DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IT 5454

Betalingsverplichting consument 20% verminderd wegens niet-naleven afsluitregeling

Rechtbank Midden-Nederland 4 mrt 2026,, IT 5454; ECLI:NL:RBMNE:2026:658 (Engie Nederland Retail B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/betalingsverplichting-consument-20-verminderd-wegens-niet-naleven-afsluitregeling

Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, IT 5454; ECLI:NL:RBMNE:2026:658 (Engie Nederland Retail B.V. tegen [gedaagde]). Engie vordert in een verstekprocedure betaling van openstaande bedragen uit een op afstand gesloten energieovereenkomst met een consument, die voor onbepaalde tijd is aangegaan en inmiddels is beëindigd. De kantonrechter toetst ambtshalve of Engie de toepasselijke consumentenbeschermende regels heeft nageleefd. Naar aanleiding van een tussenvonnis legt Engie onder meer herinneringsbrieven over en blijkt dat zij de consument heeft aangemeld bij een schuldhulpverleningsinstantie. Uit de dagvaarding en de nadere akte blijkt echter niet dat Engie een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden met een voorstel voor de betaling en afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat is op grond van artikel 4Aa van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas vereist voordat de levering van elektriciteit en gas mag worden beëindigd. De kantonrechter acht daarom een sanctie passend en vermindert de betalingsverplichting van de consument met 20%.

IT 5452

Dubbel ondertekend targetformulier leidt niet tot jaarklik voor elektriciteitsprijs 2023

Gerechtshof Den Haag 4 aug 2026,, IT 5452; ECLI:NL:GHDHA:2026:2466 (BES tegen Greenchoice), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dubbel-ondertekend-targetformulier-leidt-niet-tot-jaarklik-voor-elektriciteitsprijs-2023

Hof Den Haag 4 augustus 2026, IT 5452; ECLI:NL:GHDHA:2026:2466 (BES tegen Greenchoice). Bio-Energie Stadskanaal (BES) en Greenchoice sluiten voor 2023 een overeenkomst voor de levering van duurzame elektriciteit. Uitgangspunt is een variabele prijs, maar BES kan via een klikprocedure de prijs voor bepaalde volumes per kwartaal of voor het gehele jaar vastzetten. Het belangrijkste geschilpunt is of in september 2022 een jaarklik voor 2023 tot stand komt nadat BES een formulier indient met een targetprijs van € 600 per MWh en Greenchoice dit formulier vervolgens medeondertekent en retourneert. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat dit niet het geval is en dat BES daarop ook niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat voor de totstandkoming van een prijsklik de bevestiging door Greenchoice beslissend is, kan het dubbel ondertekende formulier redelijkerwijs niet als zo’n bevestiging worden uitgelegd. Daaruit volgt juist dat Greenchoice zich inspant om het volume tegen de targetprijs vast te leggen en dat de prijs pas definitief en bindend wordt zodra Greenchoice deze daadwerkelijk kan vastleggen. Het formulier wijkt bovendien duidelijk af van formulieren uit eerdere jaren waarin expliciet werd bevestigd dat een prijs al was vastgezet. Ook de begeleidende e-mails van 6 en 7 september 2022 laten geen ruimte voor een ander oordeel: Greenchoice schrijft dat de marktprijs op dat moment rond € 350-360 ligt, ver verwijderd van de gevraagde € 600, en dat zij de ontwikkeling in de gaten houdt. Het hof ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat BES redelijkerwijs mocht menen dat de jaarklik al was uitgevoerd.

