NL:RBOVE:2026:1222 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/cameratoezicht-in-een-burengeschil-beveiligingsbelang-begrensd-door-privacy

Cameratoezicht in een burengeschil: beveiligingsbelang begrensd door privacy

Rb. Overijssel 25 februari 2026, IT&R 5127; ECLI:NL:RBOVE:2026:1222 ([eiser] tegen [gedaagden]). In dit kort geding beoordeelt de voorzieningenrechter of vier door gedaagden geplaatste camera’s een onrechtmatige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van hun buurvrouw. Daarbij stelt de rechter voorop dat een eigenaar in beginsel camera’s mag plaatsen ter beveiliging van de eigen woning en het eigen perceel, maar dat dit recht wordt begrensd zodra ook de achtertuin van een ander of een groot deel van de openbare weg in beeld komt. Per camera moet daarom worden beoordeeld of sprake is van een privacy-inbreuk en, zo ja, of daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. De camera aan de achterzijde van de woning hoeft niet te worden verwijderd, omdat vaststaat dat deze door de verhoogde schutting de tuin van eiseres niet langer filmt en onvoldoende aannemelijk is dat zij alsnog het openbare achterpad registreert. De beveiligingscamera aan de voorzijde mag blijven hangen, maar moet wel aantoonbaar zo worden gepositioneerd dat uitsluitend het eigen perceel wordt gefilmd, omdat voldoende aannemelijk is dat deze anders ook de openbare weg in beeld brengt. De deurbelcamera aan de voorzijde moet worden verwijderd, omdat voldoende aannemelijk is dat deze een deel van de openbare stoep filmt, terwijl gedaagden onvoldoende onderbouwen dat die inbreuk noodzakelijk is of niet op een minder ingrijpende wijze kan worden voorkomen. Aan beide veroordelingen verbindt de voorzieningenrechter een gematigde dwangsom.

De overige vorderingen wijst de voorzieningenrechter af. De gevorderde verwijdering van de verhoging van de gemeenschappelijke schutting strandt wegens het ontbreken van spoedeisend belang, omdat onvoldoende aannemelijk is dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ook het gevorderde verbod om nog wijzigingen aan mede-eigendommen aan te brengen wordt afgewezen: hoewel zulke wijzigingen zonder overleg niet zijn toegestaan, is niet gesteld of gebleken dat gedaagden dit vaker doen of dat concrete aanwijzingen voor herhaling bestaan. Het gevorderde contactverbod wordt eveneens afgewezen. De rechter stelt voorop dat zo’n verbod alleen toewijsbaar is bij ernstig onrechtmatig handelen én concreet gevaar voor herhaling. Hoewel het gestelde slaan met een bezem, indien juist, ernstig onrechtmatig zou zijn, staat die gedraging in dit kort geding onvoldoende vast en acht de rechter herhalingsgevaar niet aannemelijk. Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, compenseert de voorzieningenrechter de proceskosten.

Camera’s

5.2.

[eiser] heeft haar spoedeisend belang bij de vordering onder I. voldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een voortdurende situatie, die – indien de camera’s daadwerkelijk de achtertuin van [eiser] en de openbare weg registreren – mogelijk onrechtmatig is. Een dergelijke voortdurende onrechtmatige situatie hoeft [eiser] niet te dulden. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

5.3.

Uitgangspunt is dat de eigenaar van een perceel in beginsel camera’s mag plaatsen ter beveiliging van zijn woning en perceel. Dit recht is echter niet onbegrensd. Met camera’s die zicht verschaffen op de achtertuin van een ander of (een groot deel van) de openbare weg, wordt in beginsel een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Dat is onrechtmatig, behalve als daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Of er een rechtvaardigingsgrond is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en onder afweging van de ernst van de inbreuk enerzijds en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend anderzijds. De voorzieningenrechter overweegt dat per camera de vraag moet worden beantwoord of die inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en, indien dat het geval is, of daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.