13 mrt 2026,
Cassatie verworpen in softwaregeschil over zorgplicht opdrachtnemer
HR 13 maart 2026, IT 5561; ECLI:NL:HR:2026:402 (GAC tegen Verano c.s.). GAC Group of Companies B.V. stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2024 in een geschil over een overeenkomst tot levering van software. Uit de inhoudsindicatie van het arrest blijkt dat in de procedure onder meer de vraag speelde of GAC toerekenbaar was tekortgeschoten in haar verplichtingen uit die overeenkomst, doordat niet was voldaan aan gewekte verwachtingen over de software en doordat de zorgplicht van artikel 7:401 BW was geschonden. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging kunnen leiden en verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel daarom niet inhoudelijk, omdat beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling niet nodig is. Het arrest van het gerechtshof blijft daarmee in stand, maar de Hoge Raad geeft zelf geen nadere inhoudelijke uitleg over de zorgplicht van een IT-leverancier of over de betekenis van gewekte verwachtingen bij softwarelevering. GAC wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 8.508 aan verschotten en € 2.200 aan salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet tijdig wordt betaald.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).