IT 5432

Elektronische handtekening voldoende betrouwbaar: taxatieovereenkomst heeft dwingende bewijskracht

Rechtbank Overijssel 28 jul 2026,, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/elektronische-handtekening-voldoende-betrouwbaar-taxatieovereenkomst-heeft-dwingende-bewijskracht

Rb. Overijssel 28 juli 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]). Tussen Fitrex en een consument is in geschil of een overeenkomst tot stand is gekomen voor de taxatie van diens woning. De consument betwist dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend en stelt dat de taxatiekosten al waren inbegrepen in het bedrag dat hij aan zijn hypotheekadviseur had betaald. De kantonrechter overweegt dat een elektronisch ondertekend geschrift als onderhandse akte dwingende bewijskracht kan hebben wanneer de gebruikte methode van ondertekening, gelet op het doel waarvoor zij is gebruikt en alle overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. Fitrex had de contactgegevens van de consument via een bij haar bekende tussenpersoon ontvangen, de overeenkomst naar diens e-mailadres gestuurd en bij de ondertekening onder meer het gebruikte e-mailadres, IP-adres, de datum en het tijdstip geregistreerd. Gelet op deze werkwijze en het doel van de overeenkomst – een eenmalige taxatie tegen een vooraf bepaalde vaste prijs – acht de kantonrechter de ondertekenmethode voldoende betrouwbaar. De overeenkomst heeft daarom tussen partijen dwingende bewijskracht van hetgeen daarin is vastgelegd, behoudens tegenbewijs. De consument heeft geen tegenbewijs geleverd of aangeboden en heeft bovendien bevestigd dat het geregistreerde e-mailadres bij hem in gebruik is. De kantonrechter concludeert dat een overeenkomst tussen Fitrex en de consument tot stand is gekomen en dat de consument € 645 voor de taxatie moet betalen. Dat hij mogelijk met zijn hypotheekadviseur had afgesproken dat de taxatiekosten in diens vergoeding waren inbegrepen, maakt dit niet anders, omdat Fitrex juridisch buiten die afspraak staat.

IT 5426

Onjuiste kosteninschatting softwareproject leidt tot vernietiging wegens dwaling

Rechtbank Gelderland 15 apr 2026,, IT 5426; ECLI:NL:RBGEL:2026:2973 (Growrs tegen Rhodos), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onjuiste-kosteninschatting-softwareproject-leidt-tot-vernietiging-wegens-dwaling

Rb. Gelderland 15 april 2026, IT 5426; ECLI:NL:RBGEL:2026:2973 (Growrs tegen Rhodos). Rhodos schakelde softwarebedrijf Growrs in om een eerder door het failliete Addaptive begonnen webshop- en ERP-project voort te zetten. De overeenkomst zag aanvankelijk op de webshop en op de onderdelen van het ERP-systeem die daarvoor nodig waren. Growrs gaf vooraf twee concrete kosteninschattingen: eerst € 35.000 tot € 50.000 en vervolgens in de overeenkomst € 39.000 met een marge van ± 25%. Daarbij was bepaald dat de uren op nacalculatie zouden worden afgerekend en dat de oplevertermijn een best effort-karakter had. Tijdens de uitvoering bleek dat het door Addaptive verrichte werk veel minder bruikbaar was dan Growrs bij het sluiten van de overeenkomst had aangenomen. Het project werd daardoor aanzienlijk duurder: Growrs declareerde uiteindelijk € 185.843,75 exclusief btw, waarvan Rhodos € 93.875 exclusief btw betaalde. De rechtbank oordeelt dat Rhodos bij het sluiten van de overeenkomst heeft gedwaald. Growrs ging toen zelf uit van de onjuiste feitelijke veronderstelling dat op het bestaande werk kon worden voortgebouwd en dat de werkzaamheden binnen de genoemde kostenbandbreedte konden worden uitgevoerd, en heeft die veronderstelling door haar concrete prijsindicaties aan Rhodos overgebracht. Achteraf verklaarde Growrs dat volledig opnieuw beginnen ongeveer € 80.000 tot € 100.000 zou hebben gekost en nog steeds aanzienlijk goedkoper zou zijn geweest dan de daadwerkelijk gevolgde werkwijze.

IT 5422

Schadeclaim na cryptoverlies strandt omdat contractspartij Green Sky niet is gedagvaard

Rechtbank Den Haag 8 jul 2026,, IT 5422; ECLI:NL:RBDHA:2026:19080 ([eiser] tegen gedaagden), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/schadeclaim-na-cryptoverlies-strandt-omdat-contractspartij-green-sky-niet-is-gedagvaard

Rb. Den Haag 8 juli 2026, IT 5422; ECLI:NL:RBDHA:2026:19080 ([eiser] tegen gedaagden). Eiser opende twee Bybit-accounts en sloot op 29 december 2024 een Software as a Service Agreement met Green Sky Capital SRL, een vennootschap naar Costa Ricaans recht. Op grond van die overeenkomst werd software voor algoritmische cryptohandel gebruikt die via API-keys met de handelsaccounts van eiser was verbonden. Eiser stortte 5 Bitcoin en ontving na beëindiging van de dienstverlening 4,35992294 Bitcoin terug. Hij vorderde vervolgens van Oxido, gelieerde vennootschappen en bestuurders vergoeding van 0,64007706 Bitcoin, door hem begroot op € 60.272,77. Volgens eiser was feitelijk sprake van vergunningplichtig individueel vermogensbeheer, was de SaaS-overeenkomst nietig of vernietigbaar wegens strijd met de Wft, dwaling en oneerlijke handelspraktijken en hadden Oxido en haar bestuurders onrechtmatig gehandeld.

IT 5425

SaaS-overeenkomst niet rechtsgeldig vernietigd, ontbonden of opgezegd na vastgelopen softwareproject

Rechtbank Amsterdam 4 mrt 2026,, IT 5425; ECLI:NL:RBAMS:2026:7528 (RB tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/saas-overeenkomst-niet-rechtsgeldig-vernietigd-ontbonden-of-opgezegd-na-vastgelopen-softwareproject

Rb. Amsterdam 4 maart 2026, IT 5425; ECLI:NL:RBAMS:2026:7528 (RB tegen [gedaagde]). RB B.V., een parfumonderneming, sloot met [gedaagde] B.V. een overeenkomst voor minimaal twaalf maanden. Hoewel de overeenkomst was aangeduid als een SaaS Agreement, ging het volgens de rechtbank om een combinatie van het beschikbaar stellen van een bestaand SaaS-platform en het ontwikkelen van maatwerkapplicaties, waaronder een website, marketplace, metaverse, NFT-designs en tokenoplossingen. RB zou daarvoor € 9.990 exclusief btw per maand betalen. De samenwerking liep na ongeveer vijf maanden vast. RB stopte uiteindelijk met betalen en stelde dat zij de overeenkomst wegens bedrog en dwaling kon vernietigen. De rechtbank volgt dat niet. De gedragingen waarop RB haar beroep op bedrog grotendeels baseerde, hadden plaatsgevonden ná het sluiten van de overeenkomst en konden haar dus niet tot het aangaan daarvan hebben bewogen. Ook het beroep op vermeende nepreviews slaagt niet, omdat de reviews onder de eigen namen van de oprichters en bestuurders van [gedaagde] waren geplaatst en RB wist wie zij waren. Van dwaling is evenmin sprake. Latere interne WhatsApp-berichten, waarin onder meer over het “maximaal melken” van maandelijkse inkomsten werd gesproken, tonen volgens de rechtbank niet aan dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst al die intentie had. Ook is niet gebleken dat [gedaagde] destijds onvoldoende expertise had om het project uit te voeren. De overeenkomst is daarom niet rechtsgeldig wegens bedrog of dwaling vernietigd.

IT 5428

Booking moet inzicht geven in eerdere kennis van onjuiste locatiegegevens bij accommodatie

Rechtbank Amsterdam 3 aug 2026,, IT 5428; ECLI:NL:RBAMS:2026:7389 ([verzoeker] tegen Booking), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/booking-moet-inzicht-geven-in-eerdere-kennis-van-onjuiste-locatiegegevens-bij-accommodatie

Rb. Amsterdam 10 juli 2026, RB 4069; ECLI:NL:RBAMS:2026:7389 ([verzoeker] tegen Booking). Via Booking.com werd voor € 2.540 een accommodatie in Griekenland geboekt. In de advertentie stond dat de accommodatie op slechts enkele tientallen meters van Komi Beach lag en op de kaart werd zij direct aan zee weergegeven. Bij aankomst bleek de accommodatie volgens de boekers op aanzienlijke afstand van het strand en in een afgelegen gebied te liggen. Na annulering werd slechts € 132 terugbetaald. De aanspraken van de boeker en de betaler zijn vervolgens gecedeerd aan de verzoeker, die in de Europese procedure voor geringe vorderingen betaling van het resterende bedrag van € 2.408 vordert. Hij stelt dat de advertentie misleidend was en beroept zich op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling en non-conformiteit. De kantonrechter acht de Nederlandse rechter bevoegd omdat Booking in Amsterdam is gevestigd. Op grond van de rechtskeuze in de algemene voorwaarden is Nederlands recht van toepassing, zonder dat de consument de bescherming verliest die hij aan dwingend Spaans recht ontleent.
 

IT 5407

Onregelmatige beëindiging marketingovereenkomst rechtvaardigt ontbinding; laatste websitefactuur wel verschuldigd

Rechtbank Overijssel 14 jul 2026,, IT 5407; ECLI:NL:RBOVE:2026:3998 ([partij A] tegen [partij B]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onregelmatige-beeindiging-marketingovereenkomst-rechtvaardigt-ontbinding-laatste-websitefactuur-wel-verschuldigd

Rb. Overijssel 14 juli 2026, IT 5407; ECLI:NL:RBOVE:2026:3998 ([partij A] tegen [partij B]). Partijen hadden twee afzonderlijke overeenkomsten van opdracht gesloten: een marketingovereenkomst voor maandelijkse werkzaamheden en een websiteovereenkomst voor de bouw van een nieuwe website. Het marketingbureau deelde op 2 juli 2025 mee dat het de samenwerking per augustus zou afronden, terwijl de marketingovereenkomst in ieder geval tot 31 oktober 2025 liep. Artikel 7:408 lid 2 BW stond niet centraal aan de beëindiging in de weg, omdat deze bepaling van regelend recht is en partijen daarvan in de algemene voorwaarden waren afgeweken. Op grond van die voorwaarden mocht het bureau echter alleen beëindigen wanneer de opdrachtgever haar verplichtingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakwam. Daarvan was geen sprake: de factuur voor juli was op 2 juli nog niet opeisbaar, de factuur voor de laatste websitefase was nog niet verzonden en er was niet onderbouwd dat de opdrachtgever zonder toestemming een derde had ingeschakeld. Het bureau schoot daarom tekort door de marketingovereenkomst zonder contractuele grond vroegtijdig te beëindigen. Uit de mededeling dat vanaf augustus geen marketingwerkzaamheden meer zouden worden verricht, mocht de opdrachtgever afleiden dat het bureau niet zou nakomen, zodat het op grond van artikel 6:83 onder c BW zonder ingebrekestelling in verzuim raakte. De opdrachtgever mocht de marketingovereenkomst daarom op grond van artikel 6:265 BW ontbinden en hoefde de factuur van € 1.064,80 voor juli niet te betalen. De gevorderde schadevergoeding van € 850 voor een online brochure wordt afgewezen, omdat onvoldoende was onderbouwd dat die brochure tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde.

IT 5408

Weigering van broncodecontrole en afgifte broncode rechtvaardigt ontbinding van beide appovereenkomsten

Rechtbank Rotterdam 1 jul 2026,, IT 5408; ECLI:NL:RBROT:2026:8114 (DTT tegen App!pointment en [persoon A]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/weigering-van-broncodecontrole-en-afgifte-broncode-rechtvaardigt-ontbinding-van-beide-appovereenkomsten

Rb. Rotterdam 1 juli 2026, IT 5408; ECLI:NL:RBROT:2026:8114 (DTT tegen App!pointment en [persoon A]). DTT ontwikkelde op grond van twee overeenkomsten de App!pointment-app en de Gotcha-app en factureerde daarvoor in totaal ruim € 460.000. App!pointment en [persoon A] betaalden ten minste ruim € 408.000. DTT vorderde betaling van het volgens haar nog openstaande deel van de facturen voor de App!pointment-app. De rechtbank oordeelt dat DTT App!pointment kon aanspreken, omdat zij de contractuele verplichtingen stilzwijgend had overgenomen, en dat ook [persoon A] persoonlijk kon worden aangesproken vanwege een in de overeenkomst opgenomen persoonlijke betalingsverbintenis. DTT had het door haar gestelde openstaande bedrag van € 52.441,04 echter onvoldoende onderbouwd voor zover dit het door App!pointment en [persoon A] erkende bedrag van € 47.902,72 te boven ging. De betrokken facturen waren in beginsel opeisbaar, omdat zij betrekking hadden op overeengekomen maandelijkse termijnen en een bij opdrachtverlening verschuldigde aanbetaling voor meerwerk. De App!pointment-app was echter niet overeenkomstig de overeenkomst opgeleverd, omdat voor eindoplevering schriftelijke goedkeuring van een release candidate nodig was en daarvan niet was gebleken. De opdrachtgever had juist gemeld dat verschillende essentiële functies niet werkten en kon de app niet zelfstandig testen. Omdat de app door inmiddels gewijzigde besturingssystemen alleen nog via onderzoek van de broncode kon worden beoordeeld, bracht de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW mee dat DTT moest meewerken aan controle van die broncode door een derde. Daarbij woog de rechtbank mee dat het om een complex maatwerkproduct ging dat over zes jaar tegen een aanzienlijk hogere prijs dan aanvankelijk overeengekomen was ontwikkeld, terwijl al ruim € 400.000 was betaald. Door medewerking aan controle te weigeren zolang niet alle facturen waren voldaan, schoot DTT tekort. Door haar duidelijke weigering verkeerde zij op grond van artikel 6:83 onder c BW zonder ingebrekestelling in verzuim.

IT 5401

Overeenkomst met IT-dienstverlener vernietigd wegens geschonden informatieplichten en oneerlijke handelspraktijken

Rechtbank Amsterdam 27 jul 2026,, IT 5401; ECLI:NL:RBAMS:2026:7689 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/overeenkomst-met-it-dienstverlener-vernietigd-wegens-geschonden-informatieplichten-en-oneerlijke-handelspraktijken

Rb. Amsterdam 23 juli 2026, RB 4070; IT 5401; ECLI:NL:RBAMS:2026:7689 ([eisers] tegen [gedaagde]). Twee consumenten sloten bij hen thuis mondeling een overeenkomst met een IT-dienstverlener voor een servicepakket van € 27,50 per maand. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte was gesloten, moest de dienstverlener voldoen aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m BW en de vormvoorschriften van artikel 6:230t BW. De vernietigingsvordering was niet verjaard, omdat de consumenten pas in februari 2024 daadwerkelijk bekend werden met de feiten en omstandigheden waarop zij de vernietiging baseerden. De dienstverlener had hen onvoldoende geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de diensten en zijn vergaande zeggenschap over onder meer de domeinnamen en digitale omgevingen, de wijze van betaling via automatische incasso, het herroepingsrecht, de duur van de overeenkomst en de opzeggingsvoorwaarden. Ook had hij de vereiste informatie en een bevestiging van de overeenkomst niet op papier of een andere duurzame gegevensdrager verstrekt. Daarmee schond hij de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1, onder a, g, h en o, en artikel 6:230t leden 1 en 2 BW. Voor de minimumduur als bedoeld in artikel 6:230m lid 1, onder p, BW bestond geen informatieplicht, omdat geen minimumduur was overeengekomen. De schendingen waren zo ernstig en betroffen zozeer de kern van de overeenkomst dat deze op grond van artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar was. Het weglaten van de essentiële informatie vormde bovendien een misleidende omissie. De e-mails waarin de dienstverlener na de opzegging dreigde de ICT-diensten te blokkeren en druk uitoefende om het abonnement voort te zetten, leverden een agressieve handelspraktijk op. De overeenkomst was daarom ook op grond van artikel 6:193j lid 3 BW vernietigbaar